85
nr. 45
05-11-1937
Wederwoord (II) «  

 

Wederwoord (III)

En nu dan de quaestie der Voetiusinterpretatie door Dr M. Bouwman. Reeds in mijn Reformatie-artikel van 16 Juli j.l. wees ik er op, dat Dr M. Bouwmans betoog, dat de afgevaardigden ter meerdere kerkelijke vergadering óók ambtshalve, en niet enkel krachtens afvaardiging of vertegenwoordiging zitting zouden hebben, eene vergissing was, en dat zijn betoog, dat dit toch ook door Voetius, die over zulk een ambtshalve daar zitting hebben niet spreekt, geleerd zou worden, geen steek houdt. En daarmede ook zijn betoog, dat er essentieel geen verschil zou zijn tusschen eene klassikale en synodale vergadering met eene kerkeraadsvergadering. 

Toch zijn dit punten in de quaestie van het gezag der meerdere vergaderingen en van Voetius’ leer desbetreffend, van fundamenteele betekenis, zodat zelfs, wanneer Voetius elders op een ander punt te dezer zake iets schrijft of gedaan heeft, dat schijnbaar of wezenlijk daarvan afwijkt, onderzocht moet worden, althans in eene studie, die over zijne voorstelling van de macht der meerdere kerkelijke vergaderingen gaat, of hij dan wel zijne als grondslag gelegde beginselen vasthoudt, òf daarentegen die loslaat. 

Doch nu schrijft Dr M. Bouwman in zijn dissertatie te dezer zake: „Al legt Voetius dus eenzijdig den nadruk op de delegatie als kenmerk van de meerdere vergaderingen. Zoo wil Voetius daarmee volstrekt niet zeggen dat het ambt, hetwelk de leden ervan in den regel bekleeden, van geen principieele beteekenis is. Met het ambt houdt Voetius wel degelijk rekening.” blz. 89. Dit betoogt hij dan nader, zonder er blijkbaar mee te rekenen, dat het ambtshalve of krachtens het ambt ter vergadering zitting hebben, iets anders en meer zegt en insluit, dan dat het ambt ten aanzien van meerdere kerkelijke vergaderingen van beteekenis en van principieele beteekenis is, en dat ten aanzien van die vergaderingen met het ambt rekening gehouden wordt. Zal een onderwijzer aan eene school benoemd worden, dan is, althans in ons land, van beteekenis , en wel van principieele beteekenis, dat hij de vereischte onderwijzersacte behaald hebbe, en houdt men met het bezit òf niet-bezit van die acte bij eene benoeming terdege rekening. Maar slechts door die benoeming wordt hij onderwijzer aan die bepaalde school, en krachtens die benoeming of aanstelling geeft hij les aan die school, op die benoeming rust zijn recht evenals zijn plicht om aan die bepaalde school te onderwijzen.

Na zijn genoemde betoog zegt Dr M. Bouwman dan op blz. 95: 

„Wanneer Voetius in zijn definitie van de Synode het moment van het ambt niet vermeldt en slechts de delegatie noemt, geschiedt dit in hoofdzaak om de Independenten duidelijk te maken dat er tusschen de leden der synode en de ambtsdragers-niet-leden der synode geen verschil in ambt bestaat, en de eersten dus geen bisschoppelijke waardigheid bezitten.”

Daar zien we, hoe Dr M. Bouwman met Voetius te werk gaat. Voetius maakt wel geene melding van het ambtshalve zitting hebben der leden van eene meerdere kerkelijke vergadering. Hij legt „eenzijdig den nadruk op de delegatie”, blz. 89. Maar hij moet dat toch ambtshalve leeren. Daarvoor ten bewijze moet nu strekken, dat Voetius niet zegt, dat het ambt inzake die meerdere vergaderingen principieele beteekenis mist, en dat hij met het ambt wel rekening houdt. Is dat Voetiusinterpretatie, of is dat wringing van wat Voetius metterdaad zegt of leert, en daarmede verwringing, om hem toch maar te laten zeggen, wat Dr M. Bouwman meent, dat betreffende zittingsrecht ter meerdere kerkelijke vergadering het juiste is? Loutere mededeling, objectieve voorstelling van hetgeen Voetius in dezen leert, is het in elk geval niet.

En wat de verklaring betreft, dat Voetius van dat ambtshalve geen melding zou maken om de Independenten, zij is toch wel wat onnoozel, en mist alle kracht van bewijs. Want immers, dat ambtshalve, dat recht tot zitting ter meerdere vergadering, bezaten dan alle ambtsdragers in alle de kerken van een classicaal of synodaal ressort evenzeer en gelijkelijk. Daarin was dan tusschen hen geenerlei verschil. Wat verschil bracht, was de delegatie. Daardoor kon het dan den schijn krijgen, dat de afgevaardigde ambtsdragers iets hoogers waren dan hunne niet-ter-vergadering afgevaardigde medebroeders in het ambt, En dan had Voetius dus naar deze beschouwing juist zich moeten wachten om van de delegatie melding te maken, doch daarentegen allen nadruk moeten leggen op dat ambtshalve, wanneer hij werkelijk meende, dat het zitten ter meerdere vergadering óók ambtshalve geschiedde, en wanneer hij inzake het zittingsrecht eenige verkeerde redeneering van Independenten wilde voorkomen.

Evenwel beroept Dr M. Bouwman zich ook op eene uitspraak van Voetius. Hij schrijft: „Voor Voetius berust wel degelijk de synodale bevoegdheid der synode-leden mede op hun ambt: Idem faciunt plures ministri non tantum unius, sed et diversarum ecclesiarum, et seorsim et collectim ex authoritate tum vocationis suae, tum specialis delgationis in classe aut synodo”, blz. 95. Maar wat bewijst dat voor het ambtshalve zitting hebben ter meerdere vergadering? Een onderwijzer geeft aan een school les op grond van zijn onderwijzersacte en krachtens aanstelling aan die school. Miste hij die acte, dan mocht hij niet benoemd zijn, en mocht hij dus ook geen onderwijs aan die school geven. Maar zijne aanstelling geschiedde niet krachtens die acte, want anders zouden allen, die gelijke acte hadden, aangesteld moeten worden. Dr M. Bouwman onderscheidt niet voldoende. Bij het ambtshalve gaat het om den grond van zitting-hebben ter meerdere vergadering, om het recht niet ter mogelijke afvaardiging naar eene meerdere vergadering, maar om het recht van zitting-nemen en als stemhebbend lid daar te functionneeren. En nu zegt Dr M. Bouman, dat het zitting-hebben en als stemhebbend lid werkzaam zijn ter meerdere vergadering niet alleen krachtens afvaardiging en vertegenwoordiging geschiedt, maar óók krachtens het ambtsdrager zijn. Maar Voetius handelt in deze van hem aangehaalde woorden niet over de vraag, op welken grond de leden ter meerdere vergadering zijn, alleen krachtens afvaardiging, of ook tevens ambtshalve, krachtens hun ambtsdrager zijn, maar hij spreekt over de autoriteit, krachtens welke die afgevaardigden ter meerdere vergadering handelen. En dan stelt hij terecht hunne vocatie naast hunne delegatie. Want die afgevaardigden zijn ambtsdragers — althans in den regel — en laten hunne ambt niet thuis als zij ter vergadering trekken, en missen hun ambt niet als zij daar zijn, doch moeten integendeel zich ter vergadering geheel laten leiden in spreken en doen door hunne ambtsroeping. Ambtsdragers zijn zij ook als zij ter vergadering zijn, en hebben als zoodanig te handelen. Maar ter vergadering zijn zij uitsluitend krachtens afvaardiging of vertegenwoordiging. 

Dr M. Bouwman geeft dus in dit geval geene zuivere Voetiusinterpretatie, maar tracht Voetius als verdediger aan te voeren voor zijn eigene bewering van het ambtshalve, hoewel Voetius dat juist niet leert!

***

Een ander geval.

Reeds in mijn artikel in De Reformatie van 16 Juli heb ik tevens aangewezen, dat Dr M. Bouwmans betoog om Voetius te laten leeren, dat classes en synodes ook geinstitueerde kerken zijn, ecclesiae institutae, gewrongen en niet juist is en dat zijne bestrijding van Dr. F.L. Rutgers te dier zake niet opgaat. Ik wees er op, dat Dr. M. Bouman de woorden, door Voetius voor de verbinding van kerken in classes en synodes gebezigd, in twee groepen indeelt, daarna alleen met de tweede groep rekent, met verwaarlozing van die der eerste groep.Ik zeg dan, dat om den zin der tweede groep namen recht te verstaan, die der eerste nimmer uit het oog verloren mogen worden. De woorden der tweede groep zijn: unio, concorporatio, communitas, societas, unitas, ecclesia. Van deze reeks, in onderscheiding van de eerste (correspondentia, combinatio, communio, conjunctio, confoederatio, collectio, associatio, consicatio) schrijft hij dan: „daarentegen lijkt het veelvuldig gebruik van de laatste reeks” — n.l. unio, concorporatio enz. — „mij ongemotiveerd, indien volgens Voetius van zulk een eenheid in institutairen zin geen sprake zou kunnen zijn. Deze namen wijzen m.i. beslist in de richting dat hij het geheel der synodaal gebonden kerken opvat als een kerkrechtelijke, corporatieve eenheid, zoals ook de plaatselijke kerk een eenheid is in institutairen zin,” blz. 71. 

Men ziet het, Dr M. Bouman heeft eene bepaalde opvatting van den zin der woorden unio enz., en van Voetius’ bedoeling er mee, en van de onbelangrijkheid der andere woorden te dezer zake, correspondentia enz., en nu moet de juistheid dier opvatting betoogd worden. Evenwel kom het er eerst op aan te weten, wat de zin der woorden unia enz. bij Voetius ten aanzien van het kerkverband is, zonder dat men reeds van te voren de andere, correspondentia enz., als hier van geene beteekenis uitschakelt.

Nu gaat Dr M. Bouwman dan vervolgens allerlei woorden en uitdrukkingen en zinnen van Voetius bespreken, om te betoogen wat hij ten laatste formuleert: „Ik concludeer dat volgens Voetius het geheel der synodaal verbonden kerken ecclesia instituta is”, blz. 74.

Men zou evenwel verwacht hebben, en ook mogen verwachten, dat hij hierbij ook besproken had, en wel als in de eerste plaats, eene uitspraak van Voetius, die hier niet alleen onbesproken mag blijven, maar eene hoofdplaats bij het onderzoek moet hebben vanwege het licht, dat zij op Voetius’ bedoeling met deze unio en ecclesia enz. werpt. Na zijn positief betoog te dezer zake echter, blz.68-74, gaat Dr M. Bouwman over tot een polemisch deel, om de opvatting van Dr F.L. Rutgers e.a., die eene tegengestelde voorstelling geven, te bestrijden, blz. 74-84. En daar haalt hij wel bedoelde uitspraak ten deele aan, maar geeft er eene geheel verkeerde interpretatie van, blz. 78.

Voetius noemt n.l. een aantal Requisita op ten aanzien van de verbinding van kerken in kerkverband tot classes en synodes, om daarvan aard, strekking, gevolg, doel enz. aan te geven. En als vijfde requisitum schrijft hij dan:

„5. Ut erigatur correspondentia seu combinatio et confoederatio tantum, non peculiaris seu distincta Ecclesia, aut forma Ecclesiae virtualis, aut idealis, aut representativae, aut cathedralis, aut dioecesianae etc., nedum ut primo, proprie, aut principialiter dicatur Ecclesia, Pol. Eccles., ed. Dr F.L. Rutgers, pag. 251. Dat is moeilijk in duidelijk Hollandsch nauwkeurig weer te geven. Maar letterlijk vertaald zegt het: „Opdat er slechts eene correspondentie of combinatie of confoederatie opgericht worde, niet eene bizondere of afzonderlijke (distincte) kerk, of vorm van eene wezenlijke, of ideëele, of vertegenwoordigende, of cathedrale, of dioecesane kerk enz., laat staan dat het in eersten zin, eigenlijk, principieel kerk genoemd zou worden.”

We zien dat Voetius hier de verbinding van kerken in classes en synodes als definieert. En dat hij dan tegenover elkander stelt: correspondentia, combinatio, confoederatio eenerzijds, en ecclesia, kerk, anderzijds, om te zeggen, dat die kerk-verbinding niet kerk in eigenlijken zin is, maar slechts correspondentie enz. Dat hij voorts juist die woorden hier stelt als het wezen dier verbinding uitdrukkend, welke Dr M. Bouwman als daarvoor geene beteekenis hebbende ter zijde laat. En zegt Dr M. Bouwman, dat de woorden unio enz. hem ongemotiveerd voorkomen, „indien volgens Voetius van zulk een eenheid in institutairen zin geen sprake zou kunnen zijn,” blz. 71, dan blijkt uit deze uitspraak van Voetius niettemin, dat hij toch juist van zulk een eenheid, „zooals ook de plaatselijke kerk een eenheid is,” blz. 71, bij deze verbinding van kerken niet weten wil. Wat dus Dr M. Bouwman als te dezer zake leer van Voetius voorstelt en tracht te betoogen, zegt Voetius zelf hier uitdrukkelijk, dat juist door die verbinding van kerken in classes en synodes niet tot stand komt. Voetius zegt hier verder, dat men deze verbinding in classes enz. wel kerk moge noemen, doch dat zij niet in eigenlijken zin, in principiëelen zin, in eersten zin kerk is, m.a.w. niet in den zin eener plaatselijke, particuliere kerk. Dus mag men ook zijn spreken van classicale, synodale, nationale kerk niet opvatten noch voorstellen, alsof hij zulk eene kerkenverbinding beschouwen zou als eene eenheid „zooals ook de plaatselijke kerk een eenheid is in institutairen zin.” Die verbinding is volgens Voetius’ duidelijke verklaring hier, naar zijne meening niet kerk primo, proprie, principaliter zoo genoemd, doch slechts correspondentie, combinatie, confoederatie. En Voetius handelt hier ook niet over classicale en synodale vergaderingen, vgl. de dissertatie van Dr M. Bouwman, blz. 76, doch over de verbinding der kerken zelve, over die kerken in zoodanige verbinding. niet maar over hare samenkomsten of vergaderingen door eenige afgevaardigden. 

Nu zeide ik reeds, dat Dr M. Bouwman deze uitspraak van Voetius toch wel aanhaalt, zij het ook slechts ten deele, maar dat hij dat niet doet in zijne positieve uiteenzetting, waarin zij de eerste plaats had moeten innemen, maar in zijn tweede, polemische deel, waarin hij de andere voorstelling dezer zaak van Dr F.L. Rutgers e.a. als onjuist tracht aantetoonen, en dat hij dan van deze woorden van Voetius eene verkeerde interpretatie geeft. Hij schrijft toch op blz. 78: „Hij wil dat er slechts een confoederatie van kerken opgericht wordt, en niet een peculiaris seu distincta ecclesia aut forma ecclesiae virtualis, aut idealis, aut representativae, aut cathedralis, aut dioecianae etc”; vgl. ook blz. 151.

Hij laat hier dus juist weg de beteekenisvolle woorden: „nedum ut primo, proprie, aut principialiter dicatur Ecclesia” = laat staan, dat zij in eersten zin, op eigenlijke wijze, principieel kerk genoemd zou worden. Daarmee had de onjuistheid van zijne oppositie hier tegen de meening van Dr F.L. Rutgers terstond aan het licht kunnen komen.

Doch Dr M. Bouwman geeft dan na dit citaat terstond aan, wat Voetius met die woorden z.i. zegt. Hij schrijft n.l. vervolgens, terstond na de woorden der aanhaling: „m.a.w. hij wil niet dat bij het aangaan van de synodale verbinding één plaatselijke kerk als hoofdkerk boven de andere verheven wordt, met verlies van de zelfstandigheid dezer kerken, zoodat zulk een diocesaan- of cathedraalkerk primo proprie aut principialiter kerk genoemd wordt.” Maar daarvan staat in deze uitspraak van Voetius wat den zin betreft, niets. Dat is eene geheel foutieve weergave van wat Voetius hier metterdaad zegt. Voetius heeft het hier niet over ééne kerk tegen over de andere van een classicaal of synodaal ressort, over de onderlinge verhouding dier kerken, maar over die kerken te zamen en als eenheid. En van die eenheid, verbinding, dus van alle kerken te zamen in classicaal of synodaal verband gecombineerd, zegt hij, dat zij geen bijzondere (peculiaris) noch afzonderlijke (distincta) kerk vormen, noch den vorm hebben van eene virtueele of wezenlijke kerk, noch die van een ideëele, noch die van een vertegenwoordigende, noch die van eene cathedrale,noch die van een dioecesane kerk. Wanneer de weergave van Dr M. Bouwman goed had kunnen zijn, zou er zoo iets hebben moeten staan als: „ne evehatur una Ecclesia ut cathedralis aut dioecesiona super omnes alias Ecclesias.” Maar dat staat er eenvoudig niet. En het mag ook onverklaarbaar heten, dat Dr M. Bouwman zoo iets in deze woorden van Voetius gelezen heeft. Hij schijnt „peculiaris seu distincta Ecclessia” niet op ééne lijn te plaatsen met correspondentia enz. als affect van het erigi, maar pec. s. dist. Eccl. op die wijze als subject van erigatur te nemen, dat „forma Ecclesiae virtualis… dioecesianae” het praedicaatsnomen, het effectieve gevolg wordt, wat echter op geenerlei wijze mogelijk is. Met de woorden „virtualis aut idealis” weet hij bij zijne opvatting ook blijkbaar geenen raad, daar hij ze onvertaald laat, om slechts van „diocesaan- of cathedraalkerk” te spreken. Want natuurlijk werd zulk eene eventueel aldus tot diacesaan- of cathedraalkerk verheven classiskerk of synodale kerk, daardoor niet eene Ecclesia virtualis aut idealis, eene wezenlijke of ideale kerk, maar was zij reeds tevoren eene wezenlijke kerk. In haar wezen veranderde zij met zulk eene eventueele verheffing niet. Doch ook is erigatur hier niet = verheffen, hooger doen oprijzen, boven iets anders doen uitsteken, maar = dat iets, hetwelk niet bestaat, tot stand gebracht wordt. Ook wijst evenzeer het nedum enz. aan, dat Voetius hier niet handelt over de verhouding van ééne der in de classis of synode verbonden kerken tot de andere, maar van de combinatie of verbinding zelve van al die kerken, welke verbinding of combinatie van kerken niet in eersten zin, primo, noch in eigenlijken zin, proprie, noch in principieelen zin, principialiter, kerk genoemd kan worden. Het is dus geheel fout, wanneer Dr M. Bouwman, blz. 71 schrijft dat Voetius „het geheel der synodaal verbonden kerken opvat als een kerkrechtelijke, corporatieve eenheid, zooals ook de plaatselijke kerk een eenheid is in institutairen zin,” en blz. 74, dat volgens Voetius „gesproken kan worden van een nationale, provinciale en classicale kerk als instituut, waarvan de plaatselijke geïnstitueerde kerken deel of afdeelingen zijn”. Voetius antwoordt daarop met deze van hem hier behandelde uitspraak: nedum ut primo, proprie, aut principaliter dicatur Ecclesia, d.i. laat staan dat dat gebeuren zou, verre zij het er van af.

***

Van eene objectieve weergave en zuivere interpretatie van Voetius’ voorstellingen kan aldus moeilijk gesproken worden. Zulke proeven van redeneering en vertolking zijn daartoe te bedenkelijk.

En deze aangewezen constructies en Voetiusinterpretaties raken fundamenteele punten ter zake van Voetius’ denkbeelden en leeringen, in deze dissertatie van Dr M. Bouwman behandeld.

Eigenaardig doet bij zulken stand van zaken aan het schrijven van Prof. Dr V. Hepp in verband met deze dissertatie en de discussie er over: „Daarom hebben we de voorlichting van specialisten noodig. Niet-vakmannen zullen verstandig doen zich hier niet op glad ijs te wagen,” Credo van 8 Oct. j.l. Geeft Prof. Hepp ons daarmede niet een éclatant voorbeeld van lijnrechte tegenspraak tusschen doen en zeggen op hetzelfde oogenblik? Blijkt hij zich niet zelf op glad ijs te wagen? Of komt onder deze omstandigheden in zijne woorden wel eenige vakkundigheid aan het licht, en vereischte kennis van zaken, die recht zouden geven tot zoo grootvaderlijk-goedmoedige censuur en raadgeving? Kunnen we niet juist ook aan dit geval zien, waartoe opvolging van dezen avenrechtsen raad, om maar zonder eigen onderzoek en oordeel, dergelijke voorlichting van specialisten als leidraad van handelen aan te nemen, ons zou kunnen voeren? Dr A. Kuyper Sr. is terecht van eenen anderen gebleken, en heeft door woord en daad ons wel wat anders geleerd, dan dat we maar zonder meer zouden prijzen en in praktijk brengen, wat „vakmannen” ons gelieven voor te stellen en komen aanbevelen, en dàn dat we de zaken maar aan een paar specialisten of vakgeleerden ter beslissing zouden overlaten.

En geeft Prof. Hepp geen nieuw bewijs van de meening, zelf boven eigen raad aan anderen verheven te zijn, wanneer hij schrijft: „Men kent de bewering, dat in 1926 onze kerken een kerkrechtelijke zwenking hebben gemaakt,” ondanks ook de vakman van zijn eigen blad zegt: „Deze kentering van gevoelens is duidelijk aan te wijzen bij Dr H.H. Kuyper. Nog in 1923 (Heraut 6 mei ’23) beantwoordt Kuyper de vraag of een classis een kerkenraad mag afzetten in ontkennenden zin, met een beroep op Voetius Pol. Eccl., t.I, p. 266 ss.,” Dr M. Bouwman, Voetius over het gezag der Synoden, blz. 7.

***

Laat mij dit Wederwoord eindigen met een woord van dank aan den Hoofdredacteur voor de ruimte, mij afgestaan.

S. GREIJDANUS