18
nr. 37
10-06-1938

Het wezen der meerdere kerkelijke vergaderingen volgens Voetius (VII)

Er is dus bij Voetius wat het kerkrechtelijke aangaat, tweeërlei lijn op te merken en te onderscheiden. De eerste is die der beginselen, volgens welke het wezen der kerkelijk verhoudingen wordt aangegeven, en gezegd, hoe het naar den Woorde Gods en den aard der kerken en van hare ambten staat met hare onderlinge verbinding en werkzaamheid. De andere is die van zekere theoretisch verklaring of rechtvaardiging van bepaalde praktijken, waarbij niet uit de principia geredeneerd, maar op de nuttigheid gewezen wordt, „melius esse”, of een zeker recht geconstrueerd wordt, dat door aaneensluiting of vereeniging zou ontstaan, of van ontleening en delegatie gesproken wordt, die hier niet kunnen bestaan, of eene hier evenmin mogelijke cumulatievoorstelling wordt gegeven.

Deze twee lijnen loopen niet parallel, zoodat men ze beide tegelijk zou kunnen volgen en vasthouden. Zij snijden elkaar, En zoo moet men òf de richting van de eene gaan, òf die van de andere: die van het wezenlijk Gereformeerde kerkrecht, òf die van de heerschappij, opperbestuur, hiërarchie.

 

Volgens de beginselen, door Voetius gesteld en ontwikkeld, zijn de plaatselijke of particuliere kerken aan elkander in wezen gelijk, staat de eene niet in machtsbevoegdheid boven de andere, noch is de eene aan de andere onderworpen. Er is tusschen haar geene verhouding iuris rectorii, van bestuursrecht, als van vader en kind, of als van heer en ondergeschikte, maar iuris aequatorii, van gelijk recht, als van broeder of zuster of vrienden en bondgenoten. Zij zijn tegenover elkander vrij. Ofschoon van Godswege onder de plicht staande om met elkander gemeenschap, verband, aan te gaan, zijn zij toch ten aanzien van elkander vrij, om onderling zich aaneen te sluiten, òf niet. De eene heeft geen recht, de andere tot die onderlinge confoederatie te dwingen. Zij kunnen dus slechts door vrijwillige aaneensluiting macht over elkander verkrijgen. Maar dan ook alleen maar voorzoover zij bij die vrijwillige overeenkomst macht over zich aan elkander geven. De kerkenorde is grondslag van die onderlinge macht over elkander, en zij stelt, nu afgezien van Gods Woord, dat alles moet bepalen, de grens aan die macht. Dat er eerst eenheid in belijden bij de kerken moet wezen, zullen zij in kerkverband zich bij elkander kunnen aansluiten, en dat voorzoover de geloofsbelijdenis grondslag van kerkverband is, spreekt voor zichzelf. Maar het gaat nu over de vraag, wat de kerken tegenover elkaar mogen doen. En dat wordt in de kerkenorde omschreven.

Door die aansluiting van plaatselijke kerken in classicaal en synodaal verband, ontstaat niet eene kerk van wezenlijk denzelfden aard als de plaatselijke of particuliere kerken, eene kerk in de eersten, eigenlijken principiëelen zin, zooals eene plaatselijke kerk. Nedum, zegt Voetius, laat staan dat, verre zij het er van af, dat dat geschieden zou. Er ontstaat slechts eene verbinding of confoederatie van kerken. En wanneer men hier den naam van kerk gebruikt, is dat niet in eigenlijke zin. Slechts in zeker opzicht, bijkomstig, kan hier van kerk gesproken worden.

De vergaderingen van kerken in de classicale en synodale samenkomsten zijn dan ook geen kerkeraadsvergaderingen, zooals die van de kerkeraden van plaatselijke of particuliere kerken. Hare leden komen ter classicale en synodale vergadering niet vi muneris sui, krachtens hun ambt, zooals de ambtsdragers ter kerkeraadsvergadering, maar door afvaardiging, ter vertegenwoordiging hunner kerken. Zij hebben ter classisvergadering geene meerdere macht, dan zij van de hen afgevaardigde kerken ontvangen, en die in de door de kerken onderling overeengekomen en vastgestelde kerkenorde is omschreven of aangegeven. Wat die kerken zelve niet bezitten, kunnen zij niet delegeeren: dus geene heerschappij over elkander; en slechts die macht, welke zij bij die overeenkomst of kerkenorde over elkander ontvangen hebben. Die meerdere vergaderingen hebben geene rechtstreeksche, eigene macht, zegt Voetius, slechts eene afgeleide, ontleende, gedelegeerde, beperkte. Ter classicale en synodale vergadering zijn de leden dus krachtens afvaardiging, met eene door die afvaardiging bepaalde en begrensde macht, anders dan de ambtsdragers ter kerkeraadsvergadering. Want ter vergadering van den kerkeraad zijn en handelen de ambtsdragers krachtens hun ambt. Terecht schrijft daarom Prof. Dr H. Bouwman in zijn „Gereformeerd Kerkrecht”, deel II, blz 64: „Dit gezag van den kerkeraad over de gemeente is geheel eigensoortig en kan nimmer op de classes en de synoden worden overgedragen”. En op blz 65: „Het gezag der meerdere vergaderingen over de mindere is dus van een andersoortig karakter”, n.l. dan dat van den kerkeraad over de gemeente. En daarom staat er in art. 36 K.O. niet: „’t Zelfde zeggen heeft de Kerkeraad over de Gemeente, ’t welk de Classe heeft over den Kerkeraad, en de Particuliere Synode over de Classe, en de Generale Synode over de Particuliere”, doch zonder die eerste woorden: „’t Zelfde zeggen heeft de Classe over den Kerkeraad, ’t welk de Particuliere Synode heeft over de Classe en de Generale Synode over de Particuliere”. De bestrijding hiervan door Dr M. Bouwman in zijn „Voetius over het gezag der Synoden”, blz. 385 v.v., moet ook afstuiten op Voetius’ leer van het wezen der meerdere kerkelijke vergaderingen, en zijn zeggen, dat noch predikant, noch ouderling, ter meerdere vergadering komt en handelt qua ambtsdrager.1)

Tuchtmacht hebben de ambtsdragers over hunne gemeenten in haar geheel, en ook over hunne mede-ambtsdragers, krachtens hun ambt.Daarom is zelfs de minderheid van eene kerkeraad verplicht, eventueel de afwijkende meerderheid te censureren. Maar van dien aard is de tuchtmacht der meerdere vergaderingen over de onderscheiden kerken en hare leden niet. De afgevaardigden zijn en handelen daar niet vi muneris sui, krachtens hun ambt van ouderling of dienaar des Woords, doch ex delegatione ac mandato Ecclesiae, krachtens delegatie en opdracht hunner kerken. En omdat die kerken van zichzelve geene macht, dus ook geene tuchtmacht, over elkander hebben, en deze slechts kunnen krijgen doordat, en derhalve voorzoover, de kerken die macht onderling aan elkander over zich bij overeenkomst, d.i. in de kerkenorde, geven , hebben ook hare afgevaardigden, en dus de meerdere vergaderingen, die macht over andere kerken en hare leden slechts op grond daarvan, dat, en voorzoover als, dat door de kerken vastgesteld is in de kerkenorde.2) De meerdere vergaderingen hebben geene eigene, primam, noch oorspronkelijke, radicalem, macht en dwang, maar slechts eene ontleende en gedelegeerde, niet absolute maar hypothetische n.l. als hare besluiten niet strijden met Gods Woord.3) We kunnen zien, hoe geheel onjuist Prof. Dr H.H. Kuyper hetgeen degenen die hij bestrijdt, leeren, weer voorstelt, wanneer hij schrijft: „Niet minder bedenkelijk is ook de tweede stelling, dat alle bevoegdheden en rechten op de Kerkenorde gegrond moeten wezen. … Ook al was er geen Kerkenorde, dan zou een predikant even bevoegd zijn om het Woord en de Sacramenten te bedienen, een ouderling om de gemeente te regeeren …”, „De Heraut” van 22 Mei j.l. Het eerste, wat Prof. Dr H.H. Kuyper hier zegt, is althans door mij nergens gezegd, het tweede nimmer ontkend. Integendeel. Maar het gaat er nu over, wat de kerken ten aanzien van elkaar mogen of moeten doen.

 

Volgens de lijn der genoemde beginselen nu kan er dus geene sprake van zijn, dat meerdere vergaderingen kerkeraadsleden of geheele kerkeraden schorsen of afzetten, en zich in de plaats van kerkeraden dringen, om te doen wat des kerkeraads is. Daartoe hebben zij het recht van Godswege niet. Zij mogen de kerkeraden en gemeenten helpen met raad en steun, doch deze niet overheerschen, de kerkeraden niet opzij schuiven, om zich in hunne p[laats te stellen. En doen zij dat toch, dan matigen zij zich aan wat haar niet toekomt, vergrijp0en zij zich aan de verordening des Heeren, Matth. 20: 25-26; Luc. 22 vs 25-26, schenden de kerkenorde, waarin de kerken zulk eene macht over zich aan elkaar niet gegeven hebben, art. 85 K.O. 

Voetius schrijft in dit opzicht, dat hij nooit goedgekeurd heeft, noch goed goedkeuren zal, bizondere misbruiken van classes of classicale en synodale deputaten, die in strijd zijn met 30 K.O. En dat hij met de kerk van Utrecht tegen de handelingen van eene synode in 1667 opgekomen is als niet overeenkomstig dat artikel, toen die synode uit zichzelve en op eigen initiatief niet alleen besloten had, aan de kerk van Utrecht eenen geleenden predikant van elders te bezorgen, maar ook metterdaad dien door haar gekozen predikant met synodale macht de aanneming van dien last had opgelegd, en bovendien door hare deputaten zijn ontslag, om dien arbeid in eene andere kerk te verrichten, bij den kerkeraad en de overheid van die plaats had gevraagd, voordat in den kerkeraad of de classis of binnenkamers of buiten af over eene zaak van zoo groote beteekenis iets voorgesteld, aangekondigd, aangedrongen, gevraagd, beraadslaagd, of in een of andere zin op goede òf op slechte wijze besloten was.4) En tegen de bewering, dat dit protest in strijd was met zijn eigen doen op de synodes te Delft in 1628, te Leiden in 1629 en te Schoonhoven in 1630, antwoordde hij, dat hij alleen maar te Delft was met keurstem, doch te Leiden en te Schoonhoven met adviseerende stem. Hij gaat dan een paarregels verder, voort: „Ik ontken, dat ik mijne stem, of dat die drie synodes met gelijke stemmen, of met meerderheid van stemmen, onmiddellijk, uit eigen beweging, buiten weten en tegen den wil van den kerkeraad en de classis of Schieland (zooals de gemeenschappelijke naam is) besloten hebben tot leening, en eenen dienaar of dienaren ter leen van elders gekozen en geroepen, en naar de kerk van Rotterdam gezonden hebben; en wel voordat iets over leening van predikanten in de kerkeraad of classis van Rotterdam was voorgesteld, gevraagd, beraadslaagd, geëischt, besloten, beproefd, hetzij goed, hetzij kwaad; en voordat iets aangaande den nood destijds van die kerk,en bijgevolg over de noodzakelijkheid van leening, en over de voorvallende beroeringen en twisten van de kerk en den kerkeraad en de classis van Rotterdam, aan de synode door den kerkeraad, of door de ouderlingen van de kerk van Rotterdam, of door de classis Schieland, of door deputaten van de synode, bij wijze van aanklacht, of van klacht, of van appèl,, aangebracht was”. Hij gaat dan voort: „De Zuidhollandsche synoden plegen niet zaken en geschillen in die, òf eenige andere kerk, welke door den kerkeraad of de classis behandeld moeten worden en niet behandeld zijn, en die niet op eenige tevoren genoemde wijze tot haar gebracht of op haar gekomen zijn, te behandelen; en op die wijs de particuliere kerken en kerkeraden van alle bestuur en macht te berooven. En wanneer synodes of classes zoo iets gedaan hadden, moest gezegd worden, dat zij niet volgens, maar tegen de kerkenorde gehandeld hadden.5)

En wanneer dan Voetius toch ook zegt, dat de meerdere vergaderingen de zaken van eene plaatselijke of particuliere kerk te verzorgen en te behandelen hebben in geval van onmacht, en van onwettig, en onordelijk bestuur, en van verondersteld slecht bestuur,6) redeneert hij niet langs de lijn der door hem voorgestelde en ontwikkelde beginselen, maar langs die der heerschappij, opperbestuur, der meerdere vergaderingen, alsof deze enige macht van dwang zouden hebben, eene meerdere macht, dan die zij aan haar vormende kerken en kerkenorde zouden ontleenen. Hij komt dan met zijne theorie van het „melius esse”, dat het beter is, p. 257, of dat de eenheid of vereeniging zeker recht schept, p. 332, of dat er ontleening of delegatie van zoodanige macht zou zijn, p. 294, of dat er in dezen cumulatie van rechtsmacht ware, VI, p. 898 sq. Maar deze gronden zijn niet deugdelijk, zooals we zagen. Wat iemand zelf niet heeft, kan hij ook aan een ander niet delegeeren, en kan die ander aan hem niet ontleenen. En hoevelen ook met niets mogen komen aandragen, er ontstaat dan geen cumulus of hoop. Door vereeniging komt er wel vermeerdering van kracht, doch nog niet van recht, meer dan elk der zich vereenigde personen of partijen reeds had, en afgezien van hetgeen zij aan bevoegdheid over zich aan anderen gaven. De nuttigheidsredeneering opent voor allen den weg om in te grijpen, en is wel zeer gevaarlijk.

Volgens de lijn der beginselen loopt Voetius’ betoog echter hierbij niet, en langs deze wijst hij het recht tot handelen niet aan. Maar naar de lijn der beginselen stelt hij: „Dat geen nieuw en eigen bestuur, of eenig essentiëel deel van het kerkelijk bestuur, dat krachtens Goddelijk recht aan de afzonderlijke kerken toekomt, aan deze correspondentie of samenkomende correspondentieleden toegekend of toegeëigend worde”.7) Zie ook voorgaande noten. 

 

De kerkeraad heeft het eigenlijke bestuur over de gemeente, de ambtsdragers, iedere ambtsdrager over zijn eigene gemeente, niet over eene andere,noch over den kerkeraad van die andere gemeente noch over hare leden, dan voorzoover dat bij het aangaan van kerkverband onderling werd afgesproken en in de kerkenorde vastgesteld. De afgevaardigden ter meerdere vergadering missen dus ook bestuursmacht over andere dan de eigen gemeenten, die buiten de bepaling in de kerkenorde valt. Zij zijn op die vergadering niet krachtens hun ambt, maar krachtens hun afvaardiging, qua gedelegeerden. Zij kunnen dus ter meerdere vergadering niet handelen vi muneris sui, uit kracht van eigen ambt, maar volgens hunne delegatie, als in naam hunner hen zendende kerken. Van feitelijke, daadwerkelijke tuchtoefening moeten zij zich daarom onthouden. De bevoegdheid daartoe komt hun wel toe qua ouderling of dienaar des Woords over hunne eigene gemeente. Maar zij zijn niet ouderling of dienaar des Woords van andere gemeenten. En ook zijn zij niet qua ouderling of dienaar des Woords vi muneris sui, leden eener meerdere vergadering, doch ex delegatione, krachtens afvaardiging, niet vi immediati juris divini, uit kracht van onmiddellijk Goddelijk recht, zooals zij regeerend ambtsdrager hunner gemeente zijn, maar jure positivo, ex constitutione ac delegatione Ecclesiarum, d.i. volgens positieve recht, dat in de kerkenorde werd vastgesteld, en krachtens die regeling en afvaardiging der kerken, p. 306.

De meerdere vergaderingen mogen en moeten raad geven en hulp bieden, en in bepaalde gevallenoordelen en vonnissen. Maar de uitvoering van haar vonnis is niet haar werk, met terzijschuiving van den kerkeraad. Die is zaak van den kerkeraad, eventueel van de minderheid van den kerkeraad, geholpen door eene meerdere vergadering. En wanneer de geheele kerkeraad zou afwijken en van zijnen boozen weg niet zou willen aflaten, dan moest de gemeente, of dan moesten de getrouwe geloovigen, handelend optreden, voorgelicht en geleid door de meerdere vergadering, om andere ambtsdragers te kiezen. „Aangezien”, schrijft Voetius, „deze macht”, n.l. de bestuursmacht, potestas directiva, „door de gemeente aan de dienaren en ouderlingen is toevertrouwd”, vgl. antw. 85 Heidelb. Catech., kan zij alleszins in geval van nood om rechtvaardige redenen door haar ontnomen worden, of althans wat de uitoefening en het gebruik betreft zoolang verhinderd worden. Als grond geldt hier: Omdat door hem, door wien in kerkelijke zaken op wettige wijze iets toevertrouwd wordt, n.l. door het opdragen van de macht aan dezen of dien persoon, dat ook weer op wettige wijze ontnomen wordt, wanneer de noodzaak dat zoo eischt. Nu is het de gemeente, door wier wettige verkiezing, zoowel onmiddellijk door haar zelve, als ook middellijk in den kerkeraad, maar oorspronkelijk door het eerste, de macht aan dezen of dien persoon wordt toevertrouwd. Bijaldien de helpende macht der kerken in synodaal verband vereenigd, hier niet te hulp komen wil,of dat niet kan, handele de kerk in geval van nood op zichzelve. Wanneer zelfs dat niet geschieden kan vanwege krachtige belemmeringen, scheide de gemeente zich af van dien kerkeraad of van de ouderlingen, zooals in het eerst van de Reformatie, en bizonder ten tijden van woelen der Remonstrantsche factie op vele plaatsen geschied is, en wettig heeft kunnen gebeuren, naar wij in ons werk Desper Causa Papatus aangetoond hebben8) En dan moet de gemeente onder leiding van ééne of meer naburige kerken eenen nieuwen kerkeraad kiezen.

 

Van heerschappij of overheersching der kerken door de meerdere vergaderingen kan dus wat het recht naar Gods Woord, en de grondbeginselen van het Gereformeerde kerkrecht betreft, geene sprake zijn. Zij mogen en moeten raad geven, leiden, steun verleenen, niet overheerschen. Die meerdere vergaderingen zijn geen bestuurscolleges, maar samenkomsten van ouderling in verband getreden kerken door afgevaardigden tot behandeling van gemeenschappelijke zaken, en om elkander in gevallen van behoefte of nood bij te staan met raad en daad, doch niet te overheerschen.

S. GREIJDANUS.

 

noten:

1) Quaest. An seniori gubernanti aeque, ac concionatori jus suffragii, tam in causis doctrinae, quam disciplinae competat? Aff. Non quidem ex vi muneris sui in se spectati, ut senior quâ senior, ibi compareat et synodum constituat … sed ex delegatione ac mandato Ecclesiae, quae tanquam ultimus actus specificat ac fundat istam potetatem synodalem et jus suffragii decisivi. Quod ex duobus colligitur. 1 Quia ipsi concionatores synodale jus habent nisi ex delegatione tanquam proximo fundamento … Pol. Eccl. ed. Rutgers, p 306/307.
2) De eene kerk „Nulla οίχείψ et directâ potestate regiminis aut jurisdictionis erga eam” — eene niet met haar in kerkverband staande kerk — „uti potest, quia nullam habet; non magis quam servum alienum potest judicare”, p. 288.
3) „Probl. An classes aut synodi habeant potetatem coactivam. . . . Resp. Non habent primam et radicalem, sed mutuatam et delegatam; eamque non absolutam sed hypotheticam, si scil. observatio eorum, aut tolerantia non repugnet verbo Dei”, p. 294.
4) Abusus enim particulares alicujus, aut aliquarum classium, aut deputatorum classicalium ac synodalium huic ordinis nostri artic. 30 repugnantes ego nunquam probavi aut probabo. … Probatio ipsius ex eo deducitur, quod contra proxime praecedentis synodi anno 1667 actiones, una cum synedrio hujus Ecclesiae exceperim, non esse conformes recepti ordinis nostri artic. 30. quod synodus per se, immediate, et primo non tantum decreverit, huic Ecclesiae nostrae commodatum concionatorem aliunde curare, sed etiam ipso facto concionatorem quem elegerit, eique synodali autoritate hujus oneris susceptionem imposuerit; atque insuper per deputatos suos dimissionem ejus, ad hanc operam in alienâ Ecclesiâ praestandam, apud synedrium et ampliss. loci illius Magistratum, sollicitaverit: antequam de tanti momenti negotio, in synedrio, aut classe intus aut υνςαυεν quidquam propositum, nuntiatum, monitum, postulatum, deliberatum, aut in alterutram partem bene aut male conclusum fuisset, p. 335.
5) Hoc judicium (an indicium) synedrii nostri, άχςισίας et erroris convincere conantur ex factis synodorum aliquot Hollandicarum Delfensis 1628, Leidensis 1629, et Schoonhovianae 1630. quibus et ego interfui. Resp. 1. An ego meo suffragio, quod unicum decisivum mihi tantum competebat in synodo Delfensi (siquidem in Leidensi et Schoonhovianâ, deliberativum solummodo mihi tanquam synodi tunc temporis deputato, relictum erat) illud decreverim quod factum narrat anonymus; nondum probavit: itaque hinc efficere non posset me mihi contradicere, et instar Protei aut cothurni versatilem esse, 2. Ego nego, me suffragio meo, aut tres synodos illas sive paribus sive potioribus suffragiis immediate et primo, insciâ aut invitâ Ecclesiâ et synedrio ac classe Roterodamensi seu Schielandicâ (uti communiter appellatur) decrevisse commodationem, et ministrum aut ministros commodatos aliunde elegisse, vocasse, et ad Ecclesiam illam Roterodamensem misisse; et quidem antequam de commodatione concionatorum, in synedrio aut classe Roterodamensi propositum, quaesitum, deliberatum, postulatum, decretum, tentatum esset, sive bene sive male; et antequam aliquid de illius Ecclesiae praesenti necessitate, et consequenter commodationis necessitate, et consequenter commodationis necessitate, deque Roterodamensis Ecclesiae, synedrii classis incidentibus turbationibus et contentionibus, ad synodum a synedrio, aut senioribus Ecclesiae Roterodamensis, aut a classe Schielandicâ aut deputatis synodi, per modum denuntiationis, aut querelae, aut provocationis delatum fuisset. Non solent Synodi Zuydhollanddicae negotia aut causas in Ecclesiâ illâ aut aliâ quacunque, a synedrio aut classe tractanda et non tratata, nec ad se aliquo istorum (quo supra Cap. 2 recensuimus) delata aut devoluta, tractare; atque ita Ecclesias parochiales et synedria, omni regimine, et potestata privare, Si quae synodi aut classes tale quid fecissent, eas non secundum, sed contra ordinem fecisse dicendum esset, p. 335/336.
Dit is de Synode van Delft, waarvan Prof. Dr H.H. Kuyper in „De Heraut” van 15 Mei 1932 schreef, dat hij door de bestudeering vooral van hare handelingen tot zijne verandering van inzicht gekomen was, (zie „De Reformatie” van 13 Mei j.l.) doch waarover Voetius zelf oordeelt, zooals boven medegedeeld werd. Blijkbaar voerde men deze Synode van 1628 een veertigtal jaren later, in 1667/1668 ook al tegen Voetius aan.
6) Negotium particulare ab omnibus Ecclesiis aut earum delegatis communiter curari et tractari potest et debet non absolute, sed limitata, in his scil. casibus. 1. In casu insufficientiae; quando scil. impotens deprehenditur Ecclesia parochialis ad negotia propria solvenda. 2. In casu illegitimae et inordinatae administrationis; ubi venienti morbo ab omnibus confoedertis ex correspontibus Ecclesiis occurrendum est. 3. In casu praesumtae administrationis malae, hoc est in casu provocationis, ejus sive personae sive partis, quae se gravatam conqueritur, p. 250. Vgl. ook 252, 257; Pol. Eccl. IV, p. 898-899.
7) Ne novem et peculiare regimen, aut pars aliqua integralis regiminis Ecclesiastici, quod singularis Ecclesiis jure divino competit, huic correspondentialibus tribuatur aut approprietur, p. 251. Daarmede komt overeen hetgeen hij op p. 252 schrijft: Ut proprium et peculiare Ecclesiasticae potestatis is quâque Ecclesiâ objectum sibi non vindicent etiamsi per hos aut illos offeratur; sed ad Ecclesias quasque remittant, earumque potestati in solidum relinquant. Per se enim ad ipsam non pertinet. Laat hij daarop volgen: sed tantum per accidens, in istis scil. casibus, cum in particulari Ecclesiâ non est sufficiens potestas; aut legitima et recta administratio; aut praesumitur mala administatio; Cum scil. fit provocatio a beo, qui gravatum se conqueritur, dan blijft de vraag, welke rechtsgrond voor het ingrijpen in die gevallen is, nu afgezien van eene appèl zaak. Bewijs uit de beginselen blijft ook daar uit.
8) Quandoquidem per Ecclesiam Potetas haec – directiva – collata est Ministris et Presbyteris (uti loquitur Nostra Catechsis de Clavibus Regni Coelorum Quaest. 85); utque per eandem in casu necessitatis et justis de causis auferri potest, aut saltem quod ad exercitium et Хρήσιν tantisper impediri. Ratio est; Quia per quem in Ecclesiasticis legitime quid confertur, applicando scil. Potestatem ad hanc aut illam personam; per eundem idem legitime aufertur; cum necssitas hoc ita postulat. Atqui populus Ecclesiasticus est per cujus legitimam electionem tum immediate per se, tum mediate in Synodrio ac per illud originaliter, huic aut illi personae Potestas applicatur.Quod si auxiliaris Potestas Ecclesiarum synodico vinculo coadunatarum hic succurrere nolit aut non possit, ipsa Ecclesia in casu necessitatis per se hoc agat. Sin ne hoc quidem fieri possit propter valida impedimenta, a Presbyterio illo aut Presbyteris secedat, uti tempore primae refomationis, et specialiter tempore turbantis in Belgio nostro factionis Remonstrantiae multis in locis factum, et legitime fieri potuisse ostendimus in Desper. Causâ papatus. Pag. 191.