nr. 3203
11-06-1939

De drieërlei macht (XX)

Kan ten opzichte van de Gereformeerde Kerk in Frankrijk dus geen de minste twijfel bestaan, dat zij deze drievoudige macht aan de Synodes heeft toegekend en heeft de Synode van Charenton zelfs een zeer scherpe veroordeeling uitgesproken over de Independenten, die deze autoriteit van Classis en Synode in zake discipline en orde ontkenden, evenmin zal betwist worden, dat de Gereformeerde Kerk van Schotland, die onder John Knox’ leiding tot reformatie is gekomen, deze drievoudige macht der Synodes, inzonderheid de macht om tucht te oefenen, heeft erkend en zelfs in haar Kerkenorde uitdrukkelijk heeft vastgesteld.

Het feit zelf is dan ook niet weersproken; alleen heeft men het beroep op dit Schotsche kerkrecht afgewezen, omdat de Schotsche Kerk evenals later de Presbyteriaansche kerk in Engeland een stelsel van Kerkrecht zouden hebben ingevoerd, dat men het Presbyteriaansche kerkrecht noemt en dat, naar men beweert, juist ten opzichte van de bevoegdheid der meerdere vergaderingen belangrijk zou afwijken van het Gereformeerde Kerkrecht, doordat de zelfstandigheid der plaatselijke kerken niet genoegzaam tot haar recht zou zijn gekomen. Hoewel de naam „Presbyteriaansch” het eigenaardige karakter uitdrukt van het Gereformeerde Kerkrecht, in zooverre de regeermacht daarin niet wordt toegekend aan bisschoppen, zooals de Roomsche en Anglicaansche Kerk leeren, maar aan de presbyters of ouderlingen en dit het fundamenteele verschil raakt, zouden de zoogenaamd Presbyteriaansche Kerken in Schotland en Engeland onder presbyteries of Eldership d.w.z. de vergadering der ouderlingen, die de regeermacht uitoefenden, niet verstaan hebben den kerkeraad der plaatselijke kerk, maar wat wij noemen de classis, waarin de ouderlingen van meer gemeenten saamkomen. En hierin zou dan het hierarchisch element schuilen; de zelfstandigheid en het recht der plaatselijke kerk zou daardoor niet genoegzaam gehandhaafd zijn. Een beroep op dit Schotsche en Presbyteriaansche kerkrecht zou daarom ongeoorloofd zijn.

Wat nu de Schotsche Kerk betreft, dient men wel in het oog te houden, dat de reformatie hier op een andere wijze heeft plaats gevonden dan in Frankrijk. In Frankrijk evenals oorspronkelijk in Nederland is de reformatie, indien ik mij zoo mag uitdrukken, van onder af geschied, doordat de geloovigen op elke plaats, waar het Evangelie doordrong, zich zelfstandig afscheidden van de Roomsche kerk en door ambtsdragers te kiezen een eigen kerkelijk instituut in het leven riepen, de plaatselijke kerk. Het Kerkverband werd later tusschen deze kerken zelf tot stand gebracht op haar Synode te Parijs, die tegelijk haar Confessie en haar Kerkenorde vaststelde.

In Schotland daarentegen is de Reformatie veel meer van boven af doorgevoerd. Een jaar nadat John Knox op verzoek der Edelen was teruggekeerd en de leiding in handen had genomen, werd in 1560 door het parlement de reformatie voor heel de Schotsche kerk afgekondigd, de mis en de pauselijke jurisdictie werden afgeschaft, en een confessie, op verzoek van het parlement door John Knox opgesteld, aangenomen. Schotland was daarmede als geheel een protestantsch, een gereformeerd rijk geworden. Intusschen was het niet voldoende, dat men nu een Gereformeerde geloofsbelijdenis had, er moest ook een nieuwe kerkorganisatie worden ingevoerd. John Knox had wel, toen hij predikant was bij de Engelsche vluchtingen-kerk te Genève, daarvoor een liturgie en Kerkenorde opgesteld The Book of Common Order, dat schier geheel aan Calvijns liturgie en kerkenorde was ontleend, en dit Boek of Common Order was aanvankelijk wel door de kerken in Schotland, die tot reformatie gekomen waren, ingevoerd, maar dit droeg een plaatselijk karakter en wat noodig was, was een generale regeling, die door het parlement bekrachtigd werd. Op verzoek van den Raad van State is daarom door John Knox met vijf andere predikanten zulk een Kerkenordening ontworpen: The First Book of Discipline genoemd, hetwelk door een generale synode werd goedgekeurd en daarna door een acte van den Geheimen Raad is gesanctioneerd. Wel bleven de bisschoppen, abten enz. nog wat hun titels, prebenden en politieke voorrechten betreft, gehandhaafd door het parlement, maar in de kerkelijke organisatie als zoodanig hadden ze geen plaats. De Kerkenorde van John Knox is zuiver presbyteriaansch, d.w.z. ze kent, evenals de Kerkenorde van Genève en de Nederlandsche, als ambtsdragers alleen predikanten, doctoren, ouderlingen en diakenen. Maar hoe uitvoerig deze eerste Kerkenorde over deze ambten handelt, over kerkelijke vergaderingen, kerkeraden, classen en synoden spreekt ze met geen enkel woord. De moeilijkheid school daarin, dat waar de reformatie over heel Schotland door het parlement tot stand was gebracht men nauwelijks predikanten genoeg had voor de steden, en in de dorpen het zelfs moeilijk was om geschikte ambtsdragers te vinden. Al werden er Generale Synodes gehouden, deze kwamen te weinig bijeen – in de Kerkenorde worden ze niet eens vermeld, — en de zorg voor de Kerken kon door haar niet worden uitgeoefend. Dat was wel de reden, dat John Knox voor de Schotsche Kerk overnam het instituut van superintendenten. à Lasco had te Londen voor de vluchtelingenkerken dit ambt bekleed – hij beschouwde dit zelfs als een Goddelijk ambt, door de Schrift voorgeschreven – en John Knox, al deelde hij dit standpunt niet, heeft toch als tijdelijk hulpmiddel een 12 tal superintendenten laten aanstellen met last om kerken te planten, predikanten daarvoor aan te stellen en overal te preeken, acht geven op leer en leven der predikanten, op de orde in de kerk en ’t leven van het volk, op de zorg voor de armen en scholen en als iets ergs gebeurde er nota van nemen voor de censuur.

Bleef deze regeling tijdens John Knox’ leven gehandhaafd, na zijn dood in 1572 treedt als nieuwe leider in de Schotsche Kerk op Andrew Melville. Hij is het vooral geweest, die den strijd heeft gevoerd tegen Koning Jacobus, die het staatsabsolutisme en de episcopale kerkinrichting der Engelsche kerk in Schotland wilde invoeren. Op den bitteren strijd, waartoe dit in de Schotsche Kerk aanleiding heeft gegeven, heb ik hier niet in te gaan. Ik wijs er alleen op om te laten zien, hoe beslist Melville is opgekomen voor het Koningschap van Christus over Zijn Kerk en tegen alle hierarchie. Hij heeft er zelfs jarenlange gevangenschap, ontzetting uit zijn ambt en verbanning voor over gehad. Aan Andrew Melville nu is de tweede Kerkenorde van Schotland, The second book of discipline, te danken, welke op zijn voorstel door de Synode der Schotsche Kerk in 1578 is aangenomen. Deze Kerkenorde is terecht de Magna Charta van het Presbyterianisme genoemd, want niet alleen is de kerkorganisatie hier veel beter en volledig geregeld dan in the First Book of Discipline, maar ze handhaaft ook veel beslister dan Knox dit had gedaan de zelfstandigheid der Kerk tegenover den Staat en ze verwerpt alles wat naar Episcopalisme of hierarchie in de Kerk zweemen kon. Van Superintendenten is in deze Kerkenorde dan ook geen sprake meer.

Reeds in het eerste hoofdstuk, dat handelt over de kerkelijke macht en waar wordt aangetoond, waarin deze van de civiele macht onderscheiden is, wordt gezegd, dat deze kerkelijke macht onmiddellijk van God en van den Middelaar Jezus Christus afdaalt en geestelijk is. De Kerk heeft geen temporeel hoofd op aarde, maar alleen Christus, den eenigen geestelijken Koning en Regeerder van Zijne Kerk. Daarom moet deze macht en regeering der Kerk onmiddellijk leunen op Gods Woord als op den eenigen grond daarvan en geput worden uit de zuivere fonteinen van de Schrift, waar de Kerk de stem van Christus beluistert, den eenigen geestelijken Koning, en geregeerd wordt door zijne wetten.

De regeering der kerk, zoo wordt daarna in Cap. II gezegd, bestaat in drie dingen, de leer, de discipline en de uitdeeling der gaven aan de armen en daartoe zijn er drie soorten van ambtsdragers in de kerk: predikanten, ouderlingen en diakenen. Al wordt de Kerk geregeerd door Christus, het eenige Hoofd der Kerk, Hij gebruikt toch den dienst van menschen. En om alle gelegenheid tot tyrannie weg te nemen, wil Hij dat zij zullen regeeren met onderlinge toestemming der broederen en gelijkheid van macht, een ieder in overeenstemming met zijn ambt. Alle andere ambten behalve de genoemde, die uitgevonden zijn in het rijk van den Antichrist en in zijn geusurpeerde hierarchie, moeten geheel en al worden verworpen. Ook voor de rechten der gemeente wordt evenzoo gewaakt, want in het volgende hoofdstuk, dat over de verkiezing der ambtsdragers handelt, wordt gezegd, dat niemand in eenig ambt mag ingedrongen tegen den wil der gemeente, waarvoor zij worden aangesteld, en zonder de stemming voor het ouderlingschap.

Wanneer men deze bepalingen, die ik uit Melville’s Kerkenorde aanhaalde, leest, dan zal ieder, die onbevooroordeeld is, toestemmen, dat dit zoogenaamde Presbyteriaansche kerkrecht in niets verschilt van het kerkrecht, zooals dit in de andere Gereformeerde Kerken is vastgesteld. Veel scherper en beslister zelfs nog dan in onze eigen Kerkenorde worden de grondbeginselen van het Gereformeerde Kerkrecht hier tot uitdrukking gebracht, zooals dat Christus de eenige Koning Zijner Kerk is; dat de kerkelijke macht en regeering uitsluitend op Gods Woord moeten gegrond zijn; dat er geen andere ambten in de kerk mogen zijn dan die van dienaren des Woords, ouderlingen en diakenen en dat alle hierarchische ambten uit de kerk moeten worden geweerd; dat voorts om alle tyrannie te weren, niets mag besloten dan met gemeene toestemming der broeders en dat er volkomen gelijkheid moet bestaan tusschen al de ambtsdragers. Ook de rechten der gemeenteleden worden, beter nog dan in onze kerkenorde, gehandhaafd door de bepaling, dat geen ambtsdrager aan de gemeente mag worden opgedrongen tegen haar wil. De superintendenten, die Knox nog als tijdelijk hulpmiddel had toegelaten, komen in deze kerkenorde niet meer voor. En toch zou deze Presbyteriaansche Kerkenorde, naar men thans beweert, hierarchisch zijn en daarom niet als „Gereformeerd Kerkrecht” mogen worden beschouwd! Waarop deze beschuldiging rust, zal ik een volgend artikel meedeelen om dan te onderzoeken in hoeverre die aanklacht waar is. Ze raakt juist de bevoegdheid der meerdere vergaderingen, waarover het geding gaat.

H.H.K.