nr. 2842
10-07-1932
Napleiten (XII) «  

 

Napleiten (XIII)

Indien Dr van Lonkhuyzen tegen hetgeen we een vorig maal opmerkten inzake revisie van de Confessie en Kerkenorde mocht aanvoeren, dat toch in de handelingen van elk der Fransche Synodes sprake is van een „revisie der Confessie” en een „revisie der Kerkenorde”, dan heeft hij volkomen gelijk: er bestaat in dat opzicht een formeel onderscheid met onze Synodes. Maar zooals hij de tegenstelling formuleerde, kon dit op den lezer geen anderen indruk maken dan dat op elke Synode der Fransche Kerken de Belijdenis metterdaad „herzien”, d.i. gewijzigd of verbeterd was. En tegen die voorstelling kwamen we op, omdat ze, zooals we aantoonden, onjuist en met de feiten in strijd is.

Van meer beteekenis dan deze reeks verschillen is voor het kerkrechtelijk vraagstuk, waarover het geding loopt, wat Dr van Lonkhuyzen vervolgens uit de Fransche Kerkenorde en inzonderheid uit de Synodale bepalingen der Fransche Synodes aanvoert om daarmede te bewijzen, dat de Fransche Synodes zich zelf een autoriteit hebben toegekend, welke volgens ons Nederlansche kerkrecht aan Synodes niet toekomt en volgens hem ook in strijd zou zijn met de beginselen van ons Gereformeerd kerkrecht.

Op het principiëele vraagstuk, dat hier achter schuilt, ga ik thans niet in. Het is mij alleen te doen om de historische zijde van het vraagstuk, n.l. of het onderscheid, dat Dr van Lonkhuyzen meent te kunnen aanwijzen tusschen het Fransche en Nederlandsche kerkrecht, metterdaad bestaan heeft of niet. En daarbij wensch ik mij stipt te houden aan het Nederlandsche kerkrecht, in de 16e en 17e eeuw, zooals hij dit zelf in den aanvang van zijn artikelen gezegd heeft.

Nu kan ik natuurlijk niet op alle bewijzen, die Dr van Lonkhuyzen voor zijn stelling aanvoert, uitvoerig ingaan. Ik zal me daarom tot enkele hoofdpunten bepalen om aan te toonen, dat het onderscheid, dat Dr van Lonkhuyzen maakt, niet bestaan heeft.

In de eerste plaats wensch ik er op te wijzen, hoe Dr van Lonkhuyzen hier met zich zelf in de meest flagrante tegenspraak komt. Hij voert als voorbeelden aan, hoe de Fransche Synodes predikanten verplaatst hebben van de eene gemeente naar de andere, een predikant of candidaat zonden naar eene gemeente, beslisten, of een predikant een beroep mocht aannemen enz., ten bewijze, hoe autocratisch deze Synodes optraden. Maar hij heeft daarbij vergeten, dat hij in zijn brochure Een ernstige fout precies dezelfde aanklacht inbrengt tegen onze Nederlandsche Synodes, want „deze Synodes, zegt hij, met verwijzing naar verschillende plaatsen bij Reitsma en Van Veen, Acta der Prov. en Part. Synodes I p. 33 verplaatsen leeraren van de eene gemeente naar de andere, verbieden om een beroep aan te nemen of zenden een leeraar ook zonder beroep der gemeente naar eene gemeente zonder al te zeer naar ieders rechten of plichten te vragen”.1) Ik zou er aan kunnen toevoegen, dat onze Nederlandsche Kerkenorde in Art. VII evenzeer spreekt van het zenden van predikanten naar eene gemeente onder het kruis, in Art. X bepaalt, dat een predikant geen beroep mag aannemen zonder bewilliging van den Kerkeraad en voorweten van de Classis, en in Art. XI handelt over het verzetten van een predikant naar een andere gemeente door de Classis. Of aan deze bepalingen van onze Kerkenorde thans nog in strikten zin de hand wordt gehouden, is de vraag niet. Ik wijs er alleen op om te doem zien, dat van een onderscheid in dit opzicht tusschen de Fransche en onze Kerken geen sprake is.

In de tweede plaats wijst Dr van Lonkhuyzen op wat hij noemt de zeer drastische maatregelen, die de Fransche Synoden hebben genomen tegen gemeenten, die weigerachtig bleken om hunne predikanten van een behoorlijk onderhoud te voorzien. Zulke gemeenten werden dan gestraft doordat de bediening des Woords en der Sacramenten haar onthouden werd, wat Dr van Lonkhuyzen met den odieuzen naam betitelt van „interdict”. Nu dient men bij deze bepaling wel in het oog te houden, dat deze straf alleen toegepast werd, wanneer zulk een gemeente niet uit armoede maar uit gierigheid of onwil haar plicht tegenover haar predikant niet vervulde2) en in de tweede plaats, dat deze straf alleen duurde zoo lang zulk een gemeente niet tot inkeer en betering was gekomen.3) Dat de predikanten in de Classis, zoolang zulk een kerk in deze zonde volhardde, en haar predikant verplaatst was naar elders om geen honger te lijden, geen vacaturebeurten vervulden en de Synodes geen predikant of candidaat naar zulk een gemeente zonden, was zeker een strenge maatregen, maar die daarom nog niet onbillijk was te noemen. Zooals de Fransche Synoden terecht opmerkten, dreigden door dezen onwil der gemeente om haar predikant te onderhouden, de kerken verwoest te worden, werd schande over de kerken in Frankrijk gebracht en werd, wat meer zegt gezondigd tegen het gebod van Christus. Onze Nederlandsche kerken stonden voor dit vraagstuk heel anders, want deels door de toewijzing der pastoralia, deels door de tractementen, die de Overheid uitkeerde, behoefden ze niet uit eigen middelen in het onderhoud harer predikanten te voorzien. Maar ook hier werd toch in Art. 10 KO. De bepaling gemaakt, dat „bij gebrek aan onderhoud” van den predikant de Classis hem verplaatsen kon. Voor de Fransche kerken, die geen rijke pastoralia en eerst veel later van den Koning eenig subsidie verkregen, was de vraag, of de gemeenten bereidwillig waren om hare predikanten te onderhouden, een levensquaestie. Dit alles werpt een heel ander licht op deze drastische matregelen dan Dr van Lonkhuyzen deed door zijn spreken van een „interdict.”

De hoofdaanstoot voor Dr van Lonkhuyzen ligt daarin, dat de Fransche Synode in hare besluiten meermalen de uitdrukking gebruiken, dat „de Synode beveelt en gelast”. Hij zit hier wel in eenige moeilijkheid, omdat hij alleen een Engelsche vertaling gebruikt, maar in den oorspronkelijken Fransche tekst staat, dat de Synode „ordonne et enjoint”. Al is het misschien juister het woord ordonner te vertalen door verordenen, toch heb ik geen bezwaar om dit woord door bevelen weer te geven. Tegen dat „bevelen en gelasten” nu slingert Dr van Lonkhuyzen zijn banbliksems. Een meerdere vergadering die beveelt of gelast, voert, zegt hij, heerschappij en dat is hiërarchie, collegialisme en geen Gereformeerd kerkrecht.4)

Indien dit zoo is, dan hebben onze Nederlandsche kerken zich aan hetzelfde zware vergrijp al even schuldig gemaakt, want ook hier komt in de Synodale acta de uitdrukking bevelen en gelasten (of gelijk men in het oud-Nederlandsch van die dagen zeide: belasten) telkens voor. Ik geef hier maar enkele voorbeelden. De Synode van Groningen beveelt de classen iets te doen en dreigt ze zelfs met censuur wanneer ze dit bevel niet nakomen.5) De Synode van Friesland beveelt de Classen toezicht te houden op de dienaren en kerkeraden.6) De Synode van Overijssel ordonneert, dat de Classis Steenwijk een suspect predikant zijn getuigenis zal afvorderen en gelast de Classis Kampen uit naam der Synode een schrijven te richten.7) De Synode van Zuid-Holland gelast de broederen van de Classis Gouda goed toezicht te houden op de kerk van Gouda.8) Ik noem maar enkele voorbeelden uit de Synodale acta. Indien Dr van Lonkhuyzen mocht aankomen met de uit vlucht, dat dit slechts particuliere Synodes waren en Voetius al gewaarschuwd heeft, dat men op de besluiten van classes en particuliere synodes niet al te veel moet afgaan, wijl deze wel eens hiërarchisch zijn opgetreden, laat me hem dan wijzen op de roemruchte synode van Dordrecht. In haar sententie achter de Canones zegt de Synode dat „zij volgens de autoriteit, die zij uit Gods Woord over alle de leden van hare kerken heeft, hem in de naam van Christus bidt, vermaant, verplicht en gelast (in het Latijn staat injungit)”.9) En de particuliere Synode van Zuid-Holland verklaart, „dat de Synode Nationaal, laatst gehouden binnen Dordrecht, de respectieve particulier Synodes vermaand en gelast heeft, dat zij niemand tot den h. kerkendienst toelaten dan die de belijdenis der kerk onderteekenen”.10) Deze sententie van de Synode van Dordt nu is niet alleen door alle inlandsche afgevaardigden eenstemmig goedgekeurd, maar ook door de buitenlandsche afgevaardigden behalve door de Engelschen, Bremen en Hessen, niet omdat zij tegen de inhoud van deze sententie bezwaar hadden, maar omdat ze in een quaestie, die alleen de inlandsche kerken aanging (nl. de afzetting der Remonstrantsche predikanten) zich niet geroepen achtten een oordeel uit te spreken. Maar al laat men enkele buitenlandsche afgevaardigden er buiten, die zich liever van een oordeel onthielden, de leden der Synode zelve, de hoogleraren in de Theologie daar aanwezig en de meeste buitenlandsche afgevaardigden hebben deze sententie wel goedgekeurd en dus verklaard niet alleen dat de Synode het recht had om aldus te bevelen en te gelasten, maar dat de Synode dit recht bezat krachtens de autoriteit, die zij uit Gods Woord heeft.

Van een onderscheid tusschen het Fransche en het Nederlandsche kerkrecht kan, wat dit punt aangaat, derhalve geen sprake zijn. Maar er is meer dan dit. Indien Dr van Lonkhuyzen om dit „bevelen en gelasten” de Fransche Synodes beschuldigt en aanklaagt van hiërarchie, collegialisme enz. dan treft ditzelfde verwijt ook de Synode van Dordt. En dit verwijt wordt nog te snerpender, waar de Synode van Dordt voor dit gelasten en bevelen zich beriep op de autoriteit door God haar verleend en dit doet in de naam van Christus. Want dan heeft de Synode van Dordt op verschrikkelijke wijze misbruik gemaakt van Christus naam en zich een autoriteit aangematigd, die zij naar Gods Woord niet had.

Voetius oordeelt hierover anders, en indien Dr van Lonkhuyzen Voetius beter bestudeerd had, zou hij zich zeker voorzichtiger hebben uitgelaten. In het laatste deel van zijn Politia Ecclesiastica, waar hij het heeft over de kerkelijke macht, wijdt hij een heel hoofdstuk aan de vraag of de ambtdragers, aan wie de sleutelen des hemelrijks zijn gegeven, de macht hebben om te bevelen.11) Hij beantwoordt die vraag in bevestigenden zin en voert hiervoor verschillende bewijsplaatsen uit de Heilige Schrift aan. Onder die bewijsplaatsen noemt hij ook Hand. 15: 28, want de Synode, bestaande uit Apostelen, ouderlingen en broeders, hebben aan de kerken een last opgelegd, wat synoniem is met bevelen.12) En daarom, zegt hij, „heeft ook de Synode van Dordt zich niet schuldig gemaakt aan pauselijke hiërarchie, toen ze in haar 138ste sessie volgens de autoriteit, die naar Gods Woord haar toekwam, allen en een iegelijk vermaande en gelastte.” 15)

Niet minder ernstig bezwaar heeft Dr van Lonkhuyzen er tegen, dat de Fransche Synodes besluiten van mindere vergaderingen vernietigen, en bevelen dat al wat in de acta ten nadeele van een bepaalden persoon stond, geschrapt zou worden. Zulk een „casseeren” van een naar het oordeel der Synode onrechtmatig vonnis zou weer blijk zijn van den hiërarchischen geest der Fransche Kerken. Naar Gereformeerd kerkrecht zou de Synode niet anders mogen doen dan de zaak terugwijzen naar de mindere vergadering en har aantonen, dat haar besluit niet wel gefundeerd is. Het zou mij zeer aangenaam wezen, wanneer Dr van Lonkhuyzen uit de Acta onzer Synoden ook maar één geval kon aanwijzen, dat bij een appèl tegen een tuchtvonnis een Synode aldus – gelijk hij wilde – gehandeld heeft. De Synode van Groningen dacht er anders over toen zij verklaarde „een afzetting van een predikant door een Classis zou gecancelleerd en vernietigd worden” en ze dezen predikant „weder in zijn ambt herstelde”.16)

Ik zou nog meer voorbeelden kunnen geven om aan te toonen, hoe het onderscheid, dat Dr van Lonkhuyzen meent, dat tusschen het Fransche en het Nederlandsche kerkrecht bestond, in werkelijkheid niet heeft bestaan en beide kerken over de autoriteit der Synodes volkomen gelijkelijk hebben gedacht. De fout van zijn beschouwing ligt daarin, dat hij van dit Nederlandsche kerkrecht in de 16e en 17e eeuw geen studie heeft gemaakt. Wat Groen van Prinsterer eens aan Dr Bronsvelds adres schreef, toen deze op politiek gebied zich allerlei wijsheden veroorloofde, dat om over een zaak mee te praten, men toch eerst eenige studie er van moest maken, schijnt een eisch te zijn, die Dr van Lonkhuyzen niet geleerd heeft.

Intusschen is het niet alleen mijn doel geweest om onze Fransche zusterkerken, aan wier beginselvastheid en trouw ieder lof toekent, vrij te pleiten van de smet door Dr van Lonkhuyzen op haar geworpen. Dr van Lonkhuyzen heeft in zijn brochure „Een ernstige fout” beweerd, dat het afzetten van een kerkeraad in strijd was met wat de historie der Gereformeerde kerken inzonderheid van Nederland ons leerde; want geen Gereformeerde kerk zou dit ooit hebben gedaan. Het onderzoek, dat ik instelde, heeft getoond, dat onze Nederlandsche Synodes, met name de Synode van Dordt, dit wel hebben gedaan. Wat de Fransche kerken betreft moet Dr van Lonkhuyzen zelf toegeven, dat de Synodes dezer kerk wel degelijk last hebben gegeven om kerkeraden te censureeren en af te zetten. Laat me aan het slot van deze historische beschouwing ook nog mogen wijzen op het standpunt dat de Schotsche kerken ten deze hebben ingenomen, omdat ook deze kerken, al hebben ze op ons Nederlandsche kerkrecht weinig invloed gehad, toch voor de ontwikkeling van het Gereformeerde kerkrecht zelf zeker groote beteekenis gehad hebben.

Een eigenaardigheid van dit Schotsche kerkrecht, zooals het te vinden is in The Second Buik (d.i. Boek) of Discipline is, dat hier aan het presbyteries het volle recht wordt toegekend om zelf kerkelijk ambtsdragers te kiezen en, wanneer deze ambtsdragers zich misgaan, hen zelf af te zetten.17) Van een approbatie der beroeping door de Classis of een afzetting van predikanten door de classis is hier geen sprake. Het bezwaar dat de Independenten tegen deze beide bepalingen in onze kerkenorde inbrachten, gold hier dus blijkbaar niet. Maar waar zoo eenerzijds de volle macht der presbyteries erkend en door niets werd belemmerd en door niets werd belemmerd, werd wat de tuchtoefening betreft over de ambtsdragers, diezelfde macht evenzeer toegekend aan de provinciale Synodes, wanneer de presbyteries hun roeping niet nakwamen. ”De Provinciale Synode heeft macht, zoo heet het, om alle dingen te behandelen, te ordenen en te herstellen, die nagelaten zijn of verkeerd zijn gedaan door de particuliere vergaderingen (d.w.z. de presbyteries). Ze heeft macht om de ambtsdragers in haar provincie af te zetten om rechtvaardige oorzaken die zulk een afzetting verdienen. En in het algemeen gesproken hebben deze Provinciale saamkomsten de hele macht van de particuliere presbyteries, waaruit zij zijn saamgesteld.”18) En van de Generale Synodes wordt daarna hetzelfde gezegd.19)

Er is op dit punt dus geen het minste verschil tusschen het Nederlandsche, het Fransche en Schotsche Kerkrecht. En de Synode van Assen is derhalve niet afgeweken van hetgeen onze Gereformeerde Kerken in de 16e en 17e eeuw, toen het Calvinisme nog zijn zuiverste vorm vertoonde, hebben geleerd en gedaan, maar ze is trouw gebleven aan het voorbeeld door ons vaderen haar gegeven, Het was mijn doel dat aan te toonen, en daarom kan ik hiermede dit historisch overzicht besluiten.

H.H.K.

 

Noten:

1) Een ernstige fout blz. 3 punt 1.
2) La discipline des Eglises Reformées pag. 76.
3) t.a.p. pag. 76. Volgens Dr van Lonkhuyzen zou de Synode van La Rochelle 1607 zelfs besloten hebben, dat „wanneer de kerk dit niet deed, zij voor altijd beroofd zou worden van den dienst van Gods heilig Woord en der sacramenten” met verwijzing naar Acta et. IX art.19 (in het Gereformeerd Theologisch Tijdschift 31 Jaargang blz. 466) In de acta dezer Synode bij Aymon, waar over deze zaak uitvoerig gehandeld wordt t. I. p. 223 staat hiervan geen woord. Of Dr van Lonkhuyzen hier fantaseert dan wel zijn zegsman Rev. Quick laat ik in het midden.
4) Gereformeerd Theologisch Tijdschrift 31 Jaargang blz. 261.
5) Reitsma en Van Veen Acta der Prov. en Part. Syn. t. VII blz.59.
6) t.a.p. t. VI blz. 280.
7) t.a.p. t. V blz.271, 275.
8) t.a.p. t. III blz. 35.
9) Acta der Dordtsche Synode sessie 138.
10) t.a.p. t. III blz. 468.
11) Pol. Eccl. t. IV p. 787 en v.v.
12) t.a.p. pag. 788.
13) t.a.p. 791.
14) Theologisch Tijdschrift, 31 Jaargang, blz. 467.
15) t.a.p. p. 32 Jaargang, blz. 264.
16) Reitsma en Van Veen, t. VIII blz. 37.
17) The second Buik of Discipline Ch. VII, art 15 en 16.
18) t.a.p. art. 20.
19) t.a.p. art. 21 en 22.