nr. 3194
09-04-1939

De drieërlei macht (XII)

Al is het volkomen juist, dat door den nauwen band tussen Staat en Kerk tijdens de Republiek, toen de Overheid professie deed van de Gereformeerde religie, de Gereformeerde Kerk als de eenige ware kerk erkende en deze met haar macht steunde, de positie der Synode van Dordt, die door de Generale Staten was saamgeroepen om over de leergeschillen, die de kerk verontrustten, uitspraak te doen, een andere was dan van onze Synodes, die deze staatsautoriteit missen, toch volgt daaruit niet, dat een beroep op de uitspraken en rechtshandelingen dezer Synode daarom ongeoorloofd zou zijn en zelfs, zooals men beweerd heeft, in strijd zou wezen met de principieele beslissing door onze Kerken genomen, toen zij de bekende zinsnede uit Artikel 36 onzer Confessie hebben geschrapt. Hoe ingewikkeld destijds de verhoudingen waren, toen het huwelijk tusschen Staat en Kerk bestond, toch zou men een geheel valsche voorstelling geven, wanneer men meende dat de Kerk toen een Staatskerk was geworden zooals dit in Duitschland en Engeland het geval was. De libertijnsche regenten hebben wel getracht om dit landsheerlijke regiment over de kerk te verkrijgen, maar onze Gereformeerde vaderen hebben zich daaraan nooit willen onderwerpen en zijn voor de vrijheid en zelfstandigheid der kerk opgekomen. Hun Synodes hebben haar eigen kerkenordeningen opgesteld, haar eigen tuchtrecht geoefend en haar eigen dogmatische beslissingen genomen, niet krachtens de machtiging door de Overheid haar verleend, maar krachtens de autoriteit door Christus haar geschonken. Dat onze Kerken wenschten, dat de Generale Staten deze Kerkenordening door haar te approbeeren tot Staatswet zouden maken, aan haar tuchtmaatregelen effect zouden verleenen, en haar dogmatische beslissingen zouden sanctioneeren als zijnde in overeenstemming met Gods Woord, bracht de toenmalige verhouding tot de Overheid mede. Maar daaruit volgt niet, dat de drievoudige macht, die de Synode van Dordt heeft uitgeoefend, en zij niet alleen, ― want ook de voorgaande Synodes van Emden af hebben dit evenzoo gedaan, ― ontleend was aan de Overheid, alsof deze over de Kerk het zeggenschap had en van haar alle kerkelijke macht afkomstig was. De Synode van Dordt heeft zelf deze voorstelling zoo beslist mogelijk weersproken. Als zij haar Canones heeft vastgesteld, waarin de waarheid bevestigd en de doling verworpen wordt en aan alle leeraren gelast zich daaraan te houden, beroept zij zich niet op de autoriteit der Overheid maar verklaart zij dit te doen krachtens de autoriteit, die zij met Gods Woord heeft over al de leden van hare kerken en oefent zij die macht uit in den naam van Christus. En evenzoo, wanneer zij de Remonstrantsche predikanten, die door haar geciteerd waren, afzet en last geeft aan de Provinciale Synoden en Classes om dit met alle Remonstrantsche ambtsdragers te doen, die hardnekkig bleven, dan doet zij dit, zooals ze zelf zegt, na Gods heiligen naam te hebben aangeroepen, omdat zij zich uit Gods Woord bewust was van de macht die haar toekomt. Klaarder en duidelijker kon de Synode zich wel niet uitspreken, dat deze dogmatische en juridische macht haar toekwam, niet omdat de Overheid haar die verleend had of de kerken haar daartoe de volmacht hadden geschonken, omdat God in Zijn Woord haar die autoriteit had gegeven. Dat de Synode van Dordt deze macht als een Goddelijk recht beschouwt, dat ze daarom in den naam van Christus, den Koning der Kerk uitoefende, kan dus niet betwijfeld worden. Houdt men daarbij voorts in het oog, dat deze uitspraken gedaan zijn door de Synode in tegenwoordigheid en met goedkeuring van de buitenlandsche theologen, dan hebben ze nog te meer waarde, want dit toont, dat heel de Gereformeerde Kerk er destijds evenzoo over dacht. Al hebben enkele buitenlandsche theologen zich van medewerking aan deze sententie onthouden, omdat zij zich niet geroepen achtten over Nederlandsche predikanten een strafvonnis uit te spreken, de macht zelf van de Synode om dit te doen is door hen allerminst ontkend.

Dat de Synode, na het beroep dat zij deed op de autoriteit, die zij zich bewust was uit Gods Woord te hebben, er daarna ook nog op wees, dat zij daarbij navolgde de voetstappen van alle wettige zoo oude als nieuwe Synodes en verklaarde daarbij gesterkt te zijn met de autoriteit der Hoogmogende Heeren Staten Generaal, geschiedde alleen, omdat de Remonstranten deze rechterlijke macht der Synode betwist hadden, vooral op grond dat vele inlandsche leden hun tegenpartij waren en daarom niet als rechter in dit geschil konden optreden. Deze exceptie, zooals men het noemde, had in de Synode tot hevige disputen aanleiding gegeven en de Synode had toen reeds zich beroepen op wat in alle wettige Synodes, oude en nieuwe, was gedaan. En waar geen argument baatte, waren toen de Staten Generaal tusschenbeide gekomen en zij hadden deze exceptie ongegrond verklaard en de rechterlijke bevoegdheid der Synode gehandhaafd. Daarop slaat de uitdrukking in de sententie der Synode, dat zij gesterkt was door de autoriteit der Staten Generaal, die over deze hare bevoegdheid uitspraak had gedaan. Met de geïncrimineerde zinsnede uit Artikel 36, die door onze Kerken geschrapt is, heeft dit dus niets te maken, want uit deze zinsnede kan, zoo men wil, wel worden afgeleid, dat de Overheid met geweldmaatregelen de Remonstrantsche dwaling hadden te bestrijden, zooals zij dan ook gedaan heeft door de Remonstrantsche predikanten te verbannen, maar niet, dat de Overheid de rechtsbevoegdheid der Synode om een kerkelijk vonnis uit te spreken, haar te verleenen of die te handhaven had. Hoogstens zou men kunnen zeggen, dat dit voortvloeide uit wat in Artikel 36 voorafgaat, n.l. dat het ’t ambt der Overheid is om aan den heiligen Kerkedienst, waaronder ook de regeering der kerk behoort, de hand te houden. Maar deze zinsnede is door ons niet geschrapt en geldt dus altoos nog als een deel onzer geloofsbelijdenis.

Maar hoe men hierover ook denken moge, uit de verklaring, dat de Synode zich gesterkt voelde door de autoriteit der Overheid bij het uitspreken van haar conclusie, af te willen leiden, dat ze deze macht om te straffen aan de Overheid ontleende, is niet alleen, zooals ik reeds opmerkte, met alle logica in strijd, maar wordt door de Synode zelf uitdrukkelijk weersproken, waar zij juist verklaarde deze autoriteit aan Gods Woord te ontleenen en daarop te gronden. Niet in naam van de Overheid, maar in den naam van Christus sprak de Synode haar vonnis uit.

Ik meen hiermede het bezwaar, dat men heeft ingebracht tegen het beroep, dat ik deed op de Synode van Dordt, afdoende te hebben weerlegd. Waar het pleit ging om de vraag, of deze drievoudige macht naar Goddelijk recht aan de Synodes toekomt, verwees ik naar de Synode van Dordt, die in zekeren zin een oecumenische Synode kan heeten, omdat hier alle Gereformeerde Kerken, Frankrijk alleen uitgezonderd, vertegenwoordigd waren en deze Synode daarom als een der meest gezaghebbende Synodes geldt. Deze Synode nu heeft niet alleen deze drievoudige kerkelijke macht, de dogmatische, de ordenende en de strafrechterlijke macht uitgeoefend, maar uitdrukkelijk verklaard, dat zij dit deed in den naam van Christus en krachtens de autoriteit, die zij had uit Gods Woord.

Ze heeft dit verklaard met opzet, juist omdat die macht haar betwist werd door de Remonstranten, die in zekeren zin de voorloopers der Independenten kunnen genoemd worden. Reeds op de praeparatoire vergadering te ’s Gravenhage, waarin over de saamroeping der Synode beraadslaagd werd, hadden hun woordvoerders verklaard, dat de Nationale Synode wel mocht saamkomen, maar geen definitieve macht zou hebben om bindende besluiten te nemen. De afgevaardigden mochten wel voorloopige beslissingen nemen, maar ze moesten daarna reces nemen tot hunnen committenten, de kerken, die hen hadden afgevaardigd, en aan deze kwam alleen de macht toe om te beslissen.

Toen ze door de Synode gedaagd werden om over hun leer te oordeelen, is het een voortdurende worsteling geweest, die over de macht der Synode ging. Zij, de Remonstranten, zouden bepalen, wie hunner op de Synode zou komen, en niet de Synode. Zij zouden in de Synode een eigen corpus vormen, een zelfstandig lichaam, dat gelijke rechten had met een eigen moderamen. De Synode zou niet anders mogen zijn dan een conferentie om de geschillen te bespreken, maar een beslissing nemen mocht ze niet. Haar rechterlijke bevoegdheid zoowel om over de dogmatische geschillen uitspraak te doen als om tucht te oefenen, werd door hen betwist.

In dat licht bezien zal het duidelijk worden, waarom de Synode van Dordt, wat nog geen Synode voor haar had gedaan, in haar sententie tot twee maal toe met zoveel nadruk heeft verklaard, dat ze èn wat haar dogmatische beslissing èn wat haar strafvonnissen aangaat, handelde uit kracht van de autoriteit, haar in Gods Woord verleend en daarom in den naam van Christus Jezus.

H.H.K.