85
nr. 44
29-10-1937

Wederwoord (II)

Mijn argumentatie ten aanzien van het Amsterdamsche gebeuren in 1885/86 schijnt Dr M. Bouman niet begrepen te hebben. Althans hij laat mij ook desbetreffend weer iets anders zeggen of betoogen, dan ik metterdaad geschreven heb. Dit laatste was dit. Het handelen van Dr A. Kuyper, Dr F.L. Rutgers e.a., d.i. van den Amsterdamschen Kerkeraad inzake het maken van bepalingen aangaande het beheer bij mogelijke censuur door Classicaal of Provinciaal Bestuur, kan alleen als rechtmatig beschouwd worden bij aanvaarding van de zelfstandigheid der plaatselijke kerken ook ter zake van de regeling harer bezingen. Zoodra men echter die zelfstandigheid niet ten volle erkent, maar aan Classis en Synode de oppermacht toekent over particuliere of plaatselijke Kerken ook wat hare stoffelijke goederen betreft, moet die daad van den Amsterdamschen Kerkeraad, die tot de Doleantie leidde, als eene onrechtmatige, revolutionaire daad gequalificeerd worden. Want hoeveel verkeerds die Classicale en Provinciale kerkbesturen der Hervormde Kerk dan ook gedaan mogen hebben, ter zake van het ingrijpen in de beheersquaestie en tegen die genoemde bepalingen, gingen zij dan de grenzen hunner bevoegdheid niet te buiten, deden zij dan geen onrecht, maar oefenden zij dan slechts een recht uit, dat zij formeel hadden ook volgens het kerkrecht, zooals Dr M. Bouwman het als Voetiaansch en juist voorstelt. En daarom voegde ik hieraan de opmerking toe, dat Dr A. Kuyper en Dr F.L. Rutgers e.a., wanneer zij in een kerkverband, zooals Dr M. Bouwman het als Voetiaansch schetst, inzake de beheersquaestie gedaan hadden wat zij nu gedaan hebben en den Amsterdamschen kerkeraad hebben laten doen, ook gecensureerd hadden moeten worden door de dan bestaande Classis. Bij de voorstelling van zoodanig kerkverband als recht en goed, moet die daad van Dr A. Kuyper en Dr. F.L. Rutgers afgekeurd en als eene revolutionaire beschouwd worden. En dan volgt, dat de Doleantie rust op eene revolutionaire daad. Want in verband met, en als gevolg van die daad kwam de schorsing, en daarop de Doleantie. Wat Dr M. Bouwman daarom op deze mijn redeneering ten antwoord geeft, slaat niet op wat ik betoogde, raakt het punt in quaestie niet.

***

En wat Dr M. Bouwman schrijft omtrent mijn zeggen, dat de Amsterdamsche kerkeraad het synodale juk niet afwierp, maar nog in het Synodaal kerkverband bleef, en desondanks genoemde bepalingen maakte, en dat hij de moderne predikanten niet schorste, is ook geen antwoord dat steek houdt. Hij schrijft: „Dat zij voorts zelf het voorbeeld niet gegeven hebben, zelf niet flinkweg de moderne predikanten, en dan natuurlijk ook de afwijkende kerkeraden”(zal wel moeten zijn: kerkeraadsleden) „gecensureerd hebben, en dus in dezen ons geen voorbeeld hebben gegeven, wijl zij integendeel zelf het slachtoffer van de censuur der Besturen zijn geworden, spreekt van zelf. Maar hoe zouden zij dit hebben kunnen doen? Immers voor het verbreken van den collegialistischen band konden zij niet censureeren, wijl er geen Classen en Synoden waren bevoegd om deze censuur uitteoefenen. En nadat de synodale band verbroken was werden er niet terstond classen en synoden gehouden, doch nu viel er niets meer te censureeren, omdat de moderne predikanten en kerkeraden” (bedoeld zal wel zijn kerkeraadsleden) „niet meer tot de Kerk behoorden, en de classen dus over hen geen zeggenschap meer hadden.” Dr M. Bouwman voegt daar nog aan toe: „Men ziet, dat het betoog van Prof. Greijdanus in onderdeelen in geen enkel opzicht stringent is.”

Dit laatste kan echter slechts zoo schijnen, omdat Dr M. Bouwman mijn betoog niet juist voorstelt en mij iets heel anders laat zeggen, dan ik metterdaad schreef. En in de tweede plaats kan die schijn alleen maar iemand verblinden, die de redeneering van Dr M. Bouwman niet met opmerkzaamheid volgt, noch met aandacht overweegt. Wat hij in het laatste gedeelte met de woorden: „En nadat de synodale band … over geen zeggenschap meer hadden”, laat volgen, heeft hier in het geheel geene ratio, en geeft slechts te meer blijk van misvatting bij Dr M. Bouwman. En wat betreft zijn zeggen: dat „spreekt van zelf”, komt de vraag: wat spreekt vanzelf? Dat de Amsterdamsche kerkeraad geen flink voorbeeld gaf? Dat hij de moderne predikanten niet censureerde? Spreekt dat van zelf? Hoe dan? Waarom dan? Zegt Dr M. Bouwman: „wijl zij integendeel zelf het slachtoffer van de censuur der Besturen zijn geworden”, dan heeft hij blijkbaar niet begrepen, hoewel het in mijn artikel toch duidelijk genoeg is, dat het ging over den tijd vóór hun schorsing door het Classicaal Bestuur. Toen had de Amsterdamsche kerkeraad zijn moderne predikanten behooren te schorsen. En toen reeds had hij den band met de Hervormde kerkbesturen moeten verbreken. En dat hij dit laatste niet deed, maar nog in het Synodaal verband bleef, en desondanks zulke bepalingen inzake het beheer maakte, was niet in orde, en moet niet alleen naar het Hervormde kerkrecht, maar ook volgens het kerkrecht, zooals Dr M. Bouwman het in zijn boek als Voetiaansch voorstelt, veroordeeld worden. En dat Dr. M. Bouwman schrijft: „Immers voor het verbreken van den collegialistischen band konden zij niet censureeren, wijl er geen classen en synoden waren bevoegd om deze censuur uitteoefenen,” openbaart zijne geheel verkeerde beschouwing in dezen. Want hier wordt door hem ontkend, dat de kerkeraden het recht bezitten om censuur te oefenen. Dat mogen alleen classen en synoden doen. En als deze laatsten er niet zijn, moet een kerkeraad zich van censuur onthouden, althans eventueel over moderne predikanten en andere afwijkende kerkeraadsleden. Hij heeft dan ook niet het recht van censuur. Wat blijft er zoo over van de zelfstandigheid der particuliere Kerken? Wat van de volledigheid van ambtsrecht der ambtsdragers als kerkeraad verenigd? Waaruit Dr M. Bouwman eene dergelijke beschouwing geput moge hebben, zeker niet uit Voetius’ werken, noch uit die van eenen anderen Gereformeerde schrijver der 17e eeuw. Gereformeerd is zij in geenen deele. Volgens Gereformeerd Kerkrecht is het ambt der ambtsdragers in kerkeraad bijeen, de tucht uitoefenen en eventueel te censureeren, vgl. art. 16 en 76 K.O. En mogen zij daarbij soms de hulp van andere Kerken en van meerdere vergaderingen noodig hebben, die eventueele behoefte aan hulp neemt hun plicht en recht om waar en voorzover noodig, censuur toetepassen, niet weg, zoodat zij dat recht dan zouden moeten missen en dien plicht dan zouden moeten verzaken. Dus had de Amsterdamsche kerkeraad zonder verwijl den band met het Hervormde kerkbestuur moeten verbreken en zijn moderne predikanten schorsen, ook al waren er toen geene classes enz. naar Gereformeerd Kerkrecht. Die ontstentenis hief zijn recht en plicht van Godswege niet op. En dat verzuim, welke redenen men daarvoor ook kunne bijbrengen ter verklaring, was schuldig.

***

Dr M. Bouwman zegt verder: „Mijn boek bedoelt in hoofdzaak Voetius’ opvatting van het gezag der Synoden weer te geven, terwijl ik daarnevens ter vergelijking en ter toelichting de denkbeelden van vroegere en tegenwoordige Gereformeerden heb ingevlochten. De hoofdvraag, waarmede de recensent zich allereerst heeft bezig te houden, wil hij mijn boek ernstig beoordelen is deze, of ik in de weergave van Voetius’ beschouwingen geslaagd ben. Is dat wel het geval, dan is daarmede de vraag of mijn boek de Doleantie veroordeelt, geécarteerd.” 

Dr M. Bouwman beweert dus ook hier weer, dat zijn boek louter eene historische studie zou zijn. Reeds in mijn recensie in De Reformatie van 16 Juli j.l. heb ik doen uitkomen, dat dit niet zoo is. Iemand die een louter historische studie over iemands denkbeelden geeft, heeft niet te prijzen, noch te laken, heeft over de meeningen van den door hem behandelden persoon niet zijn oordeel uittespreken, noch te zeggen hoe de zaak, waaromtrent hij de voorstelling van die persoon behandelt, eigenlijk zit, geen goed- of afkeuringen uittedeelen, maar niets te doen, dan mee te deelen, zuiver en volledig, wat de ander dacht of schreef, eventueel daarbij op verschillen of tegenstrijdigheden in diens uitingen te wijzen, zoo mogelijk redelijke verklaring daarvan te geven. Doch het eigen oordeel over het zakelijk juiste of onjuiste van die meeningen heeft de auteur achterwege te houden. Zoodra hij echter met zijn eigen inzichten en beoordelingen komt, houdt zijn boek op eene louter historische studie te zijn, waarmede natuurlijk bij de recensie gerekend moet, althans mag worden.

Wat zien we nu in het boek van Dr M. Bouwman? 

Hij schrijft op blz. 89: „Al legt Voetius dus eenzijdig den nadruk op de delegatie als kenmerk van de meerdere vergaderingen…”

En op blz. 95/96: „Ook indien bij uitzondering een gewoon geloovige naar de meerdere vergadering wordt afgevaardigd, ontneemt dit daaraan toch haar ambtelijk karakter niet. Het verschil lijkt mij alleen dit dat bij afvaardiging van een ambtsdrager diens synodale bevoegdheid berust èn op het ambt dat hij zelf bekleedt èn op het ambt dergenen die hem afvaardigden, terwijl wanneer een laicus wordt afgevaardigd, diens synodale bevoegdheid per delegationem berust op het ambt zijner lastgevers.”

Op blz. 134 lezen we: „Deze argumenteering onzer oude Theologen lijkt mij zakelijk niet juist. Men berooft het beginsel van den regel van Matth. 18 voor een deel van zijn kracht, indien men hem alleen doet gelden voor het verkeer tusschen de gemeenteleden, en hem alle betekenis ontzegt voor de regeling der verhouding tusschen de Kerken onderling. Apollonius wijst terecht deze beperking af.”

Op blz. 145: „Het is wel juist dat de apostolische synode beschikte over de onfeilbare leiding des H. Geestes, terwijl de latere synoden deze leiding des Geestes slechts op feilbare wijze bezitten, waarom haar besluiten altijd getoetst dienen te worden aan het Woord Gods. Maar dit wettigt niet de conclusie der Independenten, dat deze samenkomst niet als voorbeeld der volgende synoden kan dienen, wijl de apostelen krachtens hun onfeilbaar apostolisch gezag de zaak te Jeruzalem beslisten.”

Op blz. 165: „Het is verder onjuist te concludeeren dat de macht van den kerkeraad een aan deze eigenschappen tegengesteld karakter zou dragen. Voetius zegt dat ook nergens.”

Op blz. 215: „Deze opvatting van Apollonius, die wezenlijk met die van Gillespie, de Ministers of London en van Mastricht overeenkomt, lijkt mij de juiste te zijn.”

Op blz. 216: „Deze beschouwing is ook in overeenstemming met de H. Schrift. Want volgens de Schrift hebben …”.

Op blz. 217: „Op grond van de gegevens der Schrift dienen daarom de bevoegdheden, die de kerkenordening aan de meerdere vergaderingen toekent inzake de examinatie en de beroeping van dienaren des Woords, de tucht over ambtsdragers, en de excommunicatie onder geen beding uit de K.O. te worden geschrapt. En wanneer Voetius bereid is dit toch te tolereeren, betoont hij zich tegenover de Independenten te toegeeflijk.”

Ik mag op deze wijze niet voortgaan te citeren. En dat is m.i. ook niet noodig. De gegeven aanhalingen zijn duidelijk en talrijk genoeg. Zie voorts ook nog zijn hoofdstuk Beoordeling, blz. 417 v.v.

Doch nu vraag ik: Is dit historiebeschrijving, enkel mededeeling van Voetius’ meening en die van andere Gereformeerden, of is het beoordelen, goed- of afkeuren, zeggen, hoe het met de besproken zaak eigenlijk staat?

Nu gaat het hier natuurlijk niet om – uitdrukkelijk zij het hier gezegd – dat ik aan Dr M. Bouwman het recht zou betwisten, om bij eene studie als hij leverde, zijn eigen oordeel uittespreken, en te zeggen, hoe iets z.i. gelegen is. Integendeel. Ook laat ik mij niet uit over de vraag, of Dr M. Bouwman in de zooeven van hem medegedeelde oordeelsvellingen, verklaringen, uitspraken, m.i. gelijk heeft, of niet.

Slechts dit zeg ik, dat iemand, die op die wijze zijn boek schrijft, het recht mist te eischen, dat alleen zijne Voetiusinterpretatie naar hare juistheid beoordeeld zal worden, en om het een recensent kwalijk te nemen, wanneer hij bij zijne beoordeling ook let op, en rekening houdt met, dergelijke deelen en verklaringen in het te recenseeren werk.

Is dat aan Dr M. Bouwman inaangenaam, dan heeft hij dat slechts aan zichzelven te wijten. Hij had dan zijn boek maar anders moeten schrijven, en eene zuivere historische studie moeten leveren, louter refereerend. Nu is zijn dissertatie geene objectieve, loutere refereerende, weergave van Voetius’ leeringen, maar een tendenzboek, dat onder den naam of in de vorm van eene historische uiteenzetting van anderer gevoelens de strekking heeft weer te geven hoe het naar het inzicht en oordeel van Dr M. Bouwman met allerlei kerkrechtelijke vragen en zaken staat, en dat de Voetiusinterpretatie van Dr H.H. Kuyper sedert plm. 1926 de juiste is.

S. GREIJDANUS

(Wordt vervolgd)