nr. 3180
01-01-1939

De drieërlei macht (III)

In de derde plaats bestaat deze kerkelijke macht uit de potestas judicialis of de tuchtmacht, die in zekeren zin een rechterlijke macht kan genoemd worden in zooverre ze niet alleen bestaat in het oefenen van tucht maar ook, wat de roeping van den rechter evenzeer is, om een oordeel uit te spreken of er schuld is en degenen, die ten onrechte zijn aangeklaagd, vrij te spreken. 

Ook te dien opzichte nu behoeft er geen de minste twijfel over te bestaan, dat deze macht door Christus zelf aan de plaatselijke kerk en hare ambtsdragers is geschonken. Dit blijkt niet alleen uit Mattheus 18 en uit de brieven op Christus last aan de zeven gemeenten in Klein Azië gezonden, maar ook uit den brief van den Apostel Paulus aan de gemeente te Corinthe, waarin hij haar bestraft omdat ze den bloedschennigen zondaar niet uit haar midden heeft weggedaan, en haar voorschrijft met Apostolisch gezag om dit alsnog te doen. De hiërarchische opvatting van de Roomsche Kerk, dat de tuchtmacht alleen toekomt aan den bisschop en zijn officiales en in hoogste instantie aan den Paus, wordt door elk Gereformeerde daarom terecht bestreden. Onze Kerkenorde draagt deze tuchtmacht aan den Kerkeraad op en er is wederom niemand onzer, die niet erkent, dat deze oefening der tucht in de eerste plaats de roeping en verplichting van den Kerkeraad is. Maar volgt hier nu uit, zooals de Independenten wilden, dat de meerdere vergaderingen geen deel aan deze tuchtmacht hebben? Een kerk die zooals te Genève geheel op zich zelf stond, buiten alle kerkverband, kon ook geheel zelfstandig haar tuchtrecht regeeren en de tucht oefenen zoowel over de leden als over de ambtsdragers. Maar een kerk, die met andere kerken in verband staat, kan dit niet. Ik laat nog rusten, dat volgens de Dordtsche Kerkenorde op een plaats, waar geen kerkeraad is, de Classis middelertijd zal doen hetgeen anders den Kerkeraad naar uitwijzen der Kerkenordening is opgelegd te doen, (Art. 39) zoodat de classis in dat geval zeker ook de tucht voor de gemeenteleden heeft te oefenen, wanneer zij zich komen te misgaan. Ook dan echter wanneer er een Kerkeraad is, is deze toch niet vrij in de oefening van de tucht, alsof hij daarover alleen te zeggen zou hebben. In de Kerkenorde, die voor elken kerkeraad bindend is, wordt voorgeschreven op wie, wanneer en op welke wijze deze tucht moet worden uitgeoefend en wordt hieraan zelfs een geheel hoofdstuk onzer Kerkorde gewijd. De kerkeraad of plaatselijke kerk zoo men liever wil, is dus niet autonoom, stelt zelf de regels voor deze tuchtoefening niet, maar is gebonden aan de bepalingen, die de Synode in haar kerkenorde daarvoor heeft voorgeschreven. In de tweede plaats, wanneer iemand meent, dat door den kerkeraad hem bij die tuchtoefening onrecht is aangedaan, heeft hij volgens Art. 31 K.O. het recht van appel op een meerdere vergadering, welke dan uitspraak heeft te doen, of het vonnis rechtvaardig was of niet. De censuur kan in dat geval dus òf bekrachtigd worden, zoodat deze censuur dan geschiedt mede op gezag der meerdere vergadering, òf ze kon onwettig worden verklaard en daarmede opgeheven worden. Volgens Art. 31 is zulk een uitspraak der meerdere vergadering bindend en heeft een Kerkeraad behoudens een appel op een nog meerdere vergadering zich aan deze uitspraak te onderwerpen, zelfs als zou hij van oordeel zijn, dat deze uitspraak niet juist was, zooals Prof. Rutgers in zijn Kerkelijke Adviezen (Dl II bl. 303) terecht zegt. Behooren vrijspraak van schuld en opheffing van de censuur tot de rechterlijke macht, dan blijkt ook daar uit , dat deze macht toekomt aan de meerdere vergaderingen volgens onze Kerkenorde. Of men dit nu een recht van cassatie wil noemen, is een bijkomstige zaak. Dr. A. Kuyper in zijn Locus de Ecclesia heeft blijkens het dictaat door studenten opgeschreven geen bezwaar om te spreken van een proces, dat gecasseerd moet worden, wanneer er appel is (blz. 256). Maar over dit woord twisten willen we niet. Het is ons om de zaak te doen. En dan staat het vast, dat de bewering: een Kerkeraad heeft geen andere macht boven zich dan Christus en is ook bij zijn tuchtoefening alleen aan Christus verantwoording schuldig, niet juist is. Zulk een autonomie der plaatselijke (kerk) leert de Schrift ons niet. Als de gemeente te Corinthe geen tucht oefent, waar ze dit moest doen, komt Paulus en spreekt het vonnis over den zondaar uit. En dat bij appel een Kerkeraad verantwoording schuldig is aan de meerdere vergadering en deze dan zelfs besluiten kan, dat de censuur opgeheven moet worden, wanneer zij onwettig was, staat volgens onze Kerkenorde vast. Nog veel sterker komt deze bevoegdheid der meerdere vergaderingen uit bij de excommunicatie der gemeenteleden en bij de tuchtoefening over de ambtsdragers. De Kerkenorde bepaalt toch, zelfs tot twee malen toe, dat niemand van de gemeente zal afgesneden worden dan met voorgaand advies der Classis (Art. 76 en 77). Een advies, dat bindend is, zoodat de excommunicatie niet zou kunnen doorgaan, indien de Classis haar goedkeuring weigerde. En wat de ambtsdragers, inzonderheid de predikanten betreft, bepaalt de Kerkenorde zelfs, dat de afzetting van een predikant in het oordeel van de Classis zal staan (Art. 19), zoodat deze de afzetting heeft uit te spreken. De voorstelling, dat deze afzetting alleen dan zou gelden voor andere kerken der Classis, maar niet voor de kerk zelf, waaraan deze predikant verbonden was, behoeft door ons niet weerlegd te worden, omdat ze al te duidelijk met de woorden van de K.O. in strijd is. Een Kerkeraad, die zulk een afzettingsvonnis niet erkennen en den predikant handhaven zou, zou schismatisch worden en verdienen mee afgezet te worden, zooals Prof. Rutgers zegt in zijn dictaat over de Kerkenorde. Zoo toont onze kerkenorde zelf, dat deze potestas judicialis of rechterlijke macht in bepaalde gevallen dus wel degelijk aan de meerder vergaderingen toekomt en niet alleen aan den kerkeraad.

H.H.K.