85
nr. 42
15-10-1937

De Gereformeerde Kerken zelve schuldig aan veroordeling van opkomst en voortgang der Doleantie beweging? (I)

In De Reformatie van 16 juli 1937 heeft prof. Greijdanus ernstige beschuldigingen ingebracht tegen mijn Voetius over het Gezag der Synoden. Zijn woorden vonden terstond ingang bij de broeders der Hervormde Kerk, natuurlijk met dit verschil, dat de laatsten in mij prijzen, hetgeen hij in mij laakt. Dr. Terlaak Poot van ’s Gravenhage verklaarde: „Prof. Greijdanus ziet goed, wat Bouwmans boek beteekent: het kerkrechtelijk déraillement van de Doleantie.” Ongezocht ontving ik de gelegenheid, om in De Bazuin van 10 Sept. de onjuistheid van Dr. T. Poots conclusies aan te toonen, en ik wees er daarbij op, dat hij deze voorstellingen aan prof. Greijdanus ontleende. 

Hoewel dit artikel overigens volstrekt niet tegen prof. Greijdanus gericht was, heeft hij gemeend, zijn beschuldigingen thans in De Bazuin te moeten herhalen, en tevens – voor het eerst – ze nu te moeten adstrueeren.

Nu zou ik, voorzoover het mijn persoon betreft, hierop gevoeglijk kunnen nalaten te antwoorden. Ieder toch, die de critiek van prof. Greijdanus van 16 Juli las, moest wel den indruk krijgen, dat in mijn boek snoode uitspraken voorkwamen, waarin gespeeld werd met de eere van Kuyper en Rutgers, het recht der Doleantie werd betwist, deze beweging voor een daad van kerkelijke revolutie werd uitgemaakt, of althans, dat zulke oordeelen uit den inhoud van mijn boek onmiddellijk volgden. Het spreekt vanzelf, dat dit mijn eere als dienaar des Woords raakte. Iemand toch die aldus over de Doleantie oordeelt, kan moeilijk een ambt bekleeden bij de kerken, die voor een groot deel uit de Doleantie zijn voortgekomen. Dan, uit mijn protest, opgenomen in De Reformatie van 10 Sept. en uit het onderschrift door prof. Greijdanus, daaronder gegeven, als mede uit zijn uitvoerig Bazuin-artikel van 17 Sept., blijkt dat deze dingen volstrekt niet met onmiddellijke evidentie uit mijn boek volgen. Hierin ligt reeds zakelijk de erkenning opgesloten, dat prof. Greijdanus’ critiek te lichtvaardig geoordeeld was, en heb ik van hem de genoegdoening ontvangen, die hij mij verschuldigd was. 

Om de wille van de zaak dient echter prof. Greijdanus’ artikel niet onweersproken te blijven .Ik leg daarbij het volle accent op de hoofdstelling, die prof. Greijdanus hierin poneert. Zij is deze: De meerdere vergaderingen mogen geen kerkeraden afzetten.

Laat ik er niet te veel den nadruk op leggen, dat de drie argumenten, waarmee hij deze stelling adstrueert in ieder opzicht onhoudbaar zijn. Metterdaad is dit het geval. Vooreerst toch meent prof. Greijdanus, dat Kuyper en Rutgers zeker niet van oordeel zouden zijn geweest, dat classen en synoden kerkeraden mogen afzetten, want in dat geval zouden zij nooit zijn overgegaan tot hun moeilijken kerkelijken strijd, die tot de Doleantie leidde. Dit is echter daarom onjuist, wijl het volstrekt niet zoo zeker is, dat Kuyper en Rutgers op dit punt de opvatting hadden, die prof. Greijdanus hun toeschrijft. Kuyper heeft, voorzoover ik weet, zich nooit over deze kwestie uitgelaten. En de uitspraak van Rutgers: „Wel mag de classis of synode kerkeraadsleden ontzetten van hun ambt, zoolang de Kerk in het verband staat” (De Rechtsbevoegdheid, 2e dr.,blz.179), bewijst wel, dat men zich, voor de toekenning van het recht om kerkeraden af te zetten aan de meerdere vergaderingen, ook op Rutgers beroepen kan. In dit verband blijkt ook terstond het onhoudbare van het derde argument. Prof. Greijdanus beweert daarin, dat, indien de Doleantie-mannen in 1886 eens niet met collegialistische Kerkbesturen, maar met wettige classen en synoden te doen gehad haden, zij zich hadden moeten onderwerpen, indien men zich op het standpunt stelt, dat de classen en synoden kerkeraden mogen afzetten en doen wat des kerkeraads is. De onjuistheid hiervan heb ik in mijn Bazuin-artikelen reeds aangetoond. Men vergelijke de daar gegeven citaten. Toen ten tijde van de Remonstrantsche troebelen, de classen en synoden of onmachtig of onwillig waren om de kerkregeering naar eisch van Gods Woord uit te oefenen, hebben de Gereformeerden soortgelijke acties ondernomen, als de Doleantie-actie. Zij achtten zich naar art. 31 der Dordtsche K.O. aan besluiten, die in strijd waren met Gods Woord, niet gebonden. Maar niet zoodra waren de belemmeringen weg genomen, die de classen en synoden verhinderden, de kerkregeering op de juiste wijze waar te nemen, of die zelfde Gereformeerden hebben in hun synoden en classen de Remonstrantsche predikanten en kerkeraden afgezet. De Doleantie-mannen kunnen dus zeer wel hun activiteit ontwikkeld hebben, zonder dat zij het immer door de Gereformeerden erkende recht van de wettige synoden en classen om gegronde redenen kerkeraden af te zetten behoefden te loochenen. Dat zij voorts zelf – prof. Greijdanus’ tweede argument – het voorbeeld niet gegeven hebben, zelf niet flinkweg de moderne predikanten, en dan natuurlijk ook de afwijkende kerkeraden, gecensureerd hebben, en dus in dezen ons geen voorbeeld hebben gegeven, wijl zij integendeel zelf het slachtoffer van de censuur der Besturen zijn geworden, spreekt vanzelf. Maar hoe zouden zij dit hebben kunnen doen? Immers voor het verbreken van de collegialistischen band konden zij niet censureeren, wijl er geen classen en synoden waren bevoegd om deze censuur uit te oefenen. En nadat de synodale band verbroken was werden er wel terstond classen en synoden gehouden, doch nu viel er niets meer te censureeren, omdat de moderne predikanten en kerkeraden niet meer tot de kerk behoorden, en de classen dus over hen geen zeggenschap meer hadden. Men ziet, dat het betoog van prof. Greijdanus in onderdeelen in geen enkel opzicht stringent is.

Laat ik mij thans echter wenden tot de hoofdstelling: De meerdere vergaderingen mogen geen kerkeraden afzetten. Wie dat doet, tast volgens prof. Greijdanus het recht der Doleantie aan, en verklaart haar tot een daad van kerkelijke revolutie. Hier kan ik de persoonlijke kwestie tusschen prof. Greijdanus en mij laten varen. Want nu gaat de zaak niet meer tusschen hem en mij. In ben nl. de eenige niet die dit recht aan meerdere vergaderingen toeken. In 1926 heeft de generale synode onzer kerken een van de leer afwijkenden predikant afgezet, en dezelfde synode heeft de meerderheid van de kerkeraadsleden, die de afzetting van hun predikant niet wilden erkennen, evenzeer uit de bediening ontzet. Nu is prof. Greijdanus zich zelf gelijk gebleven. Als praeadviseerend lid toch heeft hij aan deze synode deelgenomen, en in die kwaliteit tegen de tuchtvonnissen der synode gestemd. Evenwel dezelfde synode deed destijds nog een belangrijke principieele uitspraak. Zij bepaalde nl. dat, indien andere predikanten of kerkeraden zich zouden stellen aan de zijde van den afgezetten predikant en diens schismatieken kerkeraad, de classen terstond met de censuur moesten optreden, en zoo noodig zulke predikanten en kerkeraden afzetten. De onmiddellijke consequentie van het betoog van prof. Greijdanus is dus, dat de synode onzer kerken, en dan dus ook onze kerken zelve, schuldig zijn aan het veroordeelen van opkomst en voortgang der Doleantiebeweging. Met welk recht verwijt prof. Greijdanus mij, dat mijns inziens Kuyper en Rutgers Voetius niet goed begrepen hebben, en dat hij zelf mijn boek op tal van punten verkeerd beoordeeld heeft en ik dus alle dingen beter weet? Zelf richt hij zich tegen het oordeel van onze generale synode, en stelt hij zich daarboven. En niet alleen dat, maar hij stelt zich ook boven de roemruchte synode van Dordrecht (1618, 1619), die aan de kerken voorschreef, dat zij tegen de Remonstrantsche ambtsdragers, die van de dwaling huns wegs niet wilden aflaten, zouden handelen naar de kerkordening, in overeenstemming met welk besluit vervolgens de synoden en de classen de Remonstrantsche predikanten en kerkeraden hebben afgezet. De consequenties reiken zelfs nog verder. Het laat geen twijfel of ook de Schotsche en Engelsche Presbyterianen kennen aan de synoden de macht toe, om in geval van wanbestuur in te grijpen in de zaken der particuliere kerken, en te doen wat des kerkeraads is. Ook zij komen dus onder hetzelfde oordeel te liggen. Prof. Greijdanus is eens geestes met de Independent Brethren, die ter Westminster-synode zich fel tegen de Presbyterianen verzet hebben, en voor hun deel er toe hebben medegewerkt, dat de door alle Gereformeerden vurig begeerde invoering van het presbyteriaal-synodale stelsel in Engeland in de veertiger jaren der 17e eeuw, op een volkomen mislukking is uitgeloopen. Hij staat geheel aan de zijde van deze Independenten, wanneer hij van mijn boek beweert, dat het kerkrecht erin verdedigd een systeem is van synodale hiërarchie, dat bij zijn volle toepassing onze kerken voert in de knellende overheersching van eene op menschelijke aanmatiging berustende synodale geweldpleging (De Reformatie, 16 juli 1937, bl. 343, 1e kol.). Prof. Greijdanus richt in dit artikel in De Reformatie, evenals thans in zijn Bazuin-artikel een hoornstoot tegen Assen, tegen de Gereformeerde kerkregeering, zooals die in de Dordtsche kerkenordening is vastgesteld, en door de gereformeerde synoden in den bloeitijd der Reformatie, en in onze dagen is uitgeoefend.

(Wordt vervolgd).