nr. 2840
26-06-1932

Napleiten (XI)

Er heeft steeds een zeer nauw verband bestaan tusschen de Gereformeerde kerken in Nederland en de Gereformeerde Kerken in Frankrijk, nauwer dan met eenige andere kerk in het buitenland. Een verband, dat niet alleen daarin besrond, dat men over en weer naar elkaars synodes afgevaardigden zond en als bewijs van eenheid elkanders belijdenis en kerkenorde onderteekende, zooals Dr van Lonkhuyzen zelf meedeelt, maar dat vooral daarin uitkwam, dat degenen, die in ons vaderland aan onze kerken een belijdenis schonken en haar constitueerden, zich daarbij in hoofdzaak gericht hebben naar het voorbeeld door de Fransche kerken gegeven. Wanneer Dr van Lonkhuyzen zoo bevreesd is voor den invloed van het Fransche kerkrecht en de leuze aanheft: in eigen rechte lijn, alsof men in Nederland een geheel ander soort kerkrecht zou gehad hebben, dan stemt dit weinig overeen met hetgeen de historie ons leert en ook door Dr van Lonkhuyzen zelf erkend wordt, als hij in zijn eerste artikel er op wijst, dat onze Kerken bij de Fransche kerken zijn „ter schole” gegaan. De Fransche geloofsbelijdenis heeft als voorbeeld gediend voor de geloofsbelijdenis door Guido de Bres opgesteld en is grootendeels daaraan ontleend. En in nog sterkere mate geldt ditzelfde voor onze kerkelijke institueering zoowel van de plaatselijke kerk als van het kerkverband in classen en synoden. Wanneer Voetius onze Nederlandsche kerken roemt als de kerken, die het meest nauwgezet de reformatie hebben doorgevoerd en die de beste constitutie hebben, dan voegt hij er aan toe: „als die in schier alle dingen het voorbeeld hebben gevolgd van de Fransche kerken”.1) Een uitspraak, waaruit niet alleen blijkt, hoe Voetius de afhankelijkheid van ons Gereformeerde kerkrecht in Nederland van het Fransche kerkrecht erkent, maar ook hoe hij dit Fransche kerkrecht als een model, als een maatstaf beschouwt. Hij gebruikt in het Latijn het woord modulus, dat maatstaf beteekent.2) En wat Voetius hier zegt, is zeker niet overdreven. Reeds de eerste provinciale synodes in Zuid-Nederland gehouden, van 1563 tot 1566, hebben zich in hare beslissingen schier woordelijk aangesloten bij de Fransche Kerkenorde door de Synode te Parijs, in 1559 vastgesteld. En van onze latere nationale Synodes geldt hetzelfde. Het zou zelfs een zeer interessante studie zijn om na te gaan, hoe sterk die invloed van de Fransche kerken op onze Synodes ingewerkt heeft. Als de Fransche kerken later haar Kerkenorde, door toevoegingen van nieuwe artikelen, uitbreiden, of belangrijke beslissingen nemen, dan blijkt telkens, hoe onze Synodes zich daarbij aansluiten. Een slaafsche navolging was dit zeker niet; er zijn verschillen; maar die verschillen zijn niet van essentieelen aard en raken alleen middelmatige dingen, zooals ik reeds in een vorig artikel aanwees.

Maar er is meer dan dit. Het Fransche Kerkrecht is niet alleen van betekenis om den invloed, dien het op ons Nederlandsch kerkrecht heeft uitgeoefend, maar ook uit principiëel oogpunt, omdat de Gereformeerde beginselen hier veel zuiverder nog in onze kerken konden worden toegepast. Voetius zelf geeft dit op de aangeduide plaats niet onduidelijk te kennen. Hoe hoog de lof toch is door Voetius aan onze Nederlandsche kerken toegezwaaid, hij erkent toch, dat op onze kerken factoren hebben ingewerkt, die voor de zuivere ontwikkeling van het Gereformeerde kerkrecht belemmerend waren. In de eerste plaats wijst hij op de ongeschiktheid van ons volk en zijn dwaze vasthouden aan oude gewoonten. Onze kerk was een volkskerk geworden met al de gevolgen daarvan. Onze Synodes en onze kerken moesten zich daarom wel schikken en rekening houden met onze volkszeden, En in de tweede plaats noemt Voetius den invloed der Overheid, die onze Synodes dwong tot beslissingen, of wil men concessies, die met ons Gereformeerd kerkrecht in strijd waren. Het voorrecht publieke kerk te zijn, door de Overheid erkend en gesteund, bracht de Kerk in een maar al te afhankelijke verhouding tot de Overheid. Deze beide voor de zuivere ontwikkeling van ons Gereformeerd kerkrecht zoo schadelijke factoren, hebben de Fransche kerken niet gekend. Een volkskerk was de Fransche kerk niet en concessies aan de Overheid, die haar eerst zoo bitter vervolgde en later alleen tolereerde, was hier geen sprake. De ontwikkeling van het Gereformeerde kerkrecht kon daarom in de Fransche kerk veel zuiverder plaats hebben dan bij ons. Toen onze kerken, na gebroken te hebben met de Synodale organisatie, terugkeerden tot de Dordtsche kerkenordening, moesten ze daarin niet geringe wijzigingen aanbrengen juist om deze Overheidsinmenging in kerkelijke zaken af te snijden. De Fransche kerken uit onze tijd zouden, wanneer ze weer Gereformeerd wilden worden, zonder eenig bezwaar tot haar aloude kerkenordening kunnen weerkeeren.

En hierbij komt in de derde plaats. Dat dit Fransche kerkrecht veel rijker zich heeft kunnen ontwikkelen dan ons Nederlandsche kerkrecht, bij ons heeft die ontwikkeling feitelijk stilgestaan na 1619. Nationale Synodes mochten na de Synode van Dordt niet meer gehouden worden. Wanneer men nu nagaat, hoe onze Nationale Synodes van 1571 af, al bleven de grondslagen gelijk, toch op dien grondslag hebben voortgebouwd, veranderingen in de kerkenorde hebben aangebracht en in zich voordoende gevallen nieuwe beslissingen hebben genomen, die voor het kerkrecht van belang waren, dan voelt ieder, hoe de stagnatie, die na 1619 intrad, de verdere ontwikkeling belemmerd heeft. Voor de Fransche kerken geldt datzelfde niet, althans niet in die mate, want al hebben de Fransche Synodes opgehouden met de Synode van te Loudon in 1659 – ik laat de Synodes du désert, die daarna nog gevolgd zijn, hier buiten bespreking, omdat toen, na de herroeping van het Edict van Nantes, de meeste Gereformeerden het land hadden verlaten – de ontwikkeling van het ontwikkeling van het kerkrecht heeft hier toch bijna een halve eeuw langer geduurd. De acta onzer nationale Synodes konden in een klein handboekje gedrukt worden; die der Fransche Synodes vroegen twee lijvige kwartijnen. Wie het Gereformeerd kerkrecht bestudeeren wil, zooals zich dit historisch ontwikkeld heeft, vindt in deze Acta der Fransche Synodes een goudmijn, die hij niet straffeloos verwaarloozen kan.

Dr van Lonkhuyzen, al heeft hij zelf in zijn eerste artikel erkend, dat onze kerken bij de Fransche ter schole zijn gegaan, meent toch, dat er belangrijke verschillen zijn en geeft daarvan in zijn volgende artikelen dan verschillende voorbeelden aan. Dat er verschillen bestaan zal niemand, die van deze zaak studie heeft gemaakt, ontkennen. Ik heb hierop zelf reeds gewezen in mijn voorgaand artikel. Voor zoover deze verschillen liturgische quaesties betreffen of ondergeschikte huishoudelijke bepalingen, die elke kerk naar eigen goedvinden maken kan, is dit verschil van weinig belang. Maar Dr van Lonkhuyzen gaat veel verder, want hij maakt deze verschillen tot een principiëele tegenstelling en beschuldigt de Fransche kerken ervan, feitelijk op de hiërarchische lijn te zijn overgegaan, en aan de Synodes een macht te hebben toegekend, die met de beginselen van ons kerkrecht lijnrecht in strijd is. En daartegenover staat dan ons Nederlandsche kerkrecht, waarin zuiver de recht lijn wordt bewaard. In hoeverre de voorbeelden, die Dr van Lonkhuyzen hiervoor aanhaalt, die dit beweren staven, zal ik in een volgend artikel bespreken. Het zal dan wel blijken, dat van een tegenstelling met ons Nederlandsche kerkrecht, zooals dit uit de besluiten onzer Synodes gekend wordt, geen sprake is. Thans wil ik alleen hierop wijzen, dat volgens Dr van Lonkhuyzen dit principiëele verschil daaraan te wijten zou zijn, dat de Fransche monarchaal waren, terwijl wij Nederlanders republikeinsch waren. Ook in beider kerkinrichting zou dit nationale verschil zich afgespiegeld hebben. En waar deze ”monarchale” heerschappij in de kerk contrabande is, zou daaruit de deviatie der Fransche kerken te verklaren zijn. Onze republikeinsche geest zou onze kerken daarvoor bewaard hebben.

Nu is het zeker waar, dat onze Hollandsche aard tuk is op vrijheid. Zooals Voetius het reeds zei: ons volk verdraagt geen aanranding van zijn vrijheid noch in staat noch in de kerk. Dat die vrijheidszucht niet zonder ernstige schaduwzijden is, heeft de geschiedenis onzer republiek wel bewezen. Elke stad, elke provincie wilde souverein zijn. De eenheid van ons volk leed daardoor schade. Een centraal gezag ontbrak. Ieder deed wat goed was in zijne oogen. Ook op kerkelijk gebied heeft die vrijheidszucht ons schade genoeg bezorgd. De doopersche trek zat er bij ons volk in. Het feit, dat onze Gereformeerde kerken in Nederland twee eeuwen lang geen nationale Synodes gehad hebben, teekent in dit opzicht genoeg. Elke provincie had haar eigen kerkorde en ging haar eigen gang.

De Fransche geest, zooals G. de Felice in zijn Histoire des Synodes nationaux des églises reformées de France opmerkt, wil beide gezag en vrijheid tot haar recht doen komen. Het evenwicht tusschen beide, zegt hij, is de orde en de Fransman heeft diep in zijn ziel een groote behoefte aan orde. Al geeft hij zijn vrijheid niet prijs, hij wil toch dat er zoowel in de staat als in de kerk flinke handen zijn, die de teugels weten vast te houden.” (p. 53). Het is dan ook geen toeval, dat Calvijn, die de groote organisator onzer kerken is geworden en wiens verdienste niet het minst daarin ligt, dat hij zulk een vaste organisatie ontwierp, uit het Fransche volk is voortgekomen. En evenzeer ligt daarin de oorzaak, dat de Fransche kerken het eerst ook voor het onderling verband der kerken een organisatie in het leven hebben geroepen, die voor alle andere kerken ten voorbeeld werd. Van het independentisme hebben deze niets willen weten. „Er moest gezag zijn, zooals de Felice zegt, juist om de vrijheid te kunnen handhaven. Dat gezag kwam toe aan de kerkeraden, die de tucht uitoefenden; het zette zich uit en versterkte zich van trap tot trap en bereikte haar hoogtepunt in de nationale synode”.

Maar dat onze Fransche Gereformeerden niet monarchaal waren, althans in dien zin niet, waarin de Fransche Koningen het monarchaal gezag opvatten, heeft de historie wel geleerd. Zooals Calvijn republikeinsch was en voor de volksvrijheden opkwam, zoo waren het ook zijn geestelijke kinderen in Frankrijk.

En nog veel minder kan van zulk een monarchale geest in de Fransche kerken gesproken. Zij waren wel het diepst afkeerig van elke hiërarchie in de kerk. Haar kerkorde begint met als beginsel voorop te stellen, dat „geen kerk over een andere kerk, geen predikant over een anderen predikant, geen ouderling over een anderen ouderling, geen diaken over een anderen diaken heerschappij zal oefenen.” Zoo bevreesd waren deze Kerken voor de invoering van een hiërarchisch ambt, dat ze zelfs van kerkvisitatoren niet weten wilden. En toch zouden deze kerken volgens Dr van Lonkhuyzen de kapitale fout begaan hebben van een monarchaal, een hiërarchisch bewind te hebben ingevoerd. De „monarchale geest”van den Franschman zou daarvan de schuld dragen.

Laat men daartegenover het getuigenis mogen stellen van de Felice, die van de geschiedenis der Fransche kerken en Fransche Synodes meer studie heeft gemaakt dan Dr van Lonkhuyzen. „Men kan zeggen, beweert hij, en we hebben de bewijzen daarvoor in handen, dat onze kerkelijke constitutie in menig opzicht het voorbeeld is geweest van de laatste politieke constitutie van ons land (hij bedoelt daarmede de democratische of republikeinsche constitutie) waarin vrijheid, gezag, orde en eenheid tot hun recht kwamen. Hoe dan? Hebben onze politieke wetgevers onze kerkelijk wetgevers gecopieerd? Neen, ze hebben ze ternauwernood gekend. Maar indien ze elkaar ontmoet hebben, dan is het omdat ze Franschen waren, de een zoowel als de andere” (pag. 54)

De republikeinsche constitutie van het tegenwoordige Frankrijk, het spiegelbeeld van de kerkelijke organisatie der Fransche kerken, - er mag hierin zekere overdrijving schuilen, maar dit oordeel van een der beste kenners van het Fransche kerkrecht toont toch hoe geheel onjuist de voorstelling is, alsof deze organisatie onzer Gereformeerde kerken in Frankrijk uit de „monarchale geest” van het Fransche volk zou voortgekomen zijn.

H.H.K.

 

Noten:

1) Voetius Pol. Eccl. t. IV. p.217.
2) Ook de kerkeraad van Genève zegt in een brief aan de Synode te Castres, dat „de discipline van uwe kerk de uitstekendste is, die ooit heel de Christelijke wereld is geoefend (Aymon. T. II. p. 433)”.