18
nr. 29
15-04-1938

Het nieuwe Kerkrecht in de praktijk

Dezer dagen zag een aantal Kerkeraadsleden in zekere Kerk van onze Gereformeerde Kerken in Nederland zich het volgende schorsingsbesluit toegezonden.

 

„Classis ….…… der ….…, 8 April 1938.
Gereformeerde Kerken.
Den (Wel)Eerw. Heer ……….………
Dien. des W. (Ouderling) der
Geref. Kerk van ….………… 

Waarde Broeder,

De Classis ……. der Gereformeerde Kerken, bijeen in vergadering op 8 April 1938;
geconstateerd hebbende, op grond van de uitgebrachte rapporten der daartoe benoemde commissie, dat de Kerkeraad der Gereformeerde Kerk van …….. zich in de jaren 1934/37 heeft schuldig gemaakt aan wanbestuur in zijn regeering;
geconstateerd hebbende, dat U, …….., Dien. des Woords (ouderling), lid van den Kerkeraad, hebt geweigerd dit wanbestuur voor de vergadering der Classis te erkennen (welk wanbestuur intusschen door de minderheid des Kerkeraads met leedwezen werd erkend), waardoor de mogelijkheid is afgesneden, zoolang gij in deze weigering volhardt, dat gij den weg kunt bewandelen om de zonde uit het midden van den Kerkeraad weg te doen;
heeft met droefheid besloten U te schorsen in Uw ambt als Dienaar des Woords (ouderling) der Gereformeerde Kerk van ….…, met ingang van heden, voorloopig voor den tijd van drie maanden, zoodat gij U hebt te onthouden gedurende dien tijd van elke uitoefening van Uw ambt (zoowel in de Kerk van ….…, als in alle Kerken, waarmede de Kerk van ….…, in een kerkverband leeft, t.w. de Gereformeerde Kerken in Nederland);
met de bede, dat deze maatregel U moge brengen tot verootmoediging en inkeer.

Met heilbede en broedergroeten,

Namens de Classis ....………. …………, Praeses.
…………, 1e Scriba.”

 

De Kerkeraad dezer Kerk is hierbij uitgeschakeld.

De Classis besluit, handelt, schorst uit eigene machtsbevoegdheid.

De Classis beschikt oppermachtig.

De Classis zendt eenen Dienaar des Woords, die in deze Kerk zal moeten optreden.

De Classis zal voor de Catechisaties zorgen.

Over deze Kerk en over dezen Kerkeraad besluit en heerscht deze Classis souverein.

Ziet daar dus het nieuwe, als Gereformeerd voorgestelde, Kerkrecht in de praktijk.

Is dat niet louter hiërarchie?

Is dat geen bloot menselijke willekeur?

De Kerkorde kent zulk handelen niet.

Dat werd op de Classisvergadering ook erkend.

En de Kerkorde is toch grondslag voor het Kerkverband.

Maar komt het, wanneer het gaat om betoon van kerkelijke macht, niet aan op Kerkorde en grondslag van Kerkverband?

Mag dan gehandeld worden naar wat deze of die zegt, en ergens te lezen mag zijn?

Waar gaat het met onze Gereformeerde Kerken heen bij zulk een hiërarchisch stelsel?

Worden zoo de Kerken niet overheerscht, en verscheurd, en verwoest?

God riep deze Kerkeraadsleden tot hun ambt, en stelde hen in de bediening daarvan, zij het ook door bemiddeling van Kerkeraad en Gemeente.

Wie heeft deze Classisleden der andere Kerken geroepen als vrijmachtige beschikkers over deze Kerkeraadsleden en over deze Kerk op te treden?

Niemand hunner ontving eene Goddelijke roeping in die Kerk, of staat bij haar in het ambt.

Hebben we hier iets anders dan menschelijke aanmatiging en overheersching van ’s Heeren Kerk en van door Hem in het ambt gestelde Kerkeraadsleden?

***

In deze Kerk waren reeds sinds jaren moeilijkheden. Classis en Particuliere Synode kwamen er bij te pas.

Nu eens werd de Kerkeraad, dan de Classis, terecht gewezen.

Er lagen en liggen ook brieven van appèl van den Kerkeraad of van Kerkeraadsleden op de aanstaande Particuliere Synode.

Nu bracht weer eene Classiscommisie rapport uit, en kwam met voorstellen.

De Kerkeraadsleden der betreffende Kerk werden ter Classisvergadering gedaagd.

Van hen zou verlangd zijn, hun appèl op de a.s. Particuliere Synode terug te nemen.

En van hen zou individueel geëischt zijn te verklaren, dat zij als Kerkeraad of als leden van dien Kerkeraad, zich schuldig gemaakt hadden aan wanbestuur in de Kerkregeering;
dat daarbij opzettelijkheid in het spel was;
dat gehandeld was naar tweeërlei maatstaf;
dat er onbekwaamheid was.

Deze eisch werd zelfs gesteld aan één, die eerst enkele weken in het ambt staat, tevoren nog niet in het ambt diende, en voorzoover dus aan het in 1934-1937 door den Kerkeraad gedane geenerlei deel had.

De Classis achtte dus blijkbaar niet te mogen volstaan met de eventuele vordering van erkentenis van scherp omschreven mogelijke fouten, en met den eisch van eventueel redres en van beterschap.

De meerderheid van den Kerkeraad verklaarde, deze geëischte erkentenis niet te kunnen afleggen.

„Opzettelijkheid” toch spreekt van opzet, en hier dus van kwaad bedoelen, van innerlijke, welbewuste oneerlijkheid, en dus van gruwelijke krenking van Gods recht ten aanzien Zijner Gemeente.

De minderheid werd later tot zekere erkentenis gebracht.

Heeft de Classis niet ingezien, dat zij vorderde, wat zij in geen geval eischen mocht?

Zij kan toch niet over het hart der geschorste Kerkeraadsleden oordelen?

Moge deze Kerkeraad soms foutief gehandeld hebben, waarover hier niet geoordeeld en beslist kan worden, hoe weet dan deze Classis, tegen de ontkenning dezer mannen in, dat zij opzettelijk verkeerd gehandeld hebben?

Gaat deze Classis aldus niet feitelijk zitten in den aan geen mensch veroorloofden rechterstoel, om ook over het hart te durven oordelen?

Om de weigering dezer erkentenis zijn nu bedoelde Kerkeraadsleden geschorst, en hebben zij boven medegedeeld schorsingsvonnis thuis ontvangen.

Aan de vrucht kent men den boom.

Doet deze praktijk niet duidelijk zien, dat het nieuwe Kerkrecht niet deugt?

S. GREIJDANUS.