17
nr. 42,344-345
16-07-1937

De Voetius-Interpretatie van Dr. M. Bouwman

Op Vrijdag 25 Juni promoveerde aan de Vrije Universiteit tot Doctor in de Theologie Marius Bouwman, geboren te Baflo, predikant bij de Geref. Kerk van Nieuwendam. Op een dissertatie getiteld: „Voetius over het gezag der synoden”. Hij was zoo vriendelijk geweest mij zijn dissertatie, waarin hij mij vele malen bestrijdt, toe te zenden. Ik beschouwde dit als een uitnoodiging om, indien ik het met zijn dissertatie en zijn bestrijding niet eens zou zijn, naar Amsterdam te komen opponeeren bij de verdediging van zijn dissertatie en de daaraan toegevoegde stellingen. Zoo heb ik dan ook gedaan. En ik moet beginnen met de opmerking, dat de jonge doctor mijn hart gewonnen heeft, zoowel door zijn vriendelijk tegemoet treden kort vóór de promotie als door zijn hoffelijke wijze van antwoorden op de voorgestelde bezwaren bij de promotie. Als het tusschen hem en mij tot discussies komen zal, dan zal dat gaan in de meest vriendschappelijke termen. Mogelijk zal het tot openbare discussie komen als hij de rust, na den grooten arbeid aan zijn dissertatie besteed, zal genoten hebben, en wij mogelijk in dezen zomer in vriendschappelijk samenzijn eenige punten onderling besproken zullen hebben, en als ook eerst anderen hun oordeel over deze dissertatie gezegd zullen hebben. Ik wil hier alleen meedelen wat ik bij de promotie als mijn bezwaren naar voren gebracht heb. Daarbij mij zooveel doenlijk houdende aan hetgeen mijn aanteekeningen en mijn herinneringen mij zeggen. Ik mag dit doen omdat de verdediging van den promovendus, hoe hoffelijk ook, niets aan mijn bezwaren veranderd heeft. Ik heb, gelijk vanzelf spreekt, in den korten tijd tot mijne beschikking gesteld (men heeft slechts recht op 7½ minuut, de rector was zoo vriendelijk mijn aandeel uit te breiden tot 10 minuten, ik zeg hem dank daarvoor) mij slechts kunnen bepalen tot eenige algemeene opmerkingen over Bouwmans Voetius-beschouwing en over wat ik zou willen noemen het Neo Geref. Kerkrecht. Ik kies dezen naam met opzet. En naar ik meen met grond, omdat ieder, die de stellingen inziet bij de dissertatie gevoegd, aanstonds tot de conclusie zal komen, dat dit niet hetzelfde Geref. kerkrecht is, dat wij tot dusver gekend en voorgestaan hebben. Ik mag mijn oppositie meedeelen, omdat ze in een openbare senaatzitting heeft plaats gehad. En ik meen dit te moeten doen, omdat ik, met alle respect voor den jongen doctor, toch meen, dat zulke kerkrechtelijke leeringen niet onweersproken van onze Vrije Universiteit mogen uitgaan. Hij gaf zijn stellingen, ik geef er hier kort mijn antwoord op, mijn bezwaren om des tijds wille concentreerende op een enkele stelling. Ik had in mijn oppositie ook nog iets persoonlijks met den promovendus te vereffenen. Ik meende, dat hij mij in de aanhalingen in zijn dissertatie niet altijd recht had doen wedervaren en bracht ten bewijze daarvan een enkel punt naar voren. Ik laat dat hier rusten, daar het op de zaak als geheel geen noemenswaardigen invloed heeft.

Hier volgt dus alleen de hoofdzaak van mijn bezwaren tegen de dissertatie zelve en tegen de conclusies zooals deze saamgevat zijn in de stellingen. In latere discussie zal ik de hier genoemde bezwaren breeder aantonen. Nu moest het, gelijk spreekt, zeer bekort. Ik doe het ook in den vorm waarin ik het gaf.

 

Geachte Promovendus!

Ik zeg u zeer dank voor de toezending van uwe dissertatie, waarin ik een uitnoodiging gezien heb, om zoo ik het niet eens mocht zijn met uw dissertatie of uw stellingen daaraan toegevoegd, dan hier te komen en mijn bezwaren hier naar voren te brengen. Ik doe dit dan ook. Hier is de eerste plaats om mijn bezwaren uit te spreken. Ik heb allen lof voor den ijver aan uw dissertatie besteed, daar zit kennelijk een groot stuk werk in. Maar helaas, dat ik het zeggen moet, ik ben het met veel in uw dissertatie en met tal van uwe stellingen geheel niet eens. Ik heb – om te beginnen – bezwaar tegen uw Voetius-interpretatie.

Ik heb u verzocht daareven voor te lezen stelling 3, waarin het mij gaat om de woorden „Al heeft Voetius in zijn kerkrechtelijke beschouwingen den invloed der Independenten ondergaan”. 

Mijnheer de Promovendus, U legt Voetius op een procrustesbed. Wat niet in uw raam past, wordt door u afgekapt en, naar het bekende recept, in den hoek van het Independentisme geworpen. Al verzacht u dit dan ook eenigszins met den term „Independentistische invloed” . Wat u dan overhoudt, wordt door u hoog opgestoken en ons allen als de ware Voetius tot voorbeeld en leering voorgehouden. De „Voetius zonder Independentistischen invloed”1) is de Voetius, die met Parker strijdt tegen de hierarchie en voor de zelfstandigheid der plaatselijke kerken, zoals in het begin van uw dissertatie door u geteekend wordt. Maar ik vraag , als John Robinson, de predikant der Independentistischen Pilgrimfathers, in Leiden dapper strijdt met de Geref. professoren tegen de Remonstranten en aan die professoren geen geringen steun geeft, om die waarheden vast te houden, die straks te Dordt vastgelegd worden – ik vraag u, moogt u dan zeggen, dat de Vijf Artikelen tegen de Remonstranten onder Independentistischen invloed ontstaan zijn? Immers neen! Evenmin hebt u het recht als Voetius met Parker strijdt, en dat op grond der Schrift, tegen de hierarchie en voor de plaatselijke kerken, een en ander te qualificeeren als Independentistischen invloed.

De andere Voetius, die u overhoudt en die dan de eer heeft van door u Gereformeerd verklaard te worden, wordt door u de eigenlijke Voetius genoemd. Dat is de „hoofdzaak” van Voetius, zegt u (p 62). Nu, ten eerste, is dit geen juiste beoordeeling. Want wat is de hoofdzaak bij Voetius? Wat voor u de hoofdzaak kan zijn, kan voor mij bijzaak zijn; en omgekeerd. Maar u hadt als wetenschappelijk man ook bij dien door u overgehouden en gereformeerd verklaarden Voetius na moeten gaan, welke invloeden en beginselen op hem gewerkt hebben.

En die zijn er. En geen geringe.

Hij is een kind van zijn tijd. Hij leeft – en dat met hart en ziel – onder het oude art. 36 der Geref. Geloofsbelijdenis. Hij compromiseert met de Overheidsmacht in de kerk, zooals ik vroeger herhaaldelijk aanwees. Daarbij had er omstreeks den tijd der Dordtsche synode – ik wees ook daar vroeger op – dus in Voetius’ tijd, een geweldige omkeer in het politieke en kerkelijke leven in deze landen plaats. Dat kwam uit in het „verzetten van de wet” en het afzetten van kerkeraden en opruimen van (Rem.) gemeenten. Dat alles was geen zuiver kerkelijk werk, evenmin de synodale besluiten of de z.g.n. formulieren daarvoor. Dat was minstens evenzooveel en zoo niet meer politiek werk. De overheid zat immers in de kerkelijke vergaderingen en had daar heel wat te zeggen. De Overheid kon geen andere dan de bestaande Geref. kerken dulden, geen andere kerken daarnaast tolereeren, want zij steunde immers voor haar macht tegenover de dissenters, en in het algemeen, op de Gereformeerde kerken van dien tijd. De invloed van dit alles is klaarlijk en herhaaldelijk in Voetius’ optreden te zien en zóó is het met den invloed dezer beginselen in zijn geschriften. Die invloed had door u nader onderzocht en blootgelegd moeten zijn geworden. Want het is duidelijk, dat Voetius heel wat zoekt goed te praten, wat niet is naar ons oorspronkelijk Geref. kerkrecht, niet overeenkomt met zijn eigen voorstellingen van de autonomie der plaatselijke kerken en haar rechten. En nu wilt u dat alles, de beschouwingen van Voetius onder invloed van art. 36 Gel. Bel., zijn verdediging van wat hij deed onder invloed der Overheid, — ons als blijvende beginselen opleggen? Neen, geachte promovendus, als u Voetius objectief hadt willen beoordeelen, dan hadt u den geheelen Voetius en zijn beschouwingen in den smeltkroes moeten werpen en wel in den smeltkroes der Heilige Schrift, en wat deze leert over het langzaam opkomend gezag van het kerkverband – want God werkt ook hier als in den regel geleidelijk.

En voorts in die van de beginselen van Wezel en Embden, waar ons kerkverband overeenkomstig de beginselen de heilige Schrift gelegd werd. En als u dan in uw onderzoek wat het N.T. over dat opkomend kerkverband leert daarbij het geluk gehad hadt om een juiste exegese te geven van Hand. 16 en u daarbij scherp onderscheid gemaakt hadt tusschen het gansch eenige ambt der apostelen, dat in die vergadering praedomineerde, een ambt, gansch eenig niet alleen in infallibiliteit, maar juist ook in macht over de kerken en u hadt dan een juist en duidelijk bewijs kunnen leveren, van wat in die vergadering behoorde tot de macht van het voorbijgaande en eenige ambt der apostelen en tot het blijvende en gewone van de ouderlingen, of afgevaardigden der plaatselijke kerken, zie dan waren we verder gekomen. Maar nu niet. Ik acht verscheidene van uw conclusies als uitgesproken in uwe stellingen, en de richting waarin zij ons leiden, het spijt mij het te moeten zeggen, zeer gevaarlijk. Zij leiden naar de hierarchie.

Zie uw 7e stelling. Ik concentreer mij maar om des tijds wille op een enkele stelling. „Er bestaat geen principiëel verschil tusschen de meerdere vergadering (classis en synode) en den kerkeraad der plaatselijke kerk”. U kunt, mijnheer de promovendus, deze stelling in haar algemeenheid, zooals ze daar staat, niet handhaven. Er zou geen verschil in soort zijn tusschen het gezag van de plaatselijke kerk en dat van de meerdere vergaderingen! Geen principiëel verschil? Zegt dan uw eigen Voetius niet, dat het gezag van den kerkeraad is oorspronkelijk en dat van de meerdere vergaderingen is derivata2? (Zeker, de apostelen hebben synoden ingesteld, maar wat soort synoden? Daar komt het op aan! Wat andere dan synoden met saamgebrachte macht der kerken? Misschien synoden met opvolgers der apostelen? Dan zijn we geheel bij Rome)3). Uw stelling zet heel ons kerkrecht om. En Prof. Rutgers heeft ons zoo herhaaldelijk en zoo pertinent dat verschil tusschen het oorspronkelijke gezag van de kerkeraden en het afgeleide gezag der meerdere vergaderingen ingeprent, dat, indien hij kon hooren wat hier dezen namiddag aan de Vrije Universiteit verdedigd werd, hij – zooals men dan wel zegt – zich zou omkeeren in zijn graf. Hij zou, als hij nog leefde, zich over deze en andere stellingen zeer bedroefd hebben.

Ik moet nu nog met een enkel woord wijzen op het feit, dat ik meen, dat u in uw dissertatie mij en wat ik schreef niet altijd recht doet wedervaren en daar niet ten volle op gelet hebt.

 

Tot zoover wat ik in bedoelde oppositie zeide.

De promovendus heeft hierop als ik zeide vriendelijk en uitvoerig geantwoord. Op zijn antwoord ga ik niet in, daar dit nieuwe discussie zou uitlokken. Hij bleef bij zijn standpunt. Wel gaf hij in gloeiende woorden een „eeresaluut voor Prof. Rutgers”. Ik had schik in zijn woorden. Maar, helaas, ik had toch het gevoel als men heeft bij het saluut, dat de militairen brengen met knallende geweren als zij een hunner dapperen begraven. Hoe knallend de geweren ook zijn – ze begraven hem! En dat schijnt mij in deze dissertatie te geschieden met het kerkrecht van Prof. Rutgers, met ons Geref. kerkrecht, als tot nog toe door ons gekend en beoefend.

De dissertatie toont, dat ik wel recht had te waarschuwen. Zij geeft de consequenties der nieuwere richting te zien.

J. VAN LONKHUIZEN.

 

noten:

1) Zie ook a.w. „Saamvatting” blz. 62: Voetius staat in zijn kerkrechtelijke opvattingen dichter bij de Independenten dan andere Geref. auteurs, en de sporen van hun invloed zijn in zijn kerkrechtelijke beschouwingen te merken”.
2) Afgeleid.
3) Het tusschen haakjes geplaatste is zooals ik het in mijn aantekeningen had. Daar echter de voorafgaande spreker reeds tegen deze stelling geopponeerd en op het postestas delegata der synoden gewezen had, en ik zelf reeds op het buitengewone karakter van het apostelconvent de aandacht gevestigd had en de promovendus wel wist wat bedoeld werd, heb ik om des tijds wille dit tusschen haakjes staande slechts in een algemeene verwijzing naar het gezegde van den vorigen spreker, en het tevoren door mij gezegde saamgevat. In mijn aanteekeningen sprak ik ook nog van de vrees welke onze vaderen koesterden voor zulke hoogere besturen, als blijkt uit hun afkeerigheid van een senatus ecclesiaesticus en bij de Fransche Gereformeerden, daaruit dat ze zelfs van geen kerkvisitatoren wilden weten. Uit vrees voor hogere besturen. Ik liet dit laatste om des tijds wille weg. De promovendus wist toch wel waar het om ging.

 

Naschrift

Eerst heb ik even geaarzeld ten aanzien van de vraag, of ik dit stuk zou opnemen. Ik deed het, maar wil opmerken: a. dat ik me onbevoegd acht, over de ook door mij in dank ontvangen, maar nog niet gelezen dissertatie te oordeelen; b. dat bovenstaand artikel verleden week bleef overstaan, terwijl inmiddels besprekingen geopend waren met den alleszins beoordeelaar, die ik de vraag voorlegde, of hij het werk bespreken wilde en die inmiddels aan dat verzoek voldeed; c. dat Dr. V. L.’s artikel geen polemiek opent, wijl hij zelf zegt, dat het antwoord van den gepromoveerde door hem niet wordt behandeld; d. dat kennisneming van de kwestie als zoodanig voor ons volk van beteekenis is, wijl inderdaad inzake het „kerkrecht van Rutgers” beteekenisvolle wijzigingen in de opvattingen zich baan breken; wijzigingen, die men toch niet kan onbesproken laten, wijl ze de aandacht blijven spannen, en diep ingrijpend zijn, met name wat de beteekenis der plaatselijke kerk en den oorsprong van het ambt betreft; wijzigingen ook, die aan bepaalde broeders welk eens nadrukkelijk mogen worden voorgelegd, wijl het hun leert, dat ook op ander gebied dan in de brochures Prof. Hepp – Dr. Steen en in de desbetreffende „Heraut”-artikelen zich een nieuwe oriënteering voordoet, die niet mij, maar hen op hun (m.i. onjuiste) standpunt zal doen vragen, of niet bepaalde jassen worden opengetornd. Indien Rutgers of de „gangbare” Rutgers-interpretatie zich vergist heeft (wat ik nog niet toegeef), dán heeft m.i. de promotor van Dr. Bouwman, Prof. Dr. H.H. Kuyper gelijk, dat hij hetzelfde doet, wat anderen ook doen, dat hij n.l. van een bepaald kleedingstuk – om in het beeld te blijven – aantoont, dat het niet goed gesneden is, en niet sluit. Maar dan moeten zij, die op een ander terrein precies hetzelfde werk bij anderen constateeren, geen ongelukkige suggestieve beeldspraak gebruiken van „opengesneden jassen”. Rustige argumentatie zal voorts uitmaken moeten, of de oude kleeren om nieuwe roepen, ja dan neen. 

Red.