18
nr. 34
20-05-1938

Niet geslaagd

In „De Heraut” van 15 Mei j.l. geeft Prof. Dr H.H. Kuyper een tweede artikel „Nieuw Kerkrecht”, ten vervolge op dat in „De Heraut” van 1 Mei j.l., en zet hij zijn betoog voort, zoowel om af te wijzen de qualificatie van „nieuw” bij het in April door de Classis Drachten van onze Gereformeerde Kerken in terzij-schuiving en overheersching van den kerkeraad, ook van de door haar niet schorsingswaardig geachte minderheid van dien kerkeraad, van de Gereformeerde Kerk te Drachten toegepaste kerkrecht, als om de geoorloofdheid van zulk handelen der Classis Drachten aan te toonen.

Hij is in dat betoog niet geslaagd. 

Vooreerst niet, omdat hij geen Schriftbewijs voor de rechtmatigheid van zulk terzij-schuiven en overheerschen van eenen kerkeraad door eene meerdere kerkelijke vergadering levert, noch dat ook maar tracht te leveren, noch dat kan leveren.

In de tweede plaats niet, omdat hij evenmin uit de grondbeginselen van het Gereformeerde kerkrecht het recht van meerdere kerkelijke vergaderingen tot zulk handelen aanwijst, of daartoe eenige poging doet, of dat kan aanwijzen.

En op dezen tweevoudigen grond voor dit recht komt het bij zulk handelen aan. Wat men als voorbeelden van handelen door vroegeren of lateren zoude kunnen aanvoeren, en als uitspraken van welke personen en welke vergaderingen ook zoude mogen bijbrengen, wanneer men niet uit de Heilige Schrift en uit de grondbeginselen van het Gereformeerde kerkrecht zoodanig recht bewijzen kan, hebben al die voorbeelden en uitspraken geene bewijskracht. Menschen hebben zooveel gedaan en gezegd, dat niet overeenkwam met recht en waarheid. Ook vrome menschen en Godsdienstige vergaderingen. Daarom moeten hun daden en woorden eerst getoetst worden aan Gods Woord. Vgl. ook art. 7 van onze Geloofsbelijdenis.

In de derde plaats is Prof. Dr H.H. Kuyper in zijn betoog niet geslaagd, omdat hij bij het aanvoeren en bijbrengen van voorbeelden en uitspraken, nagelaten heeft niet alleen dien toets van Gods Woord en van de beginselen aan te leggen, en in het licht te stellen, dat zij uit de rechte beginselen of grondbeginselen volgden en daarmede accordeerden, maar ook verzuimd heeft te rekenen met de historische omstandigheden, onder welke die daden verricht werden, en met de beschouwingen over kerk en staat in vroeger tijden, en de beteekenis daarvan voor het doen en spreken onzer Vaderen te dezer zake. Waren b.v. de oude Concilies, waarop hij de Dordtsche Synode zich laat beroepen, vrij van de staatsmacht, en niet veelszins òf instrument van, òf overheerscht door, de staatsmacht? Schrijft niet de Dordtsche Synode zelve in het vonnis, door Prof. Dr. H.H. Kuyper van haar aangehaald: „en gesterkt door de autoriteit der Hoog Mogende Heeren Staten Generaal”?

Bij welke woorden Prof. Dr H.H. Kuyper juist veelbeteekenend de door hem aangebrachte cursiveering achterwege laat. In dat vonnis wordt later tot de overheid gezegd: „Also bidt sij deselve seer goedgunstige Heeren ernstelijck ende ootmoedelijck, dat hare Hoog: Mog: dese heylsame leere, die van de Synodus seer ghetrouwelick na ’t woort Gods ende de over-een-stemminghe der ghereformeerde kercken uitgedruckt is, alleen ende suyver in hare landen openbaerlic gelieve te doen leeren, alle oprijsende ketterien ende dolingen weeren, de ongeruste ende oproerige geesten bedwinghen, haar ook voortaen als ware en goedertierene Voerster-Heeren ende beschermers der kercke voortvaren te vertoonen…” Wil Prof. Dr H.H. Kuyper ook deze woorden als voorbeeldig en gezaghebbend voor ons en voor ons kerkelijk handelen laten gelden? En zoo niet, is het dan met zijn beroep op de door hem uit dat vonnis aangehaalde woorden wel in orde?

Men hield destijds de zaken van kerk en staat niet recht uit elkander, deels als gevolg van de algemeen heerschende denkbeelden toen over de verhouding van kerk en staat; gebruikte voor zich ook wel de staatsmacht; en wilde die, wanneer dat nuttig scheen, ook wel in kerkelijke zaken laten ingrijpen, zooals nog uitkomt in de boven van de Dordtsche Synode aangehaalde woorden. De historische opkomst van de Republiek der vereenigde Nederlanden werkte hierin evenzeer na. Daarom moet bij de voorstelling van het doen onzer Vaderen ter zake van de nu in discussie zijnde quaestie gerekend worden met hunne beschouwing over de verhouding van kerk en staat, en moet de beteekenis daarvan in het licht gesteld worden. En deswege mag te minder de critiek der beginselen bij de voorstelling van het doen onzer Vaderen nagelaten worden, vooral wanneer dat doen aan ons ten voorbeeld gesteld wordt. Die onmisbare critiek heeft Prof. Dr H.H. Kuyper echter ook hier weer ter zijde gelaten.

Ware voorts de zaak uit historisch en dogmatisch gezichtspunt zoo duidelijk en eenvoudig, als Prof. Dr H.H. Kuyper het hier tracht voor te stellen, dan moest wel de vraag opkomen, hoe het dan stond met de historie- en dogmatische kennis van Dr A. Kuyper Sr, Dr F.L. Rutgers, Dr H.H. Kuyper vóór 1923, en van anderen destijds? We behoeven ons desbetreffend echter niet ongerust te maken. De fout zit in het gebrek aan juiste onderscheiding bij Prof. Dr H.H. Kuyper te dezer zake, en aan zijne daarmede samenhangende foutieve voorstelling der dingen.

Ik kom daarop terug, maar maak vooraf nog de opmerking, dat wanneer Prof. Dr H.H. Kuyper in zijne aanhaling de Dordtsche Synode zich laat beroepen op de synoden van vroegere tijden: „naevolghende oock de voetstappen van alle wettelijcke soo oude als nieuwe Synoden”, dit beroep ten aanzien van de oudste, en ook volgens Voetius, Pol. Eccl., ed. Rutgers, blz. 326, alleen onfeilbare, vergadering te Jeruzalem, in Hand. 15 en Gal. 2 vermeld, slechts gelden kan wat de leerbeslissing betreft, niet van censuurbepalingen en maatregelen ter uitvoering van eventueele censuurbepalingen, omdat die vergadering juist zulke bepalingen niet heeft ontworpen, noch dergelijke maatregelen genomen. Daar wordt dus juist gemist, waarom het nu gaat: censuurmaatregelen en censuurtoepassing door meerdere vergaderingen ter schorsing en afzetting van ambtsdragers buiten den kerkeraad om en over den kerkeraad heen.

Maar in de vierde plaats is Prof. Dr H.H. Kuyper in zijn betoog niet geslaagd, omdat hij niet voldoende onderscheidt, en de quaestie, waarom het nu gaat, met andere verwart, en aldus met bewijzen aankomt, die in ander opzicht van kracht mogen zijn, maar niet in de zaak, die nu in behandeling is. Dit blijkt uit zijn beroep op de Westminstersche Confessie, op de Synopsis, op Dr A. Kuyper, zelfs uit dat op Dr F.L. Rutgers, en uit zijn gescherm met Independentisme.

Dit laatste is hier in het geheel niet bij betrokken.

Dat kan uit geen enkel stuk, althans van mijne hand, ook maar met een schijn van recht aangetoond worden. Ik heb duidelijk genoeg den Goddelijken plicht tot kerkverband voorgesteld, en den plicht om zich aan de onderling door de kerken overeengekomen en vastgestelde kerkenorde te houden. Het gaat niet over het recht van de meerdere vergaderingen om eventueel te oordelen, en schorsingswaardig te verklaren, en zoo noodig ook een vonnis uit te spreken of te vellen. En ook bovendien niet over den plicht van eenen kerkeraad om een door de meerderheid eener meerdere vergadering genomen besluit tot schorsing of afzetting uit te voeren naar art. 31 K.O., behalve de uitzondering daargenoemd, en met het recht van appèl op eene meerdere vergadering.

Maar het gaat om de tegenstelling: Gereformeerd kerkrecht, of hiërarchie, opperbestuur. De quaestie betreft de vraag naar de uitvoering van een oordeel van meerdere vergaderingen: of eene meerdere vergadering volgens Gods Woord en het Gereformeerd kerkrecht zelve die uitvoering ter hand mag nemen op die wijze, dat zij den kerkeraad wegschuift, en zich in diens plaats dringt, en doet wat des kerkeraads is?

Dat alleen is hier de quaestie.

Zulk doen is hiërarchie, menschelijke aanmatiging, en gaat in tegen het Gereformeerde kerkrecht en tegen de kerkenorde.

Daarbij is het geene quaestie van formalisme, maar, wanneer men aldus handelt, van materiëele schennis van de kerkenorde; vgl. K.O. artt. 85, 79, 31. En daaraan heeft de Classis Drachten zich schuldig gemaakt.

Het gaat er in mijn artikelen niet over, of de geschorsten zich metterdaad schorsenswaardig hebben gemaakt. Uitdrukkelijk heb ik mij van den beginnen daarover geene uitspraak veroorloofd. Dat kan door de meerdere vergaderingen uitgezocht, en bij appél, nader beoordeeld worden. Prof. Dr H.H. Kuyper echter heeft zich daar wel over uitgelaten, blijkbaar afgaande op voorstellingen van Classisdeputaten, die hem kwamen raadplegen, en zonder eerst ook het wederhoor toe te passen. Zie „De Heraut” van 1 Mei j.l.

En het gaat er niet over, of eene meerdere vergadering eene uitspraak mag doen. Elk die van eene zaak op de hoogte is, mag zich een oordeel vormen, en dat oordeel eventueel uitspreken. Eene meerdere vergadering mag en moet zelfs in bepaalde gevallen oordeelen en vonnis vellen. Dat staat duidelijk in de Kerkenorde, artt. 31, 79.

Maar de vraag is enkel: mag eene meerdere vergadering eenen kerkeraad terzij schuiven, overheerschen, zich in diens plaats stellen, en doen wat des kerkeraads is?

Daarop zegt het Gereformeerde kerkrecht: neen.

En daarop zegt de Kerkenorde: neen.

En dat wel te doen is hiërarchie, opperbestuur.

En dat te leeren is het Gereformeerde kerkrecht prijsgeven, en de hiërarchie aanbevelen en bevorderen.

Hoezeer nu Prof. Dr H.H. Kuyper bij dit zijn betoogde dingen niet voldoende uit elkander houdt en verwart, en daarom met de door hem aangevoerde bewijzen meermalen juist niet bewijst, wat zou hij moeten bewijzen, n.l. het recht der meerdere kerkelijke vergaderingen om kerkeraden en kerkeraadsleden terzij te schuiven, en zelve in hunne plaats te treden, kunnen we zien, als hij zich in „De Heraut” van 1 Mei j.l. beroept op de Westminstersche Confessie, Cap. XXXI, art. 3. Want daar wordt zelfs met geen woord over zulk daadwerkelijk ingrijpen van meerdere vergaderingen gesproken, doch slechts gezegd, wat behoort te worden erkend en gedaan. Er staat: „Synodorum et Conciliorum est controversias fidei et conscientiarum casus, ministerialiter quidem, determinare; regulas ac praescripta quo melius publicus Dei cultus ejusque Ecclesiae regimen ordinentur constituere; Querelas de mala administratione delatas admittere, deque iis authoritative decernere. Quae quidem decreta et decisiones, modo verbo Dei consenserint, cum reverentia sunt ac summissione excipienda; Non quidem solum, quod verbo Dei sint consentanea verum etiam gratia potestatis ea constituentis, ut quae sit ordinatio Dei ad id in verbo suo designata”; voor de vertaling zie men de noot 1). Van eigen optreden van meerdere vergaderingen om zich in de plaats van kerkeraden te stellen, wordt hier in het geheel niet gerept. Als men echter zoo weinig nauwkeurig onderscheidt, kan men wel aankomen met een aantal z.g. bewijzen, maar beteekenen deze voor het punt in quaestie niets. Men moet bij zijn bewijzen zorg dragen te blijven bij de zaak, waarom het gaat.

Even weinig ter zake is Prof. Dr H.H. Kuypers verwijzing naar de „Synopsis purioris theologiae”, Disp. XLIX, §58, 59, want daarin wordt slechts over het nemen van besluiten gehandeld, zooals duidelijk blijkt uit § 60, waarin staat: „Op de behandeling en beslissing van de ter synode voorgestelde zaken volgt de uitvoering, die bestaat in de zorg voor de inachtneming van de besloten zaken”. (Tractationem et conclusionem rerum propositarum in Synodo, Executio sequitur, quae est in procuratione observantiae rerum decretarum.) Dus eerst in § 60 wordt de behandeling der daadwerkelijke uitvoering begonnen, maar van daadwerkelijke wegschuiving van kerkeraden, en van een in de plaats van kerkeraden treden door meerdere vergaderingen, waarover het in het huidige geschil gaat, wordt ook daar niet gesproken. Doch in § 58 en 59 wordt gehandeld over het nemen van besluiten, vonnisvelling van schorsing en afzetting, welk recht van oordeelvorming en vonnisvelling nu echter niet in geschil is.

Ook faalt het beroep van Prof. Dr H.H. Kuyper op Dr A. Kuyper Sr, in „De Heraut” van 15 Mei j.l. Want in de van hem uit zijn „Tractaat” aangehaalde woorden spreekt hij in het geheel niet over zoodanige verdringing van kerkeraden door meerdere vergaderingen. Het puntje, waarom het thans gaat, is bij deze aanhaling uit het gezicht verloren. Het zou ook inderdaad vreemd moeten heeten, dat de man, die daarna zoo geweldig tegen zoodanig optreden van classes en synodes toornde, even tevoren zulk optreden als eisch van het Gereformeerde kerkrecht zou voorgesteld hebben.

Welk eene ongerijmdheid kan men betoogen, wanneer men bij zijne redeneering en bewijsvoering niet scherp blijft letten op het punt in geschil.

Niet gelukkiger is Prof. Dr H.H. Kuyper met zijn beroep op Dr F.L. Rutgers. Hij haalt van dezen het werk aan, dat deze met Jhr Mr A. F. de Savornin Lohman heeft uitgegeven: „De Rechtsbevoegdheid onzer plaatselijke kerken”, maar blijkbaar uit den eersten druk. In den tweeden echter, die duidelijker is, schrijven de auteurs: „Wel mag de classis of synode kerkeraadsleden ontzetten van hun ambt zoolang de Kerk in het verband staat; maar als de Kerk dat vonnis niet erkent, verblijft aan de gezamentlijke Kerken geen ander verweermiddel dan om deze Kerk van het verband af te snijden”, blz. 179. Uit die woorden zelve toch blijkt duidelijk, dat „ontzetten van hun ambt” hier niet beteekent de uitvoering van een ontzettingsvonnis, waarover het geschil betreffende de Classis Drachten loopt, doch het uitspreken of vellen van een vonnis, waarover dat verschil juist niet gaat. Deze bedoeling van Dr F.L. Rutgers en Jhr Mr A. F. de Savornin Lohman kan nog te meer blijken uit hunne terugverwijzing naar blz. 312 , 37-42, 57 noot sub 5° en 6°. Ook dit beroep op Dr F.L. Rutgers mist dus goeden grond.

Wel kan Prof. Dr H.H. Kuyper zich beroepen op sommige daden onzer Vaderen. Maar die moeten eerst juist zelve aan Gods Woord en de grondbeginselen van het Gereformeerde kerkrecht getoetst worden, vóór zij als voorbeeldig voor ons kerkelijk gedrag mogen gelden. Er moet nagegaan worden, voor hoever daarin verkeerde beschouwingen over de verhouding van kerk en staat nawerkten, en mogelijk meer wereldsche berekening en vleeschelijke machtsoefening werkten, dan de vreeze Gods en het inzicht in het recht en de bevoegdheid van Godswege.

Machtsbesef en rechtsbevoegdheid zijn twee.

Niet de daden onzer Vaderen op zichzelve geven de regelen aan voor ons handelen op kerkelijk gebied, maar Gods Woord, en de grondbeginselen van het Gereformeerde kerkrecht.

De Kerkenorde is de grondslag van het rechtmatig kerkelijk handelen der kerken onderling. Binnen die perken moeten de kerken zich houden ook bij de onderlinge tuchtoefening. Alle willekeur en ongeoorloofde machtsusurpatie zij geweerd. De meerdere kerkelijke vergaderingen moeten zich niet gedragen als hiërarchische opperbesturen. Het Gereformeerde kerkrecht worde beleden, maar ook in alle kerkelijke handelingen der meerdere vergaderingen gevolgd in de praktijk.

S. GREIJDANUS

 

1) Es komt den Synoden und Konzilien zu, Glaubensstreitigkeiten und Gewissensfälle amtlich zu entscheiden, Regeln und Anweisungen für die bessere Ordnung der öffentlichen Verehrung Gottes und der Leitung seiner Kirche festzusetzen, Klagen in Fällen slechter Verwaltung entgegenzunehmen und aus amtlicher Vollmacht über sie zu entscheiden. Und diese Anordnungen und Entscheidungen sind, wenn sie mit dem Worte Gottes übereinstimmen, mit Ehrerbietung und Unterwerfung anzunehmen, nicht allein wegen ihrer Uebereinstimmung mit dem Wort, sondern auch wegen der Vollmacht, aus der sie geschehen, als einer Ordnung Gottes, die dafür in seinem Wort getroffen ist. (Vertaling uit: D. Cajus Fabricius, Corpus Confessionum, Abt. 18, p. 153, 154.) Engelsche vertaling, t.a.p.: It belangeth to Synods and Councils, ministerially to determine Controversies of Faith and Cases of Conscience; to set down Rules and Directions for the better ordering of the public Worship of God, and Government of his Church; to receive Complaints in Cases of Mal-administration, and authoritatively to determine the same: Which Decrees and Determinations, if consonant to the Word of God, are to be received with Reverence and Submission; not only for their Agreement with the Word, but also for the Power whereby they are made, as being an Ordinance of God appointed thereunto in his Word. Acts 15. 15, 19, 24, 27-31, Acts 16. 4. Matth. 18: 17-20.