18
nr. 33
13-05-1938

Het wezen der meerdere kerkelijke vergaderingen volgens Voetius (III)

Het kerkverband rust dus volgens Voetius op eene door God in Zijn Woord geopenbaarde verplichting, tot vervulling waarvan echter geene kerk eene andere van Godswege dwingen mag, èn op de vrije wederkeerige toestemming der kerken. Hier is van den kant der kerken onderling een „consensus mutuus”, eene wederzijdsche toestemming, en een „libere affectare” van de verbandsgemeenschap, d.i. een vrij zoeken om haar te verkrijgen. Voorafgaanden kunnen hierbij opvolgers niet met Goddelijk recht voor immer verplichten, zonder dezer vrijwillige en voorafgaande toestemming. „Een kerkeraad van eenige parochiale kerk kan slechts voor zich deze verplichting aangaan, niet voor zijne opvolgers, tenzij dezer gelijke en vrije toestemming volgt en tusschentreedt.”1) Daarmede is gegeven, dat het kerkverband zich de grenzen van zijne werkzaamheid ziet aangewezen, behalve in Gods Woord, in de overeenkomst, door de kerken bij die vrijwillige verbandssluiting onderling aangegaan, de kerkorde. Zij hebben geene macht over elkander dan door die wederzijdsche vrijwillige toestemming, waartoe zij elkander niet van Godswege dwingen mogen, en dus hebben zij geen macht over elkander dan voorzoover zij door die toestemming met elkander overeenkomen.

Daarin ligt opgesloten, dat de kerken ten aanzien van elkander, en daargelaten wat van Godswege al òf niet geoorloofd is, over en weer dezen band, in geval van nood, als de overeenkomst deerlijk geschonden wordt, mogen verbreken. En het oordeel over de vraag, wanneer zulk noodgeval zich voordoet, ligt uitteraard ter finale beslissing aan elke kerk of kerkengroep zelve. Voetius schrijft: „Bijaldien (door kerkelijke vergaderingen genomen besluiten) bevonden worden met Gods Woord te strijden, en eene kerk of eene correspondentie (d.i. kerkengemeenschap) goedkeuring en aanneming daarvan aandringt met toepassing van tucht, moet men de gemeenschap met die parochiale kerk, en bovendien met de classicale en synodale verbinding liever vrijwillig verlaten, of de uitsluiting uit hare gemeenschap met een kalm gemoed verdragen, dan dat wij tegen Gods Woord zouden in gaan, en de consciëntie wonden”.2) Op dergelijke wijze kan men natuurlijk niet redeneren ten aanzien van het huwelijk. En daarom kan men ook niet uit de onontbindbaarheid van het huwelijk, dat eveneens op wederzijdsche toestemming berust, en dat door Voetius ter vergelijking van het vrijwillige aangaan van kerkverband aangehaald wordt, afleiden, dat het kerkverband onlosmakelijk is, zoodat eene kerk dat niet zou mogen verbreken. Men ziet dan het verschillende karakter van het huwelijk en kerkverband over het hoofd. Wanneer twee zaken in eenig punt overeenkomen, volgt dit niet, dat zij in alle gelijksoortig zijn, zoodat men ook ten aanzien van andere punten de vergelijking mag door trekken. Het huwelijk sluit eene geheel andere verhouding der echtgenoten in, dan het werkverband tusschen de verbonden kerken. We hoeven maar alleen aan de quaesties van eigendom te denken.

 

Nu komt dan de vraag, wat dan door zoodanige vrije en wederzijdsche aaneensluiting of verbinding van kerken naar Gods Woord ontstaat? Wat is het wezen en karakter van zulk eene classicale en synodale kerkengemeenschap? Dat is eene vraag van groot belang. Want van het antwoord op haar hangt voor een aanmerkelijk deel af de bepaling van wat en hoe zij al òf niet doen en handelen mag. Ontstaat door die verbinding óók eene kerk, eene gezamenlijke classiskerk of synodekerk, van gelijksoortige aard als door vereeniging van geloovigen eene plaatselijke kerk gevormd wordt, dan mag eene classisvergadering en eene synode ook doen al wat een kerkeraad mag doen, en natuurlijk nog meer, omdat zij meer kerken omvat. Zij is dan ook zelve kerkeraad, doch alleen van meer kerken. En dan mag zij dus ook b.v. sacramenten bedienen, dienaren des Woords beroepen, door tuchttoepassing van het Avondmaal afhouden, ambtsdragers en gehele kerkeraden schorsen en afzetten, finantiëele bepalingen voor of over kerken vaststellen. Dr M. Bouwman beweert, dat volgens Voetius de classicale en synodale kerkengroepen ook geïnstitueerde kerken zijn evenals de plaatselijke kerken, van gelijken aard, en dat de classicale en synodale vergaderingen in wezen met kerkeraadsvergaderingen overeenkomen. Hij schrijft in zijn Voetius over het gezag der Synoden: „Ik concludeer dat volgens Voetius het geheel der synodaal verbonden kerken ecclesia instituta is; dat dus gesproken kan worden van eene nationale, provinciale en classicale kerk als instituut, waarvan de plaatselijke geïnstitueerde kerken deelen of afdeelingen zijn; en dat voorts ook de gezamenlijke ambtsdragers van dit instituut een corpus, een corporatieve eenheid vormen”, blz 714. Vgl. ook blz 71. En op blz 100 geeft hij als voorstelling van Voetius: „De synode is de grootere kerkeraad, de kerkeraad der plaatselijke kerk is de kleinere of plaatselijke kerkeraad”. En een weinig verder op dezelfde bladzijde zegt hij: „Alle kerkelijke vergaderingen, ook de classen en synoden vallen er onder” – n.l. onder de namen presbyterium en synedrium, door Voetius gebruikt – „en dit is alleen geoorloofd indien de meerdere vergadering en de kerkeraad hetzelfde karakter dragen”. Op blz 159 v. lezen we: „naar de opvatting van Voetius is er immers geen principiëel verschil tusschen de macht van den kerkeraad en de synode.” Vgl. ook blz 174.

Reeds in „De Reformatie” van 16 Juli 1937 heb ik gewezen, dat Dr M. Bouwman op dit punt Voetius geheel verkeerd heeft geïnterpreteerd en voorgesteld, en in „De Bazuin” van 5 Nov. 1937 daarbij uitvoeriger, dat hij hem ook gansch onjuist heeft gelezen en vertaald. Voetius ontkent juist ten stelligste, wat Dr M. Bouwman hier als zijne leer wil doen aannemen. En dit is geen punt, dat los op zichzelf staat, en verder voor het systeem van kerkrechtelijke beschouwingen en bepalingen geene betekenis heeft, doch integendeel betreft deze zaak het fundament. Op haar moet het verdere rusten. Is de voorstelling ter zake van het wezen of karakter der meerdere kerkelijke vergaderingen onjuist, dan deugt ook niet, wat men als conclusie daaruit afleidt voor het deswege geoorloofde of plichtmatige van het handelen der meerdere vergaderingen.

 

Wanneer Voetius in zijn Pol. Eccl. gaat handelen „Over de eenheid der kerken, en haar regeering in classis en synodes”, ed. Rutgers, p. 248, gaat hij eerst allerlei formeele questies van verschillende namen en omstandigheden bespreken. En daarna definiëerend zegt hij: „Eene classicale of synodale correspondentie is eene vaste verbinding van meer kerken onder bepaald regiment en correspondentie tot wederzijdschen opbouw en bewaring”.3) Dit vervolgens nader toelichtende, komt hij er op p. 251 toe, om den aard dezer kerkengemeenschap of „stata combinatio” nauwkeurig aan te geven zoowel positief, als voornamelijk negatief. En daarbij verwerp hij juist nadrukkelijk zoodanige eenheid, als Dr M. Bouwman hem als zijne leer toeschrijft. Hij schrijft daar, dat een vereischte bij die classicale of synodale verbinding der kerken is: „Opdat er slechts eene correspondentie of combinatie of confoederetie opgericht worde, niet eene bizondere of afzonderlijke (distincte) kerk, of vorm van eene wezenlijke, of ideëele of vertegenwoordigende, cathedrale, of dioecesane kerk enz., laat staan dat zij in eersten zin, eigenlijk, princpiëel kerk genoemd zou worden.”4) Vgl. hierbij mijn „Wederwoord” in „De Bazuin” van 5 Nov. 1937. Daarmede zegt Voetius duidelijk en beslist: De eenheid welke door die classicale en synodale verbinding der kerken ontstaat, is niet anders dan, is slechts, eene combinatie, eene verbinding, eene confoederatie, eene verbondsgemeenschap. Zij is niet eene bizondere of eigene, afzonderlijke, distincte, kerk, of de vorm van eene wezenlijke of ideële kerk, of van eene vertegenwoordigende of cathedrale kerk. Dit zijn termen, die aan de Roomsche en Anglicaansche beschouwing en wijze van spreken ontleend zijn, waarbij de kerken van een bepaald grondgebied als één geheel worden beschouwd, waarvan dan ééne als hoofdkerk geldt en heerscht, maar de andere ondergeschikt afdeelingen zijn. Zoo is het bij deze classicale en synodale verbinding van kerken niet, zegt Voetius. Maar ook zijn die classiskerken en synodekerken met elkaar niet eene kerk zoals eene parochiale of plaatselijke kerk: nedum ut primo, proprie, aut principaliter dicatur Ecclesia, d.w.z. het is verre van af, dat zulk eene classicale of synodale kerkengemeenschap in eersten zin, zooals eene particuliere kerk, of in eigenlijken zin, of op principiëele wijze, kerk genoemd wordt.

 

Wanneer Voetius wat verder op handelen gaat over bezwaren, tegen het kerkverband door hem uiteengezet, ingebracht, noemt hij eerst enkele punten, a parte nostrâ concessa, d.w.z. van onzen kant toegegeven. En als eerste noemt hij dan: „Dat de parochiale kerken in eigenlijke zin en door zichzelve kerken zijn; dat andere samenvoegingen als zij soms kerken genoemd worden, slechts bijkomstig en om iets anders dat zijn en zoo genoemd worden”.5)

Voetius wil er dus niet van weten, dat classiskerken te zamen, en kerken van een synodaal ressort met elkander, eene geïnstitueerde kerk zouden vormen, zooals een plaatselijke kerk zulk eene ecclesia instituta is. Hij verwerp die gedachte uitdrukkelijk en nadrukkelijk en herhaaldelijk. En de voorstelling dat kerken van eene classis of synode te zamen een geheel zouden vormen als ecclesia instituta, waarvan de plaatselijke geïnstitueerde kerken deelen of afdeelingen zouden zijn, druischt geheel tegen Voetius’ uiteenzetting in. De plaatselijke of particuliere of parochiale gaan voorop, zijn de eigenlijke kerken, de kerken in eigenlijken zin. Hij stelt de vraag, „of de parochiale kerk in orde van voortbrengende aard voorafgaat aan de classis, en hare constitueering en formatie aan de uiteengezette confoederatie, de instelling en uitoefening van de classicale correspondentie”. Hij antwoord: „Ja, zooals … de zaak die met eene andere vereenigd wordt, voorafgaat aan de eenheid, zoo moet er eerst eene kerk zijn, en een op zichzelf geordend en geformeerd bestuur van deze, voordat zij door betrekkingen naar buiten met andere in verband gebracht, en met deze in een collectief geheel medegeordend kan worden.”6) Daarna werpt hij de vraag op, „of de innerlijke en eigenlijke kerkelijke macht van eene particuliere kerk en (haren) kerkeraad in eerste en tweede waakzaamheid, in zijn en uitoefening, afhangt van de bestendige influenceering en veroorzaking van hare classicale of synodale verbinding, zooals de stralen van de zon, zooals de boom van zijnen wortel, zooals een stroom van zijne bron, zooals een huis van zijn fundament, zooals de gewaarwordingen en bewegingen der leden van het hoofd”. En hij antwoord daarop: „Neen, omdat die alleen van Christus afhangt op autocratische wijze, als het hooft en den wortel, en van Diens leden in dienende zin en wat de toepassing betreft; en dat dezen ook zijn het adaequate subject ervan.”7)

 

We zien, dit geeft eene geheel andere voorstelling dan die van een classicaal of synodaal geheel met deelen of afdeelingen. En wat de vergaderingen van classis en synode betreft, antwoord Voetius op de vraag, of en op welke wijze zij kerk zijn en genoemd kunnen worden, of zichtbare en particuliere kerken: „Eene kerk in het enkelvoud kunnen zij op eigenlijke wijze niet genoemd worden, maar overdrachtelijk, omdat zij de kerken vertegenwoordigen en zich aaneensluiten en handelen in die samenkomst alsof zij ééne kerk waren … Vereenigde of gecombineerde kerken worden zij genoemd in het meervoud, niet in eersten zin en onmiddellijk, maar in tweeden zin en op middellijke wijze, door afvaardiging namelijk, omdat er eenigen door de kerken gedelegeerd zijn, in wie en door wie de afgevaardigende kerken daar begrepen worden samen te komen en te handelen, en aldus metterdaad hare correspondentie uit te oefenen.”8)

 

Elke particuliere kerk is in zichzelve kerk, en heet zoo, en is het eerste en eigenlijke subject van de kerkelijke macht, evenals ieder mensch het subject is van zijn kenvermogen. Voetius stelt ook de vraag: „Of de dienaren alleen, hetzij afzonderlijk genomen, hetzij tezamen, d.i. samenkomsten van de dienaren eener synode, en classes, die uit afgevaardigden van kerken bestaan, hetzij alleen de dienaren, of ook de ouderlingen (het onmiddellijke en eerste subject der kerkelijke macht zijn), op die wijze, dat die macht vandaar afvloeit naar alle particuliere kerken en hare kerkeraden?”9) En zijn antwoord is: „Ik ontken dat. Want zoover is het er van af, dat ik meenen zou, dat die kerken uit die samenkomsten als eerste samen stellende krachten (eigenlijk: beginselen) ontstaan, en alle hare macht vandaar medegedeeld wordt, en ten laatste op die afgevaardigden uiteengaat, en zelfs noodzakelijkerwijs in haar ontstaan en hare actie van hen afhangt, dat ik veeleer het tegendeel vaststel.”10)

S. GREIJDANUS.

 

noten:

1) Synedrium alicujus Ecclesiae parochialis tantum potest pro se obligare: non pro successoribus; nisi succedente et intercedente simili et libero horum consensu, Pol. Eccl. Ed. Rutgers, p. 288.
2) Quod si verbo Dei repugnare deprehendantur , et Ecclesia aut correspondentia approbationem ac receptionem eorum urgeat disciplinaliter; sponte deserenda est communio Ecclesiae istius parochialis, insuper combinationis classicae ac synodicae, aut exclusio ab illarum communione aequo animo ferenda et potius, quam ut repugnemus verbo Dei, et conscientiam vulneremus, p. 253.
3) Classicalis seu synodalis correspondentia est stata combinatio plurium Eccesiarum sub certo regimine et correspondentia ad mutuam aedificationem et conservationem, p. 250.
4) Ut erigatur correspondentia seu combinatio et confoederatio tantum, non peculiaris seu distincta Ecclesia, aut forma Ecclsiae virtualis, aut idealis, aut representitativae, aut cathedralis, aut dioecesianae, etc. nedum ut primo, proprie, aut principaliter dicatur Ecclesia, p. 251.
5) Ecclesias parochialis proprie et per se esse Ecclesias; alias conjunctiones, si quae Ecclesiae dicuntur, non nisi per accidens aut per aliud tales esse et dici, p. 256.
6) Probl. An Ecclesia parochialis ordine naturae generantis praecedat classem; et illius constitutio, ac formatio explicitam confoederationem, et excercitium correspondentiae classicae. Resp. Aff. Ut … res quae unitur cum alia suam unionem, sic debet prius esse Ecclesia, ejusque ordinatum et formatum regimen in se, antequam extrinsecâ relatione ad alias possit referri et in toto collectivo cum iis coordnari, p. 285/286.
7) Probl. An intrinseca et propria potestas Ecclesiastica Ecclesiae et presbiterii particularis dependeat in actu primo et secundo, in esse et in excercitio a perpetuo influxu et causalitate combinationis classicae aut synodicae, ut radii a sole, ut arbor a radice,ut fluvius a fonte, ut domus a fundamento, ut sensus et motus membrorum a capite. Resp. Neg. quia pendet a solo Christo autocratice, tanquam capite et radice, et a membris istius ministerialiter, et applicative; quae etiam sunt potestatis istius subjectum adaequatum, p. 286.
8) Probl. An et quomodo classici aut synodici sint et dici possint Ecclesia, aut Ecclesiae visibiles et particulares. Resp. 1. Ecclesia una in singulari nemero proprie dici non possunt; sed tropice, quia repraesentant Ecclesias, et associantur et agunt in illo coetu quasi Ecclesia una … 2. Ecclesiae unitae sue combinatae (in plurali numero) dicuntur, non primo et immediate, sed secundo et mediate, per delegationem scil; quia sunt aliqui Ecclesiis delegati, in quibus et quos Ecclesiae delegantes intelliguntur ibi convenire et agere, et sic actualiter suam corrsepondentiam exercere. p. 286.
9) … Quod Ecclesia quaelibet particularis per se sit, et dicatur Ecclesia, et consequenter primum ac proprium subjectum sit Potestatis Ecclesiasticae; non minus quam homo quilibet est subjectum facultatis intelligendi, p. 183.
10) Quaest. An soli Ministri sive seorsim considerati, sive collectim, h.e. conventus Ministrorum Synodi scil, et Classes constantes ex delegatis Ecclesiarum, solis scil. Ministris, aut etiam Senoribus (immediatum et primum subjectum Potestatis Ecclesiae sint); ita ut inde Potestas in particulares quasque Ecclesias, earumque Consistoria deriveur? Resp. Neg. Tantum enim abest, ut Ecclesias ab illis coetibus oriri tanquam primis principiis constituentibus, omnemque earum Potestatum inde communicari et in Delegatos illos revolvi, atque adeo neccessario ab iis in ortu et actu suo dependere putem: ut potius contrarium statuam, p. 182/183.