nr. 3193
02-04-1939

De drieërlei macht (XI)

Wanneer ik, na het getuigenis van de beste theologen uit de Gereformeerde Kerk in Duitschland en Zwitserland te hebben aangehaald om te toonen, hoe zij het Goddelijk recht der Synodes handhaven en de drievoudige kerkelijke macht haar toekennen, thans tot de Gereformeerde Kerk in Nederland overga, om ook haar getuigenis te laten hooren in dit geding, dan wil ik me niet bepalen tot het aanhalen van enkele citaten van bekende Nederlandsche theologen, maar in de eerste plaats wijzen op de Dordtsche Synode, omdat de uitspraken van een Synode als te Dordrecht gehouden is en die door de tegenwoordigheid van zooveel buitenlandsche theologen als daar vergaderd waren, van veel meer gezag en beteekenis zijn dan van enkele godgeleerden uit later tijd. Te meer is dit noodig, omdat het beroep, dat ik op de zeer stellige uitspraken en handelingen dezer Synode reeds vroeger deed, gewraakt is geworden, vooreerst door de verklaring, dat deze Synode hierarchisch was, en in de tweede plaats door de opmerking, dat de eigenaardige verhouding, waarin destijds de Gereformeerde Kerk als publieke kerk tot de Overheid stond en die in nauw verband staat met wat in onze Belijdenis in Artikel 36 over de roeping der Overheid gezegd wordt, hare handelingen verklaart, maar dan ook tevens toont, waarom we op haar ons niet beroepen mogen. Niet alleen omdat die band thans verbroken is, maar ook en vooral, omdat we het beginsel, dat aan dien band ten grondslag lag, verworpen hebben door de wijziging die onze Kerken in Artikel 36 hebben aangebracht.

Op het eerste argument behoef ik natuurlijk niet in te gaan. Wanneer men alle Synodes der Fransche kerk, de Westminstersche Synode, de beroemdste in Engeland gehouden, en ook onze Dordtsche Synode voor hierarchisch wil verklaren, omdat ze deze kerkelijke macht hebben uitgeoefend of zelfs in haar Belijdenis hebben beleden, dan heeft alle verdere discussie geen nut. Zulk een beschuldiging toont alleen, hoe zwak men staat met zijn eigen ideologische nieuwe constructie van wat men voor Gereformeerd kerkrecht wil uitgeven, en daarom zijn kracht zoekt in „benamingen” en „qualificaties”, die een treffende gelijkenis toonen met wat men onder jongens wel eens ziet, dat wanneer ze geen argumenten of feiten meer kunnen aanvoeren, ze hun toevlucht tot „scheldwoorden” nemen.

Van meer belang is zeker het tweede argument, dat verwijst naar de toenmalige verhouding tusschen Overheid en Kerk, omdat het volkomen juist is, dat die verhouding thans niet meer bestaat; onze Synodes daarom een ander karakter dragen en men dus niet zonder meer zich op de Synode van Dordt beroepen kan. De twistgeschillen over de leer droegen destijds niet alleen een kerkelijk, maar een Staatsrechtelijk karakter, omdat de Overheid professie deed van de Gereformeerde religie en de vraag, wat de belijdenis was, dus evenzeer voor de Overheid belang had. Ze had eerst zelf getracht door hare plakkaten tot rust en vrede der kerken, over deze dogmatische geschillen uitspraak te doen, door te bepalen wat wel en wat niet geleerd mocht worden en waarin men elkaar vrij moest laten. Van een Nationale Synode, die de beslissing zou geven, wilde ze niets weten en het saamkomen der Synode belette ze. Toen dit tot een burgeroorlog dreigde te leiden en Prins Maurits gedachtig aan den eed door hem afgelegd om de Gereformeerde religie te handhaven en de Kerk te beschermen, zijn gezag in de weegschaal wierp, zwichtten de weerspannige Staten van Holland en Utrecht en riepen nu de Generale Staten met Prins Maurits de Nationale Synode bijeen, noodigden ze zelf de buitenlandsche theologen uit, stelden zij de regelen voor de Synode saam en gaven zij haar volmacht om te handelen en te oordeelen, al zonden ze tegelijk politieke commissarissen naar de Synode om toezicht op haar te houden. In zekeren zin kan men dus zeggen, dat de Synode optrad als en publiek gerechtshof, zooals de Synode zelf dan ook, toen haar bevoegdheid om als rechter in dit geschil op te treden door de Remonstranten betwist werd, er zich op beriep dat zij optrad als rechter gedelegeerd door de overheid, terwijl de politieke commissarissen of ook de Staten zelf meermalen tijdens de debatten zijn opgetreden om de Remonstranten te dwingen zich aan de besluiten der Synode te onderwerpen. En toen de Synode haar Canones in zake de leer had vastgesteld, hebben de Generale Staten deze goedgekeurd en de predikanten, die waren afgezet door de Synode, wanneer ze de acte van stilstand niet wilden teekenen, uit het land verbannen. Dit alles nu was niet een juk door de Overheid aan de Kerken opgelegd, maar beantwoordde volkomen aan hetgeen de Gereformeerde Kerken zelf wilden en in haar Belijdenis als taak aan de Overheid hadden voorgeschreven, n.l. dat „haar ambt of taak was niet alleen in acht te nemen en te waken over de Politie (d.w.z. de burgerlijke regeering), maar ook de hand te houden aan den Heilige Kerkedienst; om te weren en uit te roeien alle afgoderij en valschen godsdienst, om het rijk des antichrists te gronde te werpen en het Koninkrijk van Jezus Christus te doen vorderen en het woord des Evangelies overal te doen prediken”. Bij alle dogmatische schrijvers en evenzoo bij alle canonici vindt men dan ook het betoog, dat het saamroepen van Synodes om te beslissen over leergeschillen de taak en roeping der Christelijke Overheid was; zelfs spreekt de Westminstersche Confessie dit uitdrukkelijk uit. Het voorbeeld van Constantijn en de andere keizers, die dit gedaan hadden, werd geprezen, evenzeer als dat Constantijn zelf het concilie van Nicea gepresideerd had. Stelde men zich in ons land aanvankelijk er mee tevreden, dat de Overheid het houden van een Synode alleen approbeerde, maar ging de oproeping uit van een daartoe aangewezen Kerk, reeds de Synode van ’s Gravenhage in 1586 gehouden werd saamgeroepen door graaf Leycester en de Staten Generaal, en door politieke commissarissen bijgewoond. Iets nieuws of ongewoons was het dus niet dat ook de Synode van Dordt in 1618 werd saamgeroepen door Prins Maurits en de Generale Staten en door politieke commissarissen bijgewoond werd.

Van dit alles nu is bij onze Synodes geen sprake meer. Een band met de Overheid als publieke kerk bestaat niet meer. De Koningin roept onze Synodes niet saam en politieke commissarissen worden op onze Synodes gelukkig niet gevonden. De Dogmatische beslissingen onzer Synodes behoeven evenmin als hare kerkrechtelijke bepalingen of besluiten de goedkeuring van de Regeering. En al zou, wanneer door de Synode een predikant afgezet was en deze zijn pastorie wilde blijven bewonen of het kerkgebouw in bezit houden, de hulp van den rechter worden ingeroepen om hem uit het bezit daarvan te verwijderen, de Overheid zou er niet aan denken om hem te dwingen een acte van stilstand te teekenen of anders hem uit het land te verwijderen. Het huwelijk met den Staat is ontbonden, dat maar al te vaak een juk bleek te zijn, en we zijn daarvoor dankbaar. De glorie van het Staatskerkschap hebben we verloren, maar onze vrijheid hebben we herwonnen. En al staat in onze Confessie nog altoos, dat de Overheid aan den heiligen Kerkedienst de hand heeft te houden, we vatten dit toch anders op dan Calvijn en onze Vaderen dit hebben gedaan.

Wanneer men echter op grond van deze totale verandering in het karakter der Synodes meent dat een beroep op de uitspraken en handelingen der Dordtsche Synode niet toelaatbaar is om daaruit het Gereformeerde Kerkrecht af te leiden, dan vergeet men twee dingen. Vooreerst, dat de Synodes in Frankrijk, die niet door de Regeering werden saamgeroepen en zeker geen publieke gerechtshoven waren, aangezien de Overheid professie deed van de Roomsche religie, toch dezelfde uitspraken hebben gedaan en dezelfde rechtshandelingen hebben verricht. Reeds daaruit blijkt, hoe onjuist de bewering is, dat deze rechtshandelingen van de Dordtsche Synode uitsluitend daarop zouden gegrond zijn of daaruit te verklaren, dat deze Synode een publiek staatsrechtelijk karakter droeg d.w.z. een Staatsgerechtshof was. En in de tweede plaats, dat wanneer de Synode van Dordt bij de afzetting der Remonstrantsche predikanten verklaart, dat ze dit doet na aanroeping van Gods heiligen naam, uit Zijn Woord zich genoegzaam bewust zijnde van de macht, die haar toekomt, navolgende ook de voetstappen van alle wettige zoo oude als nieuwe Synode en daaraan ten slotte nog toevoegt: en gesterkt zijnde met de autoriteit van de Hoog Mogende Heeren Staten Generaal, dan daaruit reeds duidelijk genoeg blijkt dat de Synode deze macht dus volstrekt niet grondde op de autoriteit door de Generale Staten haar verleend. Die grond was voor haar eeniglijk en alleen, dat zij uit Gods Woord zich bewust was, die macht te bezitten. Wat alleen voor onze Synodes wegvalt, is de versterking van die macht door de Regeering. Reeds daarmede is heel dit argument, dat tegen ons werd ingebracht op afdoende wijze weerlegd. Want de bewering, dat een Goddelijk recht aan de Synode krachtens Gods Woord verleend, zou ophouden, wanneer de Overheid bij de uitoefening van dit recht haar steun of goedkeuring niet verleende, is in strijd met alle logica.

H.H.K.