nr. 3173
13-11-1938

Dr. A. Kuyper en het kerkverband (I)

Bij de vraagstukken die thans aan de orde zijn. heeft men zich vaak op Dr. A. Kuyper beroepen, maar men haalde dan meest citaten aan uit zij journalistieken arbeid, vooral uit zijn polemiek tegenover de hiërarchie in de Hervormde Kerk. Misschien is het daarom niet ondienstig Dr. A. Kuyper ook als dogmaticus te hooren. Onder zijn collegedictaten bevindt zich een Locus de Ecclesia, waarin over de Kerk gehandeld wordt. De doleantie lag achter den rug, want dit dictaat werd gegeven, toen de onderhandelingen met de Christelijke Gereformeerde Kerk aan den gang waren. De polemiek trad dus op den achtergrond; het was thans te doen om een thetische uiteenzetting te geven aan de studenten. waarbij de beginselen moesten uiteengezet worden, die zoowel voor het kerkverband als voor de regering der Kerk naar Gereformeerde opvatting hadden te gelden. 

Dr. A. Kuyper nu waarschuwt in dezen locus zoowel voor de Scylla van de Roomsche en van de collegiale Kerken, die een groot geheel willen zijn, waarvan de plaatselijke Kerken slechts onderafdeelingen zijn, als voor de Charybdis van het Independentisme, dat pelagiaansch elke Kerk zonder verband op zich zelf doet staan.

„Elke plaatselijke Kerk vertoont in zich zelve de forma completa eener Kerk, maar ze hebben geen vrijheid om elk op zich zelve te blijven staan. Als elk op zich zelf en alle saam openbaringen van het ééne zelfde lichaam van Christus, ligt aller wortel uitgeslagen in één denzelfden levensbodem en staat ze alzoo krachtens haar oorsprong in organisch verband en juist dit legt haar van Christus’ wege de verplichting op om ook als ecclesiae formatae uitwendig verband te zoeken. Maar niet eerst door het leggen van dezen band komen ze bijeen te hooren, naar omdat ze bijeen hooren, moet deze band ook uitwendig worden aangelegd. Al kan dan ook formeel en institutair al zulk verband niet anders dan bij wederzijdsche stipulatiën en bij manier van overeenkomst gelegd worden, toch mag ook hier geen pelagiaansche eigendunkelijkheid toegelaten, maar hebben de kerken in gehoorzaamheid aan haar Koning te handelen, zoowel daarin dat ze deze band leggen, waar dit mogelijk is, en ten ande-ren, dat ze hem leggen naar den eisch van Gods Woord. 

De verplichting tot confoederatie van de ecclesiae formatae (d.w.z. de plaatselijke kerken) rust dus niet op de wenschelijkheid om in meerdere vergaderingen een rechtbank van appel of cassatie te scheppen, noch ook op de utiliteit om zekere gemeenschappelijke belangen beter te bezorgen, maar vloeit voort uit den aard zelf van het kerkelijk wezen” (blz. 252). 

In zijn nadere toelichting, die door de studenten is opgeteekend, licht Ds A. Kuyper dat nog nader toe met twee beelden. Het eerste beeld is dit: we kunnen ons van de zaak het best een voorstelling maken, wanneer we ons denken een stoomschip, dat b.v. naar het Nianzameer moet worden getransporteerd. Eerst wordt dat schip in schets gebracht. Naar die schets worden de verschillende deelen en brokken gemaakt. Deze deelen en brokken worden over zee gezonden en aan den oever van het meer in elkaar gezet als één geheel. Zoo is het ook in deze materie. Elke kerk is een stuk op zich zelf en de roeping om al deze stukken in elkaar te zetten, is geen willekeurige, maar hangt af van het oorspronkelijke bestek, evenals het ineenzetten van het stoomschip afhangt van het plan, door den ingenieur gemaakt. De deelen van het schip kunnen geen eenheid in werkelijkheid vormen, voordat al de deelen in elkaar zijn geklonken. Zoo hooren ook alle deelen van het lichaam van Christus bijeen en komen toch eerst bij elkaar door stipulatiën, als door de klinkers, die het schip tot één geheel slaan (blz. 256, 257).

Dat deze plaatselijke kerken, al zijn ze elk op zich zelf compleet, toch naar Christus wil verplicht zijn zich aaneen te sluiten door confoederatie en dan één geheel vormen en zoo het lichaam van Christus vertoonen, leert Dr A. Kuyper dus uitdrukkelijk.

„Het Gereformeerde standpunt, zoo gaat het dictaat voort, ligt ook hier weer in de praedestinatie. Al de openbaringen van het lichaam van Christus op alle plaatsen der aarde en de wijze waarop zulk een plaatselijke kerk zich op een bepaalden tijd zal vertoonen, dit alles ligt in de praedestinatie. Eveneens liggen in de praedestinatie al die deelen als stukken van een geheel. Maar nu moet nog iets gebeuren waardoor datgene wat in de praedestinatie ligt realiteit wordt. Dit is de confoederatie, de stipulatie”. Om dit nu duidelijk te maken gebruikt Dr Kuyper thans hetzelfde beeld als Voetius. „Zoo zijn deze bepaalde man en die bepaalde vrouw voor elkaar door God aangewezen en gepraedestineerd, maar hiermede zijn ze nog niet getrouwd. Eerst door de echtverbintenis wordt het realiteit”. „Ook wat betreft het zus of zoo aangaan der stipulatie, mag daarbij niet naar pelagiaansche vrijheid gehandeld. Men mag b.v. nooit stipulaties aangaan met een kerk die valsch is. Er mag alleen worden gehandeld naar de wet en eisch, die in Gods Woord is voorgeschreven. Men mag niet zeggen: ik denk er zoo over, maar men moet van vaste regels uitgaan. Eerst door aan die regels zich te houden, komt men weer tot gehoorzaamheid aan Christus en tot onderwerping aan Gods Woord”. 

De vraag kan natuurlijk opkomen, hoe het dan te verklaren is. dat men in het Nieuwe Testament zoo weinig duidelijke aanwijzingen vindt van het gemeenschapsleven der Kerk. Dr. A. Kuyper verklaart dit aldus: „dit komt omdat al hetgeen in het Nieuwe Testament wordt medegedeeld alleen loopt over de eerste jaren van het leven der Kerken; dat die Kerken verspreid waren over Italië, Griekenland, Macedonië, Klein-Azië, het Heilig land en Egypte; 3 dat het Nieuwe Testament de kerken teekent onder het leven der Apostelen en in de personen der Apostelen zelf het kerkverband gelegd was door den Heere. Men mag dus niet zeggen: ik lees in het Nieuwe Testament van geen deputaten en classen, maar men moet vragen naar de beginselen, die erin zijn neergelegd en dan blijkt, dat de communis vita (het gemeenschappelijke leven) wel degelijk in het Nieuwe Testament is aangegeven, want: a. de autoriteit der Apostelen wordt erkend, b. men collecteerde voor nooden en behoeften, c. men zond gezanten af om te begroeten en d. toen in die tijden geschil was opgekomen, kwa-men in Jerusalem de apostelen en afgevaardigden saam en deze gemeenschap vormde een macht die een besluit tot stand bracht, terwijl dit besluit als van den Heiligen Geest aan de kerken niet werd aangeraden, maar opgelegd”. (blz. 267).

Of er in het Nieuwe Testament niet nog meer aanwijzingen zijn voor het kerkverband, laat ik rusten. Het voorbeeld van het Apostelconvent of de Synode te Jerusalem, waarop onze Canonici zich beroepen, wordt, en daarop komt het aan, dus ook door Dr. A. Kuyper aangehaald als het laatste en meest afdoende bewijs voor dit kerkverband.

Wat de vraag betreft, hoe Dr. A. Kuyper oordeelt over het gezag, dat nu aan de vergaderingen toekomt. waarin de Kerken saamkomen, moge een volgend artikel handelen. Uit wat hij over het besluit zegt van de Synode te Jerusalem, dat dit niet aan de Kerken werd aangeraden, maar opgelegd als van den Heiligen Geest, blijkt reeds genoegzaam, dat Dr. A. Kuyper aan deze vergaderingen gezag toekent. Van het Independentisme wilde Dr. Kuyper niets weten. 

H.H.K.