nr. 3205
25-06-1939

De drieërlei macht (XXII)

Na te hebben aangetoond, wat de Schotsche Kerkenorde verstaat onder de eerste vergadering, die ze ouderlingschap of presbyterie noemt, en welk een zeer uitgebreide macht ze aan deze grondvergadering toekent, heb ik thans nog na te gaan, welke macht en welke taak ze toekent aan de Provinciale en Nationale Synode.

Onder de provinciale vergaderingen verstaan wij, zoo zegt de Kerkenorde in Art. 18, wettige vergaderingen van predikanten, doctoren en andere ouderlingen van een provincie, vergaderd voor de gemeenschappelijke zaken der kerken daartoe behoorende, welke vergadering insgelijks kan genoemd worden een vergadering van de Kerk en de broeders.

Wat de taak der provinciale vergadering is, zoo wordt deze in Art. 19 aldus omschreven: Deze vergaderingen zijn ingesteld om gewichtige zaken te behandelen met onderlinge toestemming en hulp van de broeders binnen de provincie, als de nood dit vereischt.

Nog duidelijker wordt deze taak bepaald in Art. 20, dat handelt over de macht, die aan deze Provinciale Synode toekomt. Ze heeft macht, zegt de Kerkenorde, om alle dingen te behandelen, te ordenen en te herstellen, die in de particuliere vergaderingen (d.w.z. kerkeraden) zijn nagelaten of verkeerdelijk zijn gedaan. Ze heeft macht de ambtsdragers in die provincie af te zetten, die op grond van wettige en rechtmatige oorzaken deze afzetting verdienen. En in het algemeen hebben deze vergaderingen de geheele macht van de particuliere presbyteries of ouderlingschappen, waaruit ze zijn saamgesteld.

Hetzelfde wordt daarna evenzeer gezegd van de Nationale Synodes, waarover gehandeld wordt in de volgende artikelen. De nationale vergadering, zoo luidt Art. 21, welke voor ons is de generale, is een wettige vergadering van al de kerken van het rijk of de natie, welke gebruikt wordt en vergaderd is voor gemeenschappelijke zaken der Kerk. Ze kan genoemd worden de generale Ouderlingschap van de geheele kerk binnen het Rijk. Niemand is echter verplicht deze vergadering bij te wonen om te stemmen, dan kerkelijke personen tot zulk een getal als zal goedgevonden door deze vergadering. Wat echter niet uitsluit, dat ook andere personen mogen toegelaten worden, die zich tot de genoemde vergadering zullen begeven om voorstellen te doen, te hooren en redenen aan te voeren.

Evenals van de provinciale vergaderingen wordt ook van de Nationale Synode in Art. 22 verklaard, dat zij is ingesteld opdat alle dingen, die hetzij nagelaten of verkeerd gedaan zijn door de provinciale vergaderingen, mogen terecht worden gezet en behandeld. En opdat zaken, die in het algemeen dienen voor den welstand van het geheele lichaam der Kerk binnen het Rijk mogen worden verzorgd, behandeld en voortgezet tot Gods eere. Deze generale vergadering zal voorts zorg dragen, zegt Art. 23, dat kerken geplant worden in plaatsen, waar ze nog niet zijn en ze zal de regels voorschrijven, hoe de andere twee soorten van vergaderingen in alle dingen zullen handelen.

In de beide slotartikelen wordt dan nog gesproken over een nog meer generale vergadering, die alle naties en staten van personen omvat binnen de Kerk en de universeele Kerk van Christus representeert, welke vergadering in eigenlijken zin kan worden genoemd het generale Concilie van de geheele Kerk van God. Deze vergaderingen werden speciaal saamgeroepen, wanneer eenig groot schisma of geschil in de leer in de Kerk oprees. Ze werden geconvoceerd door vrome Keizers voor een bepaalden tijd om schismas in de universeele Kerk van God te vermijden.

Aangezien deze Schotsche Kerkenorde grooten invloed heeft gehad op de Presbyteriaansche kerken in Engeland, N.-Amerika en elders, heb ik de regeling, die ze geeft voor de verhouding van de kerkeraden en meerdere vergaderingen, hier zoo getrouw mogelijk meegedeeld. Er is zeker verschil met het Gereformeerde Kerkrecht, zooals zich dat in Frankrijk en in navolging daarvan ook in ons land ontwikkeld heeft. Een principieel verschil is dat echter niet. Het Schotsche Kerkrecht legt meer den nadruk er op, dat de kerkelijke vergaderingen, vergaderingen van ouderlingen zijn (zoowel leer- als regeerouderlingen) en deze geroepen zijn door Christus om de kerk in zijn naam te regeeren. In de provinciale synodes kwamen dan ook al deze ambtsdragers (de diakenen uitgezonderd) saam, zooals dit ook op de Synode te Jerusalem het geval was met de Apostelen en ouderlingen van Jerusalem. Alleen ten opzichte van de Generale Synode wordt hun aantal beperkt, zoodat daarvoor afvaardiging door de provinciale Synodes moest plaats vinden van bepaalde ambtsdragers, gelijk ook door de kerk van Antiochië naar de synode te Jerusalem is geschied. Evenals de ouderlingschap of het presbyterie van de plaatselijke kerk de kerk representeert, zoo doet dit ook de provinciale Synode de kerk van de provincie, en de nationale Synode de kerk van heel het rijk. Een verschil in macht tusschen deze vergaderingen is er echter niet. Elk dezer vergaderingen, particulier, provinciaal en nationaal, heeft dezelfde macht, alleen met dit verschil, dat de provinciale Synodes de geheele macht hebben van de presbyteries daar verzameld, en de nationale synodes van al de presbyteries in de kerk. Hetzelfde wat ook Voetius geleerd heeft, toen hij de macht der Synodes een potestas cumulativa noemde, een saamgevoegde macht der kerken, die hier vertegenwoordigd waren. Dat de drievoudige macht, zoowel ten opzichte van de leer als van de orde en de tucht eveneens aan de meerdere vergaderingen toekomt, zegt de Schotsche Kerkenorde voorts uitdrukkelijk. Ook de provinciale Synode heeft volgens haar het recht om ambtsdragers af te zetten, wanneer zij om wettige oorzaken dit verdienen.

Intusschen werd daarmede niet aan de plaatselijke Kerk of wil men liever aan het presbyterie haar macht en taak ontnomen, om deze aan de meerdere vergaderingen over te dragen. Ook de Schotsche Kerkorde handhaaft wel degelijk dat deze drievoudige taak aan het presbyterie is opgedragen.

Wat de meerdere vergaderingen, provinciale en nationale in de eerste plaats te doen hebben is de zaken, die gemeenschappelijk zijn, te behandelen, wat ook onze Kerkenorde in Art. 30 zegt. In de tweede plaats om de algemeene regelen voor de orde der kerken vast te stellen, wat evenzeer onze Kerkenorde in Art. 31 en Art. 87 als het recht der Synodes vindiceert. En eindelijk, wat met nadruk wordt gezegd, zoowel ten opzichte van de provinciale als van de generale Synodes, om die dingen te herstellen, die door de mindere vergaderingen verzuimd of verkeerd zijn gedaan. In den grond is dit hetzelfde als wat in onze Kerkenorde in Art. 31 wordt gezegd, nl. dat wanneer iemand zich verongelijkt acht door de uitspraak eener mindere vergadering, hij zich beroepen mag op een meerdere vergadering, die dan over deze klacht beslissen zal. Het geldt hier, zooals Voetius het uitdrukt, een geval van mala administratio d.w.z. van een slechte regeering of wanbestuur der gemeente, wat natuurlijk evengoed geschieden kan doordat de kerkeraad nalaat te doen, wat hij doen moet, als doordat hij een misbruik maakt van zijn macht. In dien zin is het dan ook blijkbaar bedoeld, wanneer er op volgt in de Schotsche Kerkenorde, dat de provinciale Synode macht heeft om ambtsdragers af te zetten. De primaire taak om dit te doen was in de Kerkenorde aan het presbyterie opgedragen. Maar verzuimde deze zijn plicht, dan moest de provinciale Synode het doen. Van een praeformatief vonnis, een soort advies, dat aan het presbyterie kon worden gegeven, maar waarvan de uitvoering toch aan den kerkeraad moest worden overgelaten, was dus geen sprake. De bepaling in de Schotsche Kerkorde luidt zoo stringent en pertinent mogelijk: De provinciale Synode heeft macht de ambtsdragers in de provincie af te zetten om rechtvaardige oorzaken.

H.H.K.