18
nr. 34
20-05-1938

Het wezen der meerdere kerkelijke vergaderingen volgens Voetius (IV)

De meerdere kerkelijke vergaderingen zijn dus niet geïnstitueerde kerk in wezenlijk gelijken zin als de particuliere of plaatselijke kerken. En zij vormen niet een kerkelijk geheel, waarvan de plaatselijke of particuliere kerken afdeelingen zouden zijn. Ook is het niet zóó, dat de kerkelijke macht door Christus eigenlijk aan haar geschonken is, en van haar afdaalt op de plaatselijke kerken en kerkeraden. Met de macht der meerdere vergaderingen betreffende de kerken staat het „zóó dat deze macht en autoriteit van classes en synodes, uit afgevaardigden samengesteld: 1. niet betreft een bestendig bezit, maar slechts de uitoefening; 2. en wel niet absoluut is, maar beperkt; 3. niet als overheid maar dienend; 4. niet de hoogste is, maar lager, als we zien op alle afgevaardigde kerken of hare regeerende ambtsdragers, wanneer zij tegelijk samenkwamen en stemden; 5. niet oorspronkelijk, maar afgeleid en gedelegeerd; 6 niet zoozeer krachtens een praerogatief van jurisdictie, als wel van waardering en eerbied”.1

De meerdere vergaderingen bestaan dan ook uit afgevaardigden, door delegatie. „Een classicale vergadering bestaat uit afgevaardigden van kerken, eene provinciale synode uit afgevaardigden van classes, eene nationale synode uit afgevaardigden van provinciale of particuliere synoden”.2) En deze afgevaardigden komen daar niet krachtens hun ambt, maar ten gevolge van afvaardiging. De dienaren, schrijft Voetius, „komen echter tot de classisvergaderingen niet krachtens hun eigen ambt, of uit kracht van onmiddellijk recht, maar door het positieve recht, volgens de constitutie en afvaardiging van kerken”.3) Daar uit volgt, dat deze meerdere vergaderingen niet in wezen gelijksoortig zijn aan kerkeraden, maar daarvan in essentie onderscheiden zijn. Het is niet zóó, dat eene synode een grootere kerkeraad is, en de kerkeraad eener plaatselijke kerk slechts een kleinere, zonder essentiëel verschil. Want de kerkeraad bestaat en komt samen uit leden, die dat zijn en doen, krachtens hun eigen persoonlijke ambt. Zij worden niet ter kerkeraadsvergadering afgevaardigd en handelen daar niet tengevolge van zending of afvaardiging door anderen, maar zij verschijnen en handelen daar omdat zij dat ambt bekleeden, hetwelk het hunne is, als dienaar des Woords of als ouderling. Zij spreken en beslissen om zoo te zeggen in eigen ambtsnaam, krachtens hun predikantsschap of ouderlingschap. En hun ambt omvat de gansche gemeente, wier ambtsdragers zij zijn, en het betreft ook hun medeambtsdragers. Over al de leden dier gemeente, en over al die medeambtsdragers, hebben zij opzicht en gezag van Godswege. Maar ter classis en synode gaan zij niet krachtens hun ambt, doch omdat zij daarheen afgevaardigd zijn. Zij hebben in classicale en synodale vergaderingen geene zitting vi muneris sui aut immediati iuris divini, uit kracht van hun ambt of van onmiddellijk Goddelijk recht, al zijn zij ook ambtsdragers maar krachtens zending en machtiging van hunne kerken of classes of synodes. En deze geven hun eventueel ook instructies, hoe te handelen. Hun recht hoe te handelen en beslissen op die vergaderingen rust dan ook niet daarin, dat zij ambtsdragers zijn, maar dat recht hebben zij, omdat zij door hun kerken gezonden zijn en deze vertegenwoordigen. En dat hun recht van handelen wordt bepaald niet alleen door Gods Woord, maar ook door de onderlinge overeenkomst der kerken, de kerkorde, en eventueel door eene meegekregen instructie. Op de vraag, of een ouderling evenzeer als een predikant ter meerdere vergadering stemrecht heeft zoowel in alle zaken van leer, als in die van tucht, antwoord Voetius bevestigend, en zegt dan, dat zij „wel niet uit kracht van hun eigen ambt in zichzelf beschouwd, qua ouderling daar verschijnen en eene synode samenstellen. Want anders zouden allen daar zonder zending of afvaardiging moeten verschijnen, maar uit kracht van afvaardiging en opdracht eener kerk, die als laatste acte die synodale macht en het stemrecht specifeert en fundeert”. En hij geeft hiervoor dan twee argumenten, en wel allereerst: „omdat de predikanten ook geen synodaal recht hebben dan krachtens afvaardiging als naasten grondslag”. En dan ten tweede, „omdat eene kerk, hoewel zij de meest geschikten ter synode gezonden hebben te worden onder de dienaren des Woords vindt en zij uit dezen meestal of gewoonlijk de afgevaardigden neemt, toch iederen anderen geloovige, die naar haar oordeel geschikt is, afvaardigen kan, ook al staat hij niet in eenig kerkelijk ambt”.4)

Dr M. Bouwman zegt, dat Voetius eenzijdig op de delegatie als kenmerk van de meerdere vergaderingen den nadruk legt, Voetius over het gezag der Synoden, blz. 89, en tracht te betogen, dat de afgevaardigden ter classis of synode ook zitting hebben krachtens hun ambt, blz. 90-97. Maar de onjuistheid van zijne redeneering heb ik reeds aangewezen in „De Reformatie” van 16 Juli 1937. Hij beroept er zich op, dat Voetius ook spreekt van classisvergaderingen waar de geheele kerkeraden van de classiskerken zouden samenkomen. En dan was er immers geene afvaardiging. En deze ontbrak ook, wanneer eene kerk alleen eenen dienaar des Woords als ambtsdrager had. Deze kwam dan ter classis als dienaar des Woords, niet als gedelegeerde, blz. 90. Maar hij vergeet dan, dat ook in dat geval deze kerkeraadsleden en deze predikanten als stemhebbende leden ter classisvergadering zouden zijn en optreden niet qua ouderlingen en qua dienaren des Woords, zoodat b.v. ook ambtsdragers buiten die classis met keurstem daar zouden worden toegelaten, maar omdat zij als ambtsdrager in relatie stonden tot die of die kerk. Niet hun ambt, maar die verhouding tot hunne kerk was dan de basis van hun recht als stemhebbende leden ter classisvergadering werkzaam zijn. En dat zij dan geenen credentiebrief behoefden te vertoonen, had niet daarin zijne reden, dat zij ouderlingen of dienaren des Woords waren, doch alleen daarin, dat iedereen ter classis hen in hunne relatie tot die of die kerk wel kende, of dat er anders wel ambtsdragers ter classisvergadering waren, die daaromtrent getuigenis konden afleggen. Dat getuigenis zou dan voorts niet slechts moeten inhouden, dat zij ouderlingen of dienaren des Woords waren, maar ook, dat zij dat in of van die en die classiskerk waren. Vgl. ook wat ik te dezer zake schreef in „De Reformatie” van 31 Dec. 1937. Dit laatste geschiedde naar aanleiding van hetgeen Prof. Dr H.H. Kuyper geschreven had in „De Heraut” van 19 Dec. 1937. Bij zijn bespreking toch van de „Korte Verklaring van de Kerkenordening” van Ds J. Jansen had hij o.a. ook opmerkingen „van meer belang”. En eene daarvan was, dat Ds Jansen de stelling van Dr M. Bouwman, „dat de ambtsdragers qua talis lid eener meerdere vergadering kunnen zijn” bestreden had, en handhaafde, „dat aangezien op deze meerdere vergaderingen de kerken samenkomen, dit alleen door delegatie kan geschieden, al worden daartoe meest ambtsdragers gekozen”. (Het tusschen aanhalingsteekens geplaatste zijn woorden van Prof. Dr H.H. Kuyper). Hij voert daartegen dan soortgelijke argumenten aan als Dr M. Bouwman, en schrijft daarmede in verband: „De delegatie behoort dus niet tot het essentiëele van de meerdere vergadering, maar is accidenteel, omdat niet alle ambtsdragers aanwezig kunnen zijn”. Maar toen een paar maanden later de voortzetting der provisioneel gesloten Synode van Amsterdam van 1936, in zicht kwam en daarbij de vraag rees, of die geenen harer leden, die niet meer in het ambt stonden, nog als haar leden kon fungeeren, schreef hij in „De Heraut” van 6 Maart j.l.: „… hun mandaat of recht om op de Synode als afgevaardigde te verschijnen, rust toch niet op hun ambt, want dan zou iedere ambtsdrager mogen komen, maar op de delegatie door de vergadering, die hen afvaardigt. … Al moeten de Particuliere Synodes dus als regel naar het voorschrift in onze Kerkorde gegeven predikanten en ouderlingen naar de Generale Synodes afvaardigen, toch is het niet dit ambt maar de delegatie, die iemand tot een tot een wettig vertegenwoordiger zijner kerk maakt en kan daarom, zoo de omstandigheden dit meebrengen, ook een privaat persoon, die zelfs nooit een kerkelijk ambt bekleed heeft, wanneer hij bijzonder geschikt is, naar een Synode worden afgevaardigd. …” De delegatie, de afvaardiging, bepaalt het karakter der meerdere kerkelijke vergaderingen, of eventueel de relatie harer leden tot die of die classiskerk. Die meerdere vergaderingen zijn dus niet in aard of wezen kerkeraden, grootere kerkeraden, in vergelijking met die der plaatselijke of particuliere kerken essentiëel aan deze gelijk. En het argument, dat zij dat toch wel in Voetius’ gedachte moeten zijn, omdat hij er ook wel den naam presbiterium en synedrium voor gebruikt, heeft daarom geene kracht, omdat deze namen wel aangeven, dat er enige gelijkheid bestaat, maar niet, dat deze gelijkheid het wezen, den innerlijke aard, het eigenlijke karakter betreft. Synedrium is eigenlijk: samenzitting, en wijst dus op eene vergadering, maar laat den aard dier vergadering onbepaald. En prebyterium zegt, dat presbyters samen zijn, ouderlingen. Maar hoe zij daar vergaderen, uit eigen ambt, of krachtens zending door anderen, en welke hunne rechtsbevoegdheid is Goddelijke ambtsmacht, of slechts bevoegdheid krachtens menselijk zending, wordt door die woorden niet beslist. Wanneer diakenen eener plaatselijke kerk vergaderen en wanneer diaconieën leden afvaardigen, die in conferentie samenkomen, kunnen we beide deze samenkomsten diaconale vergaderingen noemen, of vergaderingen, samenkomsten, conferenties van diakenen. Maar uit dien gelijken naam voor beide volgt toch niet de gelijkheid van beider karakter, bevoegdheid, recht, Goddelijk gezag, in diaconale zaken.

Dit wezensverschil tusschen meerdere kerkelijke vergaderingen èn kerkeraden heeft betekenis ook voor de oefening der tucht. Elk kerkeraadslid, dienaar des Woords en ouderling, komt ter kerkeraadsvergadering krachtens zijn ambtsbekleeding in die kerk, welker raad vergadert, en niet vanwege delegatie of afvaardiging door anderen. Hij komt ter vergadering, en spreekt en oordeelt, handelt en beslist, uit eigen ambtsbevoegdheid, krachtens eigen ambtsbekleeding. En de macht tot oefening van censuur verkrijgt hij niet door die vergadering met zijn medekerkeraadsleden, doch bezit hij reeds tevoren, en heeft hij, omdat God hem met zijn ambt bekleedde. Die zit in dat ambt. Hij heeft die ook buiten vereniging met zijn mede-ambtsdragers-ouderlingen, en zonder vereeniging of vergadering met hen. De eenheid of verbinding en vergadering met zijn mede-kerkeraadsleden geeft hem geene ambtsrechten of ambtsbevoegdheden meer, dan hij krachtens zijne ambtsbekleding heeft. Al is het voor de goeden gang van zaken, en ter vermijding en voorkoming zoo mogelijk van alle willekeur menschelijke verkeerdheid in de ambtsbediening, gewenscht en noodig, dat ambtsdragers, indien eenigszins doenlijk, gezamenlijk en eenstemmig handelen. Het ambtsgezag van elk kerkeraadslid strekt zich uit over de gansche gemeente, wier ambtsdrager hij is, en over elk lid dier gemeente, ook over elk medekerkeraadslid. Daaruit volgt, dat wanneer de meerderheid van eenen kerkeraad in leer of leven zou afwijken, de minderheid recht en roeping van Godswege bleef hebben of houden, om, voorzoover dat nodig was, de meerderheid te censureeren, ook al ware die minderheid nog zoo klein, en zou zij maar uit één enkel lid gestaan. Naar de Kerkorde, art. 79, kan zij dat niet alleen doen, maar heeft zij het oordeel en de hulp van genabuurde kerken of classis noodig. Want alle machtsmisbruik en verkeerdheid van machtsoefening moet tegen gegaan en zooveel mogelijk verhinderd worden. Doch het gaat op dit oogenblik hier om wat van Godswege plicht en recht is, en roeping blijft, van elk kerkeraadslid, en van elke kerkeraadsminderheid, ook wanneer de meerderheid ontrouw wordt en in de leer of handel zich schuldig maakt. Het recht en de roeping tot eventueele censuur ligt in het ambt als zoodanig. Dat recht bezit dus elk ambtsdrager krachtens zijn regeerambt, en die roeping komt tot hem met en door Zijne ambtsbekleeding.5) Dat recht en die roeping ontvangt hij niet van zijne mede-ambtsdragers, noch door hunne gemeenschap, d.i. de gemeenschap met hen. Slechts in de uitoefening van zijne ambtsvervulling, ook bij eventueele censuur, komt de medewerking, raad en leiding zijner mede-ambtsdragers, en hunne bepaling, tusschenbeide. Maar deze betreffen zijne ambtsbediening, niet zijne ambtsbevoegdheid of ambtsroeping als zoodanig. En evenzoo hangt het ambtsrecht en de ambtsroeping van kerkeraad en kerkeraadslid niet aan de medewerking van genabuurde kerken en classis, doch slechts de bediening van het ambt, wat omstandigheden, wijze, enz. betreft. Men kan ook de vraag doen, op welke wijze de minderheid van de kerkeraad, en vooral wanneer die slechts uit twee leden, of uit één, bestaan zou, de censuur op de meerderheid zou kunnen toepassing, en dus effectief censureeren. Daarbij zouden zich groote moeilijkheden kunnen voor doen maar dat is eene vraag van macht, van practische uitwerking.6) Hier gaat het om de quaestie van recht, van plicht, van roeping van Godswege.

Daarin moet eerst helderheid verkregen worden. Daarna zou de geheel andersoortige vraag naar de uitvoering ter sprake kunnen komen. Maar deze kan slechts goed beantwoord worden, wanneer die van den Goddelijk ambtsplicht hare beantwoording naar de Heilige Schrift ontvangen heeft.7)

S. Greijdanus.

 

noten:

1) Ita ut potestas haec et autoritas classium aut synodorum ex delegatis constituarum sit: 1. Non quod ad perpetuam possessionem, sed quod ad exercitium tantum. 2. Et quidem non absoluta sed limitata. 3. Non magistralis sed ministerialis. 4. Non summa, sed inferior; si respiciamus omnes Ecclesias delegantes, earumne antecessores, si simul convenirent et suffragentur. 5. Non originalis, sed derivata et delegata. 6. Non tam ex praerogativa jurisdictiones, quam sestimationis et reverentiae, Pol. Eccl. ed. Rutgers, p. 252.
2) Conventus classicus constat ex delegatis Ecclesiarum parochalium; synodicus vero provincialis ex delegatis classium; synodicus nationalis ex delegatis synodorum Provincialium seu particularium, p. 253/254.
3) … non tamen ad eas – ad minores scil. synodes … quas districtuales seu classicas vocamus – veniunt – singuli ministri – vi muneris sui aut immediati juris divini; sed jure positivo, ex constitutione ac delegatione Ecclesiarum, p. 306.
4) Quaest. An seniori gubernantiaeque, ac concionatori jus suffragii, tam in causis doctrinae, quam disciplinae competat? Aff. Non quidem ex vi muneris sui in se spectati, ut senior quâ senior, ibi compareat et synodum. constituat; alioqui omnes absque ullâ missione aut delegatione illic comparere tenerentur: sed ex delegatione ac mandato Ecclesiae, quae tanquam ultimus actus specificat, ac fundat istam potestatem synodalem et jus suffragii decisivi. Quod ex duobus colligitur: 1. Quia ipsi concionatores synodale jus non habent nisi ex delegatione tanquam proximo fundamento …
2. Quia Ecclesia, quamvis mittendos ad synodum maxime idoneos inter ministros inveniat, et ex iis plerumque aut ordinario sumat, potest tamen quemvis alium ex fidelibus suo judicio idoneum delegare, licet munere nullo in Ecclesia fungentem, p. 306/307.
5) Natuurlijk niet los van de gemeente. Zijn ambt rust niet in zijn persoon, maar in de wettige roeping, maar heeft toch een eigen door God bepaald karakter, recht, en plicht, die evenmin door andere ambtsdragers, als door de gemeente, of door meerdere vergaderingen bepaald worden. „Want de roeping of verkiezing is niets anders dan de toekenning (eigenlijk: toepassing) van een ambt aan dezen of dien persoon”. (Est enim vocatio seu electio nihil aliud quam applicatio muneris ad hanc vel illiam personam) p. 185.
6) Voetius stelt de vraag, of de gemeente, of althans de meeste van hare stemmen in deze of die particuliere kerk, dienaren des Woords of den kerkeraad of een deel daarvan kunnen excommuniceeren. En hij antwoordt: „Omtrent een deel van den kerkeraad is er in het geheel geen twijfel aan, daar het grootste deel van den kerkeraad zich bij de gemeente aansluit en met zijne leidende macht haar voorgaat. Wanneer echter het grootste en beste deel van den kerkeraad hier zou terugtreden, zie ik niet met welke goede orde dit door de gemeente beproeft zou kunnen worden”. (Quaest. An Populus aut saltem potiora ejus suffragia in hâc aut illâ particulari Ecclesiâ excommunicare possint Ministros et Synedrium, aut partem ejus? Resp. 1. De parte Synedrii, minime dubium est; siquidem potior pars Synedrii Populo se jungat, et diretivâ sua Potestate illi praecat. Quod si major et melior Synedrii pars hic casset; non video quâ εύταξίρ per Populum hoc tentari possit). p. 188.
Met dit laatste ontkent Voetius ook dan het recht niet, doch spreekt hij over de goede uitvoerbaarheid. Dat is ook het geval, wanneer hij in de derde plaats zegt: „Omtrent het excommuniceeren van het grootste deel van den kerkeraad door de gemeente, wanneer één of twee ouderlingen of de minderheid voorgaat, schijnt het twijfelachtig en voor onderzoek vatbaar, Het schijnt mij veiliger, wanneer wij tot ontkenning neigen”. (3. De parte Synedrii majori excommunicandâ per Populum, uno atque altero ex Presbyterio aut minori hic praecunte; dubitandum et disquirendum videtur. Tutius mihi videtur, si inclinemus in Neg). p. 188. Voetius aarzelt daar dus, doch blijkens zijn tutius, veiliger, over de practische vraag van de mogelijkheid der uitvoering. Het recht ontkent hij niet.
7) Wanneer Prof. Dr H.H. Kuyper den zin mijner woorden in „De Reformatie” van 15 April j.l. weergeeft met te zeggen: „dat God de ambtsdragers in hun ambt heeft gesteld en dus geen Classis of meerdere vergadering deze ambtsdragers mag afzetten”, „De Heraut” van 1 Mei j.l. stuiten we hier weer op de droeve fout, het gevoelen van den tegenstander verdraaid voor te stellen. In bedoeld artikel ontken ik niet, dat ambtsdragers, omdat zij eene Goddelijke roeping hebben, afgezet mogen worden. En daarom is dit dus van Prof. Dr H.H. Kuyper geheel ten onrechte. Wanneer echter iemand zich ten aanzien zijner Goddelijke roeping schuldig maakt, is het toch niet aan iedereen, zonder onderscheid, geoorloofd, hem die roeping te ontnemen. Daarvoor heeft God óók weer aanwijzingen en regels gegeven, zoodat het de vraag steeds blijft, wie van Godswege tot die ontzetting geroepen is, en langs welken weg dat volgens Gods openbaring heeft te geschieden. Dat geldt ook ter zake van de schorsing en afzetting van ambtsdragers. Wie zijn eventueel van Godswege daartoe geroepen en op welke wijze moet het daarbij naar Zijn Woord toegaan? En daarom komt het ook bij schorsing en afzetting door Classis enz. aan op dat van godswege geroepene en gerechtigde.
Het bewijs daarvoor vereischt meer dan het aanvoeren van allerlei voorbeelden van het doen onzer Vaderen, en het bijeen brengen van verschillende hunner uitspraken, en het beroep op de hiërarchisch gestemde Fransche en Westminstersche Synoden e.d.g. Tot dat bewijs is nodig degelijk Schriftbewijs, beter dan onze Vaderen in dit opzicht geleverd hebben, en degelijke argumentatie uit de principia van het Gereformeerde kerkrecht (de leer der ambten, het wezen der meerdere vergaderingen enz.). En nu moge Prof. Dr H.H. Kuyper, om op eene goedkoope manier indruk te maken, beweren, dat er ten aanzien van deze quaestie is een „zoo dikwijls en zoo afdoende weerlegd, dat het eigenlijk vervelend wordt, er nogmaals op terug te komen”. Maar daartegenover staat het feit, dat de principiële vragen nog nimmer, noch door hem, noch door een ander, behoorlijk beantwoord zijn. Het Schriftbewijs voor het recht van classes enz. om ambtsdragers te schorsen en metterdaad af te zetten, is niet naar eisch geleverd. Haar recht en plicht daartoe is niet aangetoond uit de principia van het Gereformeerde kerkrecht. Het bewijs, dat het gedrag desbetreffend soms en bepaalde uitspraken dienaangaande, van onze Vaderen, voortvloeiden uit de door hen op kerkrechtelijk gebied gestelde grondbeginselen, is niet geleverd. Er is wat of veel uit de historie geconstateerd en geredeneerd. Maar principieele argumentatie en bewijsvoering bleef te veel uit. S.G.