85
nr. 43
22-10-1937

De Gereformeerde Kerken zelve schuldig aan veroordeling van opkomst en voortgang der Doleantie beweging? (II)

Nu zal Prof. Greijdanus tegen mij het verweer willen bieden, dat het niet alleen gaat om de kwestie van de afzetting van kerkeraden, en dat ik in mijn boek aan de synoden verdere bevoegdheden toeken, waarvan Rutgers beslist niet heeft willen weten, b.v. het recht der meerdere vergaderingen om, in geval van onmacht en wanbestuur van den kerkeraad, in te grijpen, en te doen wat des kerkeraads is; en dat mijn boek dus op dien grond het recht der Doleantie aantast. Mijns inziens is dit niet het geval. Doch ik wensch thans op deze vraag niet in te gaan. En dat behoeft ook niet. Immers serieuse critiek had de vraag in het geheel niet dienen te stellen, of mijn boek het recht der Doleantie aantast. Deze kwestie toch is van geen beteekenis. Want ik wilde in mijn boek niet een eigen kerkrechtelijk stelsel geven. Prof. Greijdanus schijnt dat te meenen, blijkens den titel van zijn Bazuinartikel: „Het kerkrechtelijk stelsel van Dr. M. Bouwmans boek „Voetius over het Gezag der Synoden” geene veroordeling van opkomst en voortgang der Doleantiebeweging?”. Ik dank prof. Greijdanus voor de eere, die hij mij aandoet. Maar ze komt me niet toe. Ik wensch niet, zooals de medicus Thomas Erastus de vader geworden is van het kerkrechtelijke stelsel, dat wij het Erastianisme noemen, mijn naam te verbinden aan een eigen systeem van kerkregeering. Mijn boek bedoelt in hoofdzaak Voetius’ opvatting van het gezag der synoden weer te geven, terwijl ik daarnevens ter vergelijking en ter toelichting de denkbeelden van vroegere en tegenwoordige Gereformeerden heb ingevlochten. De hoofdvraag, waarmede de recensent zich dus allereerst heeft bezig te houden, wil hij mijn boek ernstig beoordelen is deze, of ik in de weergave van Voetius beschouwingen geslaagd ben. Is dit wel het geval, dan is daarmee de vraag, of mijn boek de Doleantie veroordeelt, geécarteerd, en kan nog slechts de vraag gesteld worden, die ik in De Bazuin beantwoordde: „Noopt instemming met Voetius’ beschouwing over het gezag der synoden tot veroordeeling der Doleantie?” Heb ik in mijn taak daarentegen gefaald, en toont de critiek de onjuistheid aan van mijn Voetius-interpretatie, dan is de kwestie, door prof. Greijdanus gesteld, evenzeer van de baan, wijl ik dan terstond mijn opvatting geef voor een betere.

Welnu, deze hoofdvraag is door prof. Greijdanus niet serieus aan de orde gesteld. Daarom gaf hij geen recensie van mijn boek, maar richtte hij er een aanval op in De Reformatie van 16 Juli. Hij heeft zich beperkt tot een bespreking van hoofdstuk II, waarin de theoretische problemen aan de orde komen omtrent den aard van het kerkverband en van de meerdere vergaderingen. Op dit punt beweert hij althans, dat mijn Voetius-interpretatie onjuist is; ik laat nu daar dat dit geschiedt op gronden, die niet sterker zijn, dan de argumentatie omtrent het afzetten van kerkeraden, zoo even door mij weerlegd. Maar daarna zet prof. Greijdanus zijn eigen denkbeelden uiteen (De Reformatie, 16 Juli, blz. 342), en roert verder de kwestie, of mijn Voetius-interpretatie juist is ten aanzien van de volgende hoofdstukken, niet meer aan. En hier nu komen met name in hfdst. V -VII de praktische problemen aan de orde. Hier gaat het soms om de exegese van concrete Voetius-plaatsen, waarbij ook de minder kerkrechtelijk of kerkhistorisch geschoolde theoloog, met eenige inspanning de juistheid van mijn Voetius-interpretatie kan controleeren. Hiervan heeft prof. Greijdanus zich verder angstvallig onthouden. Wil hij soms ontkennen , dat volgens Voetius en Hoornbeek de synoden niet bevoegd zijn om te doen wat des kerkeraads is? Wil hij Rutgers’ interpretatie van Pol. Eccl. IV, 122 en IV, 173, 174 handhaven? Of zijn opvatting van qu. 22 en 23, Pol. Eccl. I, 226 en vlgg? Hij beschuldigt mijn boek van verwringen van de woorden der kerorde. Dit zegt hij ten aanzien van art. 84. Hij is daarbij zoo welwillend om af te zien van de vraag, wat Voetius in dezen omtrent dit artikel zegt (bl. 343, 1e kol.). Van deze vraag had hij juist niet mogen afzien. Evenzeer doe ik zijns inziens aan inlegkunde, en maak ik mij schuldig aan verwringing bij de uitlegging van art. 79. Doch hij vergeet zijn lezers er bij te zeggen, dat ik hier de opvatting van den bekenden theoloog Hoornbeek weergeef, en dus dat „verwringen”en „inleggen” van Hoornbeek en ook van Apollonius geleerd heb.

Prof. Greijdanus zij eerlijk, en hij critiseere ernstig. Hij désavoueere serieus mijn interpretatie van de beschouwingen van gezaghebbende theologen uit de bloeitijd der Reformatie, Voetius, Hoornbeek en Apollonius. Of, indien hij dat niet wil, het spreke het uit, dat hij „staat te kijken” van „de redeneering” dezer theologen. Hij spreke dan openlijk zijn meening uit: de groote gereformeerde theologen staan een kerkrechtelijk stelsel voor, dat het mijne nièt is, zij staan een synodale hiërarchie voor, waaraan ik mijn steun niet kan verleenen. Hij bestrijde hùn beschouwingen, zooals de oude Independenten uit vroeger dagen dit gedaan hebben. Mat hij lat de vraag ter zijde, of ik of mijn boek opkomst en voortgang der Doleantiebeweging veroordeel. Deze vraag heeft geen enkelen zin.

Nieuwendam
M. Bouwman