nr. 2839
19-06-1932

Napleiten (X)

In zijn eerste brochure had Dr van Lonkhuyzen op zich genomen om aan te toonen, dat wat de Asser Synode deed, het afzetten van een kerkeraad, in strijd was met de geschiedenis der Gereformeerde Kerken, inzonderheid met die in Nederland.1) Maar nu blijkt, dat dit getuigenis der geschiedenis, waarop hij zich beroepen had, juist tegen hem pleit, antwoordt hij: „gij beroept u op de vaderen, maar wat de vaderen deden, gaat mij het minst aan.”2) Een degelijke wijze van argumenteeren, die doet denken aan het haantje op den toren, dat met elken wind weer omdraait, maakt het debat wel moeilijk. Maar al heet thans een beroep op de geschiedenis der gereformeerde Kerken voor Dr van Lonkhuyzen geen de minste waarde, hij houde ons ten goede, dat wij met den Senaat der Vrije Universiteit het eens zijn, dat voor de kennis der Gereformeerde beginselen inzonderheid voor het Kerkrecht de beslissingen onzer Synodes en de geschiedenis onzer Kerken een der hoofdbronnen zijn. Ook Voetius, als hij handelt over de macht der Synodes niet alleen om bindende besluiten te nemen maar ook om met kerkelijke straffen op te treden tegen degenen, die zich aan die besluiten niet onderwerpen willen, beroept zich met nadruk op hetgeen in alle Gereformeerde kerken, die hij met name noemt, als het recht der Synodes gold.3) Een Gereformeerd kerkrecht dat zich losmaakt van den historische bodem, waarin het zich ontwikkeld heeft, loopt gevaar een Platonische republiek te worden.

Nu heeft Dr van Lonkhuyzen, al beroept hij zich eerst op de Gereformeerde beginselen, er daarna weer op gewezen, dat de ontwikkeling van dit Kerkrecht in zooverre een nationaal karakter vertoont, dat de eigenaardigheid van het volk en de omstandigheden, waaronder dit volk leeft, op het positieve kerkrecht invloed heeft gehad. Een uniform kerkrecht, dat voor alle Gereformeerde Kerken geldt, is er niet, want elke landskerk had haar eigen kerkenorde. Zelfs kan de differencieering nog verder doorgetrokken worden. In de dagen onzer Republiek hadden verschillende provincies zooals Zeeland, Friesland, Groningen, Drenthe haar eigen kerkenorde, die op verschillende punten van elkaar afweken. Wanneer Dr van Lonkhuyzen voor deze nationaliseering van het kerkrecht zich ook daarop beroept, dat elke nationale kerk haar eigen Confessie heeft gehad, dan dient daarbij toch wel onderscheid te worden gemaakt. Het plan om voor alle Gereformeerde Kerken saam één gemeenschappelijke belijdenis op te stellen, is wel ter sprake gekomen, maar men heeft tenslotte de voorkeur er aan gegeven een harmonia Confessionum te drukken, waarin al de nationale belijdenissen waren opgenomen, om de innerlijke overeenstemming dezer belijdenissen aan te toonen. De vorm mocht verschillen, in het wezen was men één. In zooverre in deze belijdenissen ook de grondlijnen aangegeven waren voor het kerkregiment, zooals Christus dit had ingesteld, was er overeenstemming. Maar bij de practische regeling van het kerkregiment in de kerkenordeningen dezer Kerken was er wet verschil, omdat in deze Kerkenordening allerlei bepalingen voorkomen, die de orde der Kerken raken en daarom, zooals Voetius het uitdrukt, niet essentieel zijn, niet rechtstreeks op Gods Woord zijn gegrond, maar middelmatige zaken betreffen, waarin elke Kerk vrij is te handelen naar eigen inzicht en naar de omstandigheden in dat land. In zulke middelmatige zaken, zegt onze Kerkenorde in art. 85, zal men de buitenlandsche kerken niet verwerpen, die een ander gebruik hebben dan wij. Bij de Confessie moet er éénheid zijn, want de geloofswaardigheid is één. Maar bij de kerkenordeningen kan men die eenheid niet als eisch worden gesteld en heeft ook nooit bestaan. In dien zin kan er van een Nederlandsch kerkrecht gesproken worden. Even als van een Schotsch kerkrecht, een Fransch kerkrecht enz. En het spreekt van zelf, dat onze kerken in Nederland in de eerste plaats met dit jus ecclesiasticum Belgicum, zooals ook Voetius het noemt, te rekenen hebben. De gebondenheid aan de Kerkenorde en aan de beslissingen van onze Generale Synode brengt dit vanzelf mede. En aangezien onze Kerkenorde niet eerst in de vorige door onze Kerken is opgesteld, maar een historisch actestuk is, spreekt evenzeer van zelf, dat bij de vraag, wat met de bepalingen in onze Kerkenorde bedoeld is, in de eerste plaats rekening moet worden gehouden met de historische interpretatie, d.w.z. met hetgeen onze vroegere Synodes, die deze Kerkenorde hebben vastgesteld, blijkens haar eigen handelingen, daaronder hebben verstaan.

Nu heeft Dr van Lonkhuyzen, die voor dit Nederlandsche Kerkrecht opkomt, een uitvoerige studie geleverd van het Fransche kerkrecht, om aan te toonen, welk verschil er tusschen het Nederlandsche en Fransche kerkrecht bestaat. Gold dit verschil nu alleen „middelmatige dingen”, dan zou ik hiertegen geen bezwaar maken. Er is verschil en ik zal zeker niet beweren, dat ik het Fransche kerkrecht in elk opzicht voortreffelijker vind dan ons Nederlandsche Kerkrecht. Als Fransche Kerken, naar het voorbeeld van Genève, de wandelende communie bij het Avondmaal hebben ingevoerd, d.w.z. dat iedere Avondmaalganger naar de predikant moet gaan om uit zijn handen brood en beker te ontvangen, dan acht ik onze Nederlandsche wijze van Avondmaalviering, waarbij men aanzit aan één disch en elkander brood en beker toereikt, meer in overeenstemming met de wijze, waarop Christus het Avondmaal met zijne discipelen heeft gevierd. Maar wanneer Dr van Lonkhuyzen dat verschil opblaast tot een principiëel verschil en daarbij de Fransche Kerken beschuldigt van de Gereformeerde beginselen te zijn afgeweken, en de hiërarchische lijn te zijn opgegaan, dan wordt daarmee een beschuldiging ingebracht tegen deze Gereformeerde Kerken, die door haar martelarenbloed haar trouw hebben betoond, welke niet onweersproken mag blijven.

Mijn eerste bezwaar nu tegen Dr van Lonkhuyzen is de onwetenschappelijke wijze waarop hij te werk gaat bij dit onderzoek. Wie een studie wil maken van het Fransche kerkrecht, d.w.z. met de beslissingen, door de Fransche Synodes genomen, heeft daarvoor te gebruiken de uitgave van de Acta dezer Synodes, door Aymon ons bezorgd, in twee lijvige quartijnen, onder de titel „Tous les Synodes Nationaux des Eglises reformées”, uitgegeven in Den Haag, in 1710. Hier heeft men de authentieke Acta afgedrukt. Behalve deze Acta heeft men ook nog uitgaven van de Kerkenorde, door de Fransche Kerken vastgesteld, met daarbij gevoegd de besluiten der Synodes, die op de artikelen dezer Kerkenorde betrekking hebben. Zulk een uitgave is bezorgd door d’Huisseau, predikant te Saumur onder den titel „La discipline des Eglises Reformées de France”, waarvan in 1675 een nieuwe editie verscheen. Niet minder van beteekenis is een andere uitgave van de Fransche Kerkenorde, die in 1700 te Amsterdam gedrukt werd, omdat hier bij elk artikel wordt aangewezen met citaten uit de oude Conciliën en Kerkvaders, hoe deze Kerkenorde overeenstemde met die der oude christelijke kerk. Geen dezer uitgaven zijn moeilijk te verkrijgen; ze bevinden zich in onze openbare bibliotheken. Maar Dr van Lonkhuyzen, die over het Fransche kerkrecht ons zal inlichten, kent geen van deze uitgaven. Hij heeft ze zelfs nooit gezien. Want als hij de besluiten der Fransche Synodes aanhaalt, dan maakt hij gebruik van een – Engelsche uitgave bezorgd door Rev. J. Quick onder den titel Synodicon. In hoeverre deze uitgave betrouwbaar is, weet ik niet. Dr van Lonkhuyzen haalt uit dit Synodicon besluiten aan van Synodes, die in de officiëele acta dezer Synodes niet te vinden zijn. Zoo noemt hij als bewijs, hoe de Fransche Synodes niet terug deinsden voor het nemen van krasse disciplinaire maatregelen tegen reactionaire mindere vergaderingen, een besluit van de Synode van Montauban van 1594 met verwijzing naar de Kerkenorde, Chr. 6 art. 14 (Theol. Tijdschrift 31 Jaarg. Blz. 464). Maar noch in de Fransche Kerkenorde (Cap. VI heeft maar 5 artikelen) noch in de Acta dezer Synode bij Aymon is dit besluit te vinden. Ik beweer daarom niet, dat Rev. Quick dit besluit verzonnen heeft, maar controle is onmogelijk, wanneer men niet de acta der Synoden zelf aanhaalt noch vermeldt op welke bladzijde bij Aymon zulk een besluit te vinden is, maar zich behelpt met een „Engelsche vertaling”. Dat bovendien zulk een Engelsche vertaling niet voldoende is, wanneer het juist aankomt op de letterlijke woorden, die de Synode gebruikt heeft, is duidelijk. Dr van Lonkhuyzen moet dan ook telkens raden en gissen, welke woorden in het Fransch gebruikt zijn. Een wetenschappelijke methode van onderzoek is dit niet.4)

H.H.K.

 

Noten:

1) Een ernstige fout blz. 3.
2) Theol. Tijdschrift Jaargang 1931 blz. 272.
3) Voetius Pol. Eccl. t. IV. p. 180.
4) In mijn vorig artikel heb ik Dr van Lonkhuyzen laten zeggen, dat we via Dordt van Emden naar Wezel terug moesten, omdat volgens hem alleen het Convent van Wezel het juiste Gereformeerde beginsel had uitgesproken. Dr van Lonkhuyzen schreef echter: „Terug mijne broeders via Dordt naar Emden en Wezel”. Theol. Tijdschrift Jaarg.1932 blz. 425. zoodat Emden nog goedgekeurd wordt, alleen Dordt niet. Of de bepaling van Wezel Cap. V art.19 dat „aan de Classis in deze zaak (volgens Dr van Lonkhuyzen het afzetten van predikanten en ouderlingen) geen recht toegekend wordt ten opzichte van eenige kerk of hare dienaren dan wanneer zij vrijwillig daarin toestemt, opdat de Kerk niet tegen haar wil van haar recht en gezag beroofd worde”, metterdaad bedoelt, wat Dr van Lonkhuyzen daaruit afleidt, betwijfel ik. Want in Cap. VIII, waarin over de over de oefening der tucht wordt gehandeld, staat (Art. 16) dat bij erge zonden de ambtsdragers, die daarvan overtuigd worden in de vergadering der Classis afgezet zullen worden. Iets wat lijnrecht ingaat tegen de bewering van Dr van Lonkhuyzen, dat de afzetting altoos door den Kerkeraad moet geschieden. Maar hoe het ook zijn moge met het Convent van Wezel, de Synode van Emden heeft dit standpunt zeker niet ingenomen. In een bepaald geval waar het ging om de tuchtoefening over een predikant, sprak deze Synode wel uit, dat hij met het oordeel van den Kerkeraad opgeschorst of opgehouden moest worden van zijn dienst, maar, zoo volgt er op, als de kerkeraad hierin al te zacht of te slap handelt, dan zal door het oordeel van eenige broederen der kerk de zaak van de zaak van de onachtzaamheid en het oordeel van den Kerkeraad tot de Classis beroepen en betrokken mogen worden (part. vr. 22). Wanneer de Kerkeraad dus zijn plicht niet doet, kon de Classis handelend optreden, zelfs al zou de Kerkeraad het daarmede niet eens zijn. Dat is het wat Voetius steeds verdedigd heeft. Maar al meen ik, dat Dr van Lonkhuyzen het derhalve met Emden niet eens is, de bedoelde uitlating van hem was door mij onjuist weergegeven en ik wilde gaarne dezen slip of the pen herstellen.