nr. 3204
18-06-1939

De drieërlei macht (XXI)

De Kerkenorde van Andrew Melville, welke de Generale Synode der Schotsche kerk aannam en die daarna de kerkenorde dezer kerk gebleven is, heeft – wat in de eerste kerkenorde van John Knox ontbrak, - een afzonderlijk hoofdstuk over de kerkelijke vergaderingen, nl. het VIIe Hoofdstuk. Het sluit zich nauw aan bij het voorafgaande hoofdstuk, dat over de ouderlingen en hun ambt handelt en draagt dan ook tot titel: van de ouderlingschappen en vergaderingen en van de discipline, terwijl daarna over de diakenen wordt gehandeld. Reeds daaruit blijkt het eigenaardige standpunt, dat deze kerkenorde inneemt. Ze gaat uit van de gedachte, dat Christus de ouderlingen (waaronder begrepen zijn de predikanten op grond van 1 Tim. 5:17) heeft gesteld om Zijne kerk te regeeren en dat deze dit te doen hebben in onderling verband. Vandaar, dat de Kerkenorde eerst over het ambt der ouderlingen handelt en daarna over de vergaderingen dezer ambtsdragers. Nu gewaagt de Schrift nergens van “Kerkeraden”, maar wel spreekt de Apostel in 1 Tim. 4:14 van “ouderlingschap” (presbyterion), waarmede waarschijnlijk bedoeld is het college van ouderlingen en dat is wel de reden, dat de Kerkenorde, om zich nauw aan de Schrift te houden niet van kerkeraden, maar van Elderships and Assemblees, d.w.z. van ouderlingschappen en vergaderingen spreekt. Na vooropgesteld te hebben, dat deze presbyteries zijn saamgesteld uit predikanten, doctoren en degenen, die men gewoonlijk ouderlingen noemt, wordt dan gezegd, dat er vier van zulke vergaderingen zijn: òf van particuliere kerken en congregaties één of meer, òf van eene Provincie òf van een geheele natie, of van alle naties, die één Jezus Christus belijden. De Schotsche Kerkenorde is, zooals men ziet, vollediger dan onze Kerkenorde, die van een vergadering, welke de heele kerk van Christus representeert, niet gewaagt.

Eerst wordt nu gezegd, waarin al deze vergaderingen gelijk zijn. Ze hebben alle de macht om wettig saam te komen ter behandeling van zaken, die de kerk aangaan en tot hun taak behooren. Het voornaamste doel van al deze vergaderingen is in de eerste plaats om de religie en leer in zuiverheid te houden. In de tweede plaats om de goede orde te bewaren en daartoe zekere regelen te stellen. En in de derde plaats hebben zij macht om kerkelijke tucht te oefenen over alle overtreders der kerkelijke orde (art. 3-9).

Aan al deze kerkelijke vergaderingen komt dus de drievoudige kerkelijke macht toe om te zorgen voor de leer, voor de orde en om de tucht te oefenen.

De volgende artikelen handelen dan over elk dezer vergaderingen in het bijzonder.

Wat de eerste soort vergadering betreft, zegt de Kerkorde, dat ofschoon ze plaats vindt in particuliere kerken, ze toch de macht, autoriteit en jurisdictie van de kerk oefent, waarom zij somtijds den naam draagt van kerk, wat blijkbaar ziet op ’t gebruik van ’t woord kerk in Matth. 18. Intusschen, zoo volgt er op, meenen wij niet dat iedere particuliere parochie-kerk haar eigen presbyterie kan hebben, vooral niet ten plattelande, maar we meenen, dat drie of vier, meer of minder particuliere kerken één gemeenschappelijke presbyterie hebben om over alle kerkelijke zaken te oordeelen. Dit ontleenen we aan de practijk van de primitieve kerk, waar ouderlingen of colleges van ouderlingen gesteld werden in steden en plaatsen van naam.

Niet iedere plaatselijke kerk, vooral niet in de dorpen, had dus in Schotland een eigen presbyterie of kerkeraad, maar drie of vier werden gecombineerd. Alleen de steden of plaatsen van beteekenis (famous places) hadden een eigen kerkeraad. Aan deze vergadering der ouderlingen of presbyterie nu werd in den volsten zin de kerkelijke macht toegekend. Zij hadden toe te zien, dat het Woord en de Sacramenten zuiver bediend werden; dat de verordeningen der provinciale en synodale vergaderingen werden onderhouden en ze hadden zelf ook verordeningen te maken voor de particuliere kerken, die ze regeerden. Ze hadden macht om hardnekkigen te excommuniceeren; macht om degenen, die kerkelijke ambten vervulden (dus predikanten, ouderlingen en diakenen) te kiezen en macht om dezen in geval van kettersche leer en schandelijk leven af te zetten. De regeering der particuliere kerk berustte dus feitelijk in haar geheelen omvang bij deze vergadering.

Nu heeft men juist daarin een zeer bedenkelijke afwijking gezien van het Geformeerde kerkrecht, dat uitgaat van de volkomen zelfstandigheid van iedere plaatselijke kerk, het zij dan groot of klein, die door haar eigen kerkeraad geregeerd wordt. Van een kerkeraad in onzen zin, zou de Schotsche Kerkenorde zelfs niet weten; de regeering der kerken zou feitelijk geschieden door wat wij noemen de Classis.

Toch berust dit op een misverstand, zooals reeds blijken kan uit de verwijzing naar de primitieve kerk. Uit de handelingen en brieven der Apostelen blijkt genoegzaam, dat hun missie-arbeid zich beperkt heeft tot de steden. Paulus stelt in de steden ouderlingen aan en gelast Titus om ditzelfde te doen in de steden op Creta. Het Christendom heeft wel in de steden vasten voet gekregen, maar de plattelandsbevolking bleef heidensch. De naam voor heidenen pagani, nog in ’t Fransch bewaard in paien, beteekent dan ook dorpsbewoner. Eerst later, toen het Christendom aan invloed won, kreeg men ook dorpskerken en daar werd dan wat men noemde een chorepiscopus een landouderling of opziener gevestigd, die met den kerkeraad in de steden in nauw verband stond. Calvijn in zijn Institutie had daarop reeds gewezen als voorbeeld en te Genève was dit voorbeeld gevolgd. In Genève zelf als stadskerk was een kerkeraad, maar de kleine dorpjes om Genève hadden wel predikanten, maar geen kerkeraden. Ze stonden onder toezicht van Genève’s kerkeraad

In Schotland, waar de reformatie van boven af geschied was, stond men voor dezelfde moeilijkheid. De reformatie was vooral in de steden tot doorwerking gekomen, maar nog niet op het platteland. Daarbij kwam dat Schotland zeer dun bevolkt was en de dorpen maar zeer weinig inwoners telden. Dat het in al deze dorpen onmogelijk was een stel bekwame ouderlingen te vinden spreekt van zelf. In ons land heeft men bij de reformatie dezelfde moeilijkheden gehad. In de meeste dorpen had men zelfs geen ouderlingen. In onze Kerkenorde staat, ook nu nog, dat wanneer ’t aantal ouderlingen zeer klein is, de diakenen als hulpouderlingen moeten dienst doen. De regeermacht, de macht om ambtsdragers te kiezen en tucht te oefenen, aan twee of drie ouderlingen toe te vertrouwen, zou dan ook zeker niet gewenscht zijn. In Friesland, waar de dorpen wel ’t kleinst waren, is men tot een andere maatregel overgegaan, men heeft daar schier overal twee of drie dorpen gecombineerd, zoodat ze saam één kerkeraad vormden.

Houdt men dat nu in het oog, dan zal hetgeen Melville in de Schotsche Kerkenorde voorschreef, beter worden verstaan. Het beginsel dat iedere kerk een kerkeraad moet hebben, dreef hij niet op de spits. Het expediënt, waartoe onze Kerkenorde de toevlucht nam, nl. om aan de diakenen een ambt te verleenen, dat naar Gods Woord hun niet toekomt, wilde hij in Schotland niet toepassen. Christus had de ouderlingen verordend om de kerk te regeeren, niet de diakenen. En wanneer er niet genoeg ouderlingen waren te vinden, om deze taak waar te nemen, dan moesten de ouderlingen van drie of vier kerken, meer of minder naar het geval, één kerkeraad vormen. In de steden en plaatsen met meer bevolking daarentegen moest men een zelfstandigen kerkeraad hebben. Een hierarchisch beginsel schuilt hierin dus zeker niet. Eer het tegendeel. De hierarchie bestaat, zooals Calvijn zegt, daarin dat bij een of bij zeer weinigen de regeermacht schuilt. Dit gevaar te keeren door aan diakenen mede de beslissing te geven in zaken van de regeering en tuchtoefening vindt in de Schrift geen den minsten grond, is in strijd met wat ons Bevestigingsformulier zegt, dat de ambten altijd onderscheiden moeten blijven, en leidt maar al te vaak er toe, dat de diakenen in den Kerkeraad de leiding in handen nemen. De weg, dien Melville en de Schotsche kerk insloeg, door zulke kleine dorpskerken te combineeren, is daarom zeker niet af te keuren. Het stelsel van de volkomen zelfstandigheid van iedere plaatselijke kerk te handhaven, zooals onze Kerkenorde doet, door de diakenen tot hulpouderlingen te maken en hun mede de regeermacht toe te vertrouwen, wordt door niet minder ernstige bezwaren gedrukt.

Hierbij komt, dat het bezwaar door de Independenten tegen onze Kerkenorde ingebracht en waar ook Voetius moeite mee had, dat de Classis feitelijk in zake de examinatie en beroeping der predikanten, in zake de excommunicatie en vooral in zake de afzetting der predikanten een macht uitoefende, die alleen aan de plaatselijke kerk toekwam, zeker niet in dezelfde mate ten opzichte van de Schotsche Kerkenorde geldt. In de steden en meer belangrijke plaatsen, waar, zooals de Kerkenorde het zegt, genoeg predikanten en ouderlingen waren van voldoende bekwaamheid, konden al deze handelingen door de Kerkeraden zelf geschieden. Een Classis kent de Schotsche Kerkenorde niet. En wat de kleine dorpskerken aangaat, zoo hadden deze door combinatie een eigen kerkeraad, evenals dat in Friesland het geval is. En dat in Friesland, waar feitelijk dezelfde regeling bestond als in Schotland, onze kerken hierarchisch geregeerd werden, zal zeker niemand, die den vrijheidszin onzer fiere Friezen kent, hun ten laste leggen.

H.H.K.