nr. 2838
12-06-1932

Napleiten (IX)

Dr van Lonkhuyzen heeft in zijn brochure „Een ernstige fout” zich niet alleen beroepen op Hoornbeek, Voetius en Prof. Rutgers, maar ook op onze Gereformeerde Kerken om daarmede zijn aanklacht tegen de Asser Synode te staven. Metterdaad is juist, dat de gereformeerde beginselen van het kerkrecht, voorzoover ze hierbij in geding komen, inzonderheid moeten gekend worden uit hetgeen de Gereformeerde Kerken zelf hebben uitgesproken en gedaan, en niet alleen uit wat enkele, zij het dan ook gezaghebbende, Gereformeerde mannen hebben geschreven. In de bekende publicatie van den Senaat der Vrije Universiteit, hoe deze Gereformeerde beginselen te vinden zijn, wordt dan ook terecht opgemerkt, dat men met een beroep op de schrift niet volstaan kan, omdat juist over wat de Schrift ons leert, verschil van gevoelen bestaat en iedere Kerk zich op de Schrift beroept. De Roomsche Kerk doet dit voor haar primaat van den Paus; de Episcopaalsche Kerk voor haar bisschoppelijk regiment; de Luthersche Kerk voor de macht, die ze aan de Vorsten toekent in kerkelijke zaken; de Independendent voor zijn autonomie van de plaatselijk kerk en zijn verwerping van alle gezag der Synodes. Het komt hier dus aan op het recht verstand der Heilige schrift, en wie nu zelf Gereformeerd is zal daarom bij het zoeken naar die Gereformeerde beginselen in de eerste plaats – zegt deze publicatie – als bron hebben te erkennen, hetgeen het Calvinisme in zijn belijdenis geschriften heeft uitgesproken. Waarbij dan subsidiair in aanmerking komen de Liturgische formulieren der Gereformeerde Kerken, hare Kerkenordeningen en hare Synodale beslissingen, wat met name gezegd wordt voor haar kerkrechtelijke Theologie. In de tweede plaats worden dan genoemd de strijdschriften waarin de Calvinisten het goed recht van hun belijdenis verdedigd hebben, wederom met name tegenover de Independenten. Terwijl als derde hoofdbron genoemd wordt de Historie der Calvinistische Kerken.

Het beroep, dat Dr van Lonkhuyzen deed op de geschiedenis der Gereformeerde Kerken heeft dus zeker groote waarde, mits – en dat spreekt van zelf – hij dit beroep staven kan met afdoende bewijzen. Maar juist dit laat Dr van Lonkhuyzen na, of liever, hij komt tot de conclusie, dat niet één Gereformeerden Kerk zuiver de Gereformeerde beginselen, zooals hij die verstaat, heeft gehandhaafd en toegepast. Nu zal ik zeker niet beweren, dat alle, dat alle gereformeerde Kerken deze beginselen, zooals ze met name door Calvijn ons geleerd waren, even zuiver hebben bewaard. De Episcopaalsche Kerk in Engeland, die door onze Kerken om haar Gereformeerde belijdenis steeds als Gereformeerde erkend is, behield haar bisschoppelijk regiment. Evenzoo, al geschiedde dit in meer gematigden vorm, De Gereformeerde Kerken in Hongarije, Zevenbergen, Moravië en Bohemen. In verschillende Duitsche Gereformeerde Kerken had men superintendenten en consistoriën of opperkerkeraden. In de Zwitsersche Gereformeerde Kerken had men Synodes, die alleen uit predikanten bestonden, en geen kerkeraden of ouderlingen. Deze kerken daarom te verwerpen als hiërarchisch, papistisch enz. hebben onze Kerken nooit gedaan. Zoolang deze kerken zuiver het Evangelie beleden – dat was de hoofdzaak – werd deze afwijking in hen gedragen. Al was Calvijn geen voorstander van het bisschoppelijk regiment, zooals men thans wel beweert, hij heeft toch in zijn reformatieplan voor den Koning Polen en evenzoo in zijn reformatieplan voor Eduard den Koning van Engeland niet er op aangedrongen, dat dit bisschoppelijk regiment nu terstond zou worden afgeschaft. Met den aartsbisschop van Canterbury, Cramner, stond Calvijn in de meest vriendschappelijke verhouding en in zijn correspondentie komt geen woord voor, dat Cramner door zijn aartsbisschop-zijn een zware „zware zonde” tegen God beging, zooals Dr van Lonkhuyzen zou gedaan hebben. à Lasco, die zoowel in Oost-Friesland de Kerken aldaar, als in Londen onze vluchtelingenkerken organiseerde op zulk een voortreffelijke wijze, dat ieder hieraan hulde brengt en deze organisatie als een model beschouwd wordt van Gereformeerde kerkinrichting was — superintendent. Zelfs Voetius, die wel de aartsvijand was van alle hiërarchie in de Kerk, oordeelt toch over de opperkerkeraden in de Duitsch-Gereformeerde Kerken en het beperkte episcopaat, zooals hij het noemt, in Hongarije en andere landen, zeer gematigd. En de Synode van Dordt heeft geen bezwaar gemaakt den Engelsche bisschop, dien Jacobus zond als afgevaardigde, op de Synode toe te laten en hem zelfs een eereplaats onder de buitenlandsche afgevaardigden geschonken.

Maar al stel ik dit op den voorgrond om te laten zien, hoe geheel anders onze Gereformeerde leiders hebben geoordeeld over zulk een afwijking van wat ze zelf voor de zuiverste inrichting der kerk hielden, Ik stem Dr van Lonkhuyzen volkomen toe, dat hier toch een niet ongevaarlijke afwijking was en men daarom bij de vraag, wat de Gereformeerde beginselen zijn zich niet op deze Gereformeerde Kerken beroepen kan. Er is onderscheid in de zuiverheid, waarmede die beginselen zijn toegepast. En dan meen ik, dat de Fransche Kerken, die onder Calvijns leiding stonden en die voor het synodaal-presbyteriale kerkregiment het voorbeeld aan alle andere Kerken hebben gegeven; de Schotsche Kerk, waar John Knox, leerling van Calvijn, diens beginselen heeft toegepast; de Presbyteriaansche Kerken in Engeland, die tegen het Episcopalisme der Engelsche Staatskerk zoo kloek den strijd hebben aangebonden; en last but not least onze Nederlandsche Gereformeerde Kerken wel als de zuiverste representanten mogen gelden, waar het op handhaving en toepassing der Gereformeerde beginselen aankomt. Een beroep op deze kerken zou in de eerste plaats bij de vraag, wat de beginselen van het Gereformeerd Kerkrecht zijn, geldig wezen.

Maar Dr van Lonkhuyzen, die op de historie der Gereformeerde Kerken zich beroept, begint reeds met in zijn eerst brochure te verklaren, dat de Presbyteriaansche Kerken in Engeland van het Gereformeerde beginsel zijn afgeweken en de hiërarchische lijn zijn opgegaan.1) Ook met de Gereformeerde Kerk in Schotland is het volgens hem, in den grond hetzelfde geval geweest.2) Een bewijs daarvoor voert hij wel niet aan; het Book of Discipline, dat de Schotsche Kerkenorde is, kent hij blijkbaar niet. Ik vermoed, als hij het gekend had, dat zijn oordeel nog wel scherper zou zijn geweest, want in deze Kerkenorde staan bepalingen, die met wat Dr van Lonkhuyzen voor Gereformeerd Kerkrecht houdt, lijnrecht in strijd zijn. Ik zal later wel aantoonen, wanneer ik die bepalingen meedeel.

Thans is me alleen te doen om te laten zien, Hoe Dr Van Lonkhuyzen, die zich op de historie der Gereformeerde Kerken beroept, over deze buitenlandsche Gereformeerde Kerken oordeelt. Zoo blijft dus alleen nog de Fransche Kerk over. Toen Dr van Lonkhuyzen in Amerika was, had hij blijkbaar van het kerkrecht dezer Fransche Kerken nog geen de minste notie. Eerst in ons land teruggekeerd, heeft hij er enige studie van gemaakt en in zijn artikelen in het Gereformeerd Tijdschrift er een drietal artikelen aan gewijd. Ook van dit kerkrecht der Fransche Kerken deugt echter, volgens hem, niet veel. Wel begint hij eerst met de loftrompet te steken over deze Fransche Kerken; hij erkent ook, dat onzer Kerken veel van de Fransche Kerken hebben overgenomen en geleerd; maar er is toch een principiëel verschil. De Fransche Kerken waren „monarchaal”, onze Nederlandsche Kerken „republikeinsch”. De Fransche Kerken zijn daardoor tot dezelfde fout vervallen, waarvan Dr van Lonkhuyzen de Asser Synode beschuldigt en die hij een kapitale fout noemt, een geheel breken met de grondbeginselen van het gereformeerde Kerkrecht, erger, een zonde voor God, want de Synodes dezer Fransche kerken hebben evenzoo Kerkeraden afgezet en zelfs volgens hem nog veel andere en ergere dingen gedaan. Hij vreest dan ook niets meer dan den invloed, die dit Fransche Kerkrecht in onze Kerken zou uitoefenen om ons met dit hiërarchisch gif te besmetten. Zoo blijft dus alleen onze Nederlandsche Gereformeerde Kerk over. Alle andere kerken zijn dus afgeweken en op een dwaalspoor geraakt. Hier in ons land, dank zij onzen republikeinschen aard, zijn de Kerken echte daarvoor bewaard. Hier is dus alleen het zuivere Gereformeerde Kerkrecht te vinden. In eigen rechte lijn moet daarom de leuze zijn.

Maar na eerst dit warme pleidooi voor de zuiverheid van ons Nederlandsche Kerkrecht te hebben geleverd, blijkt achteraf, dat aan die zuiverheid ook bij onze Kerken heel wat ontbroken heeft. Het feit, dat op last van der Dordtsche Synode, die toch zeker een onzer beroemdste Synodes is geweest, de Provinciale Synodes in Holland en Utrecht de Remonstrantsche Kerkeraden niet uitgezet, maar afgezet hebben, dus de kapitale zonde tegen het Gereformeerde Kerkrecht hebben begaan, tracht Dr van Lonkhuyzen wel erg te verdoezelen met een beroep op Voetius, maar hoe weinig dit beroep zegt, heb ik op afdoende wijze aangetoond. Ds Jansen wees reeds op de Waalsche Synode, die den Waalschen Kerkeraad van Middelburg afzette, omdat deze de schorsing over zijn predikant uitgesproken niet erkennen wilde. En voorbeeld, dat nog sterker spreekt dan de afzetting der Remonstrantsche kerkeraden die werden afgezet, omdat zij Remonstrantsch waren, wat van den kerkeraad van de Waalsche gemeente te Middelburg zeker niet gezegd kon worden.3) En Dr van Lonkhuyzen zelf deelt met een oprechtheid, die hem eert, nog twee gevallen mede van zulk een afzetting van kerkeraden, die in Zeeland zijn voorgevallen. Natuurlijk zijn dit niet de eenige voorbeelden. Er is nog heel wat meer, waaruit blijken kan, dat wat Dr van Lonkhuyzen in de Fransche kerken als „hiërarchisch” veroordeelt, ook in onze Nederlandsche kerken precies evenzoo geschiedde. Dr van Lonkhuyzen kent ons historisch Nederlandsch kerkrecht niet. Maar hierop kom ik later terug. De hoofdzaak is, dat Dr van Lonkhuyzen zelf tot de conclusie komt, dat ook onze Nederlandsche kerken dus het goede spoor zijn bijster geraakt. We waren wel republikeinsch, maar de regentenheerschappij in onze republiek heeft zich helaas in onze kerken overgeplant. We moeten daarom zegt hij over Dordt en Emden, die het beide mis hebben gehad, weer terug naar Wezel. Daar alleen zou het Gereformeerde beginsel nog zuiver gehandhaafd. Zoo blijft er dus van dit beroep op de Gereformeerde Kerken niets over. De Schotsche Gereformeerde Kerk, de Presbyteriaansche Kerk in Engeland, de Fransche kerken hebben gedwaald; ook de Nederlandsche Kerken zijn in de practijk ontrouw geworden aan de Gereformeerde beginselen.4) En dat niet alleen, maar ook Voetius kleven kerkrechtelijke vlekken.5) Zelfs op Calvijn mag men zich niet beroepen, want hij heeft zich geschikt naar de omstandigheden.6) Dr van Lonkhuyzen alleen weet wat het Gereformeerde beginsel is. Zooals Lodewijk XIV zeide; l’Etat c’est moi, zoo kan Dr van Lonkhuyzen zeggen; het Gereformeerde kerkrecht ben ik. Maar dan is een beroep op de historie ook nutteloos, want deze historie kan ons alleen doen zien, hoe al onze Gereformeerde Kerken en onze beste theologen, dogmatici en canonici van het Gereformeerde beginsel zijn afgeweken. Nu beroept Dr van Lonkhuyzen zich ten slotte wel op de schrift. Maar een bewijs uit de schrift voor zijn opvatting van wat het Gereformeerde beginsel is, geeft hij niet. Of liever, hij laat het Dr Jacob doen, uit wiens boek hij de zoogenaamde schriftbewijzen overneemt, maar die geen andere zijn, dan die de Independenten tegen het Gereformeerden Kerkrecht hebben aangevoerd. 

 

 

Naschrift.

Dr van Lonkhuyzen verzoekt ons nu reeds aan onze lezers mee te deelen, dat hij in ons Theologisch Tijdschrift van repliek dienen zal en dan zal aantoonen, dat onze citaten niet juist waren. We hopen, dat hij daarmede zal wachten, totdat onze critiek ten einde is, want het is geen goede methode iemand in de rede te vallen. Wanneer hij voorts klaagt over den scherpen toon onzer polemiek, dan willen we hem daarop nu reeds een antwoord geven. Het suaviter in modo, fortiter in re geldt ook voor ons als regel, maar er zijn toch momenten, waarin het moeilijk valt dien regel in acht te nemen.

Dr van Lonkhuyzen heeft zich veroorloofd de Synode van Assen, die in zulk een moeilijke strijd gewikkeld was, waarbij het om de handhaving van het gezag van God Woord ging, te beschuldigen niet alleen van een kapitale fout, van een principiëele afwijking van het Gereformeerde kerkrecht, maar van een schenden van de bruid van Christus, van zulk een zonde begaan te hebben, dat hij het bloed der verzoening van Christus daarover inriep. Wie op zulk een wijze critiek oefent en de critiek in Amerika begonnen, nu, in ons vaderland teruggekeerd, onophoudelijk voortzet, heeft zeker geen recht tot klagen, wanneer men hem even scherp beantwoord. Voetius heeft dit nog veel scherper gedaan, toen de Independenten onze Kerken aanvielen en deze beschuldigden van „formeel en eigenlijk papistisch te zijn”, want hij antwoord daarop, dat „dit allerformeelst en allereigenlijkst een crassa ignorantia” is, een blijk van grove onwetendheid; en elders noemt hij deze beschuldiging zelfs een virus, een zwadder, een giftig slangenvenijn. Zoo kras wil ik me niet uitlaten, maar ik meen toch ten volle het recht te hebben, waar Dr van Lonkhuyzen zulk een hooghartige toon aanslaat, zooals ook Prof. Bouwman klaagde; niet alleen de Synode van Assen, maar al onze Gereformeerde Kerken veroordeelt en beschuldigt, in het binnenland en in het buitenland en daarbij telkens blijk geeft van, wat Voetius noemt , een zeer grove onwetendheid, dit dan ook aan te toonen, niet alleen om de eere onzer Kerken te handhaven, maar ook om onze Kerken te bewaren voor een independentisch streven, dat onder den schijn van „Gereformeerd kerkrecht” zich hier aandient. Prof. Rutgers heeft terecht er op gewezen, hoe onze Gereformeerde Kerken, uit reactie tegen de hiërarchie in de Hervormde Kerk, aan dit gevaar bloot staan. Hier tegen te waarschuwen is plicht en scherp te waarschuwen is plicht.

H.H.K.

 

Noten:

1) Een ernstige fout blz. 58.
2) t.a.p. blz. 50 noot.
3) Dr van Lonkhuyzen beweert wel, dat dit voorbeeld niets zegt, omdat deze Waalsche Kerken het Fransche kerkrecht volgden, maar hij vergeet, dat de Waalsche Kerken niet de Fransche maar de Nederlandsche Kerkenorde hadden aangenomen.
4) Theol. Tijdschrift 32 Jaargang blz. 425.
5) t.a.p. 35 Jaargang blz. 355.
6) Voetius Pol. Eccl. t. IV p. 783. en t. I p. 147.