nr. 2837
05-06-1932

Napleiten (VIII)

Vat ik thans, na de autoriteiten, waarop Dr van Lonkhuyzen zich beroepen heeft, Hoornbeek, Voetius en Prof. Rutgers, besproken hebben, kort saam, tot welke resultaten dit onderzoek voerde dan blijkt: Vooreerst, dat de bewering van Dr van Lonkhuyzen, alsof door deze autoriteiten zou geleerd zijn, dat bij een dergelijk conflict, als waarvoor de Asser Synode stond, de enige rechtmatige en geoorloofde handeling zou geweest zijn, niet het afzetten van den Kerkeraad, maar het uitzetten of verbreken van het kerkverband, lijnrecht in strijd is met wat Hoornbeek, Voetius (en laat me er aan toevoegen: Petrus van Mastricht en De Moor) ons zeggen,dat dit juist door de Independenten werd beweerd, want dat zij het recht der Synodes betwistten om tot tuchtmaatregelen of excommunicatie over te gaan en alleen wilden weten van een sententia noncommunionis tegenover zulk een Kerkeraad. 

Ten tweede, dat, waar Dr van Lonkhuyzen beweert, dat het hier om een fundamenteel en principiëel verschil gaat en het onderscheid tusschen afzetten en uitzetten even groot is als een lynchmoord en een doodvonnis, door den rechter uitgesproken, Hoornbeek, Voetius e.a. verklaren, dat dit geschil, dat de Independenten opbliezen tot een principiëel geschil toch eigenlijk meer een geschil in woorden dan in werkelijkheid was, want dat de Independenten met hun sententia non communionis in den grond precies ’t zelfde deden, wat ze in de Gereformeerde Kerken als hiërarchisch veroordeelden en dat dit een levis dissensus was, een licht verschil, zooals De Moor zegt, waarom de eenheid der kerken niet verbroken mocht worden.1)

En ten derde, dat Prof. Rutgers wel degelijk verklaard heeft, dat zoolang zulk een kerkeraad in het Assen, die volgens hem zoo zwaar tegen het verband bleef, de Synode het recht had om kerkeraadsleden af te zetten, en dit laatste, de afzetting van den heelen kerkeraad, zelfs aanwees als den noodzakelijke tuchtmaatregel, wanneer zulk een kerkeraad weigerde de afzetting van zijn predikant door de Synode te erkennen.

Ik zou hiermede eigenlijk kunnen volstaan. Want als Dr van Lonkhuyzen zich voordoet als de kampioen van het gereformeerde Kerkrecht tegen de Synode van Assen, die, volgens hem zoo zwaar tegen het Gereformeerde Kerkrecht gezondigd hebben en dan blijkt, hoe hij juist het indepentistische standpunt verdedigd, dan is de zaak feitelijk hiermede reeds beslist. Mannen als Voetius, Hoornbeek en Mastricht wisten beter dan Dr van Lonkhuyzen, die blijkbaar van dit Independentisme al heel weinig studie heeft gemaakt, wat het Independentisme wilde. Uit Engeland waren deze Independenten naar Holland gevlucht. In plaats van evenals de Fransche refugiés, al vormden ze, om het taalverschil, eigen gemeenten, zich bij de gereformeerden Kerken aan te sluiten, hielden ze zich op zich zelf; en dat niet alleen, maar in pamfletten vielen ze op de meest hatelijke wijze de Gereformeerde Kerken juist om dit zoogenaamde tuchtrecht der meerdere vergaderingen aan en beschuldigden de Gereformeerde Kerken van hiërarchie, pauselijk te zijn, de autonomie der plaatselijke kerk aan te tasten en te zondigen tegen de wat H. Schrift ons voorschreef. Dat Voetius, Hoornbeek, Mastricht e.a. die toen voor de Gereformeerd Kerkrecht zijn opgekomen en deze beschuldigingen weerlegd hebben, volkomen op de hoogte waren van het verschil tusschen de Independenten en de Gereformeerden, spreekt van zelf en hun verklaring heeft daarom alleen waarde, niet wat Dr van Lonkhuyzen beweert. Dr van Lonkhuyzen vergist zich niet alleen in zijn historische voorstelling; dat zou het ergste niet wezen; maar hij wil onder den schijn van Gereformeerd kerkrecht een independentistisch kerkrecht in onze kerken invoeren. Hij heeft verklaard, dat hij tusschen het Presbyterianisme en Independentisme in staat. Het ware juister geweest te zeggen: ik sta met beide voeten op het independentistische standpunt. Het duidelijkst blijkt dit uit zijn warme aanbeveling van de dissertatie van Dr Jacobs: De verhouding tusschen de plaatselijk en de algemene Kerk in de eerste drie eeuwen. Want dat dit merkwaardige boek zooals Dr van Lonkhuyzen het noemt, niets anders is dan een verdediging van independentisme en een bestrijding van het Gereformeerde Kerkrecht, zal wel voor ieder, die het verschil tusschen beide kent, duidelijk zijn. Merkwaardig is dit boek zeker, in zooverre een predikant in de Hervormde Kerk hier opkomt voor de zelfstandigheid der plaatselijke kerk, voor haar „autonomie” – om de terminologie van Dr van Lonkhuyzen over te nemen .Als hij aantoont, dat elke plaatselijke kerk in het Apostolische tijdvak de volle kerkelijke macht bezat en deze zelf had uit te oefenen, dan zegt hij dingen, die ieder Gereformeerde natuurlijk van harte zal beamen. Maar dit alles gaat buiten het geschil met de Independenten om. Als Voetius in het IVe Deel van zijn Pol. Eccl. p. 138-166 zeer uitvoerig de Independenten en hun argumenten bestrijdt, stelt hij eerst op de voorgrond, waarin Gereformeerden en Independenten het volkomen eens zijn. En dan noemt hij dat elke plaatselijke kerk zelfstandig is; dat die macht niet ontleend is aan de Synode, maar aan Christus; dat deze macht haar door geen Synode mag ontnomen worden en dat er in de kerk geen hiërarchische besturen mogen zijn en geen kerk over de andere heerschen mag. Dat alles nu leert de Schrift ons en wordt door onze Gereformeerde kerken volmondig beleden. De beschuldiging, alsof de Gereformeerde Kerken door haar Synodes en de macht, die ze haar toekenden, aan deze vrijheid der plaatselijk kerken te kort deden, een hiërarchisch regiment invoerden, ja paapsch waren, noemt Voetius daarom een virus, een zwadder, waarmede zij de eer onzer kerk bezoedelen. Niet daarover gaat dan ook het geschil, maar hierover, zegt Voetius of het saamkomen dezer kerken in meerdere vergaderingen, classis en synodes door Gods Woord ons wordt voorgeschreven en of aan deze Synodes dan naar Gods ordinantie de macht toekomt om bindende besluiten te nemen, mits deze natuurlijk op Gods Woord gegrond zijn. Het gaat dus om het goddelijk recht (het jus divinum positivum), waarop dit Synodaal instituut berust en over macht door Gods Woord aan deze Synode toegekend. Dat bestreden de Independenten en daarover liep dus de strijd. Voetius beroept zich nu voor dit Goddelijk recht inzonderheid op hetgeen in Hand. 15 over her zoogenaamde Apostelconvent ons wordt gezegd. Calvijn had dit reeds gedaan in zijn Commentaar op Hand. 15, want Calcijn zegt, dat God in dit Apostelconvent ons voorschrijft de forma ac ordo synodorum en in dit Apostelconvent ons aanwijst, niet alleen dat er Synodes moeten gehouden worden, maar ook hoe ze moeten zijn saamgesteld en welke macht ze bezitten. Op het voetspoor van Calvijn heeft niet alleen Voetius, maar hebben al onze dogmatische schrijvers, die over de Synodes handelden, zich voor dit Synodaal regiment op Hand. 15 beroepen. Men mocht, zooals ook Voetius doet, zich bovendien nog op andere plaatsen uit het Nieuwe Testament beroepen, maar Hand. 15 was het fundament, waarop dit Synodaal regiment berustten. Met de juistheid van dit beroep op Hand. 15 staat of valt dus het synodaal regiment. Want in de Kerk kan geen regiment en geen macht zijn door God niet ingesteld en verordend. Laat Dr van Lonkhuyzen zich niet stoten aan dit woord regiment. Als Voetius en deel IV over de meerdere vergaderingen, classen en synoden handelen gaat, geeft hij als opschrift: de unione ecclesiarum et earum regimine in classibus et synodis, d.i. over de vereeniging der kerken en haar regiment in classen en synoden. Natuurlijk hebben de Independenten dit beroep voor het Synodaal regiment op Hand. 15 door de gereformeerden gedaan, bestreden, en ze deden dit met precies dezelfde argumenten, die ook Dr Jacobs aanvoert. Het Apostelconvent was volgens hen geen Synode; de besluiten daar genomen, waren alleen adviezen geen bindende beslissingen; en het gezag van dit Convent was alleen te danken aan het onfeilbaar gezag der Apostelen, die daar aanwezig waren. Wat Voetius daartegen aanvoert behoef ik hier niet weer te geven. Ik wijs er alleen op omdat Dr Jacobs zijn beschouwing over dit Apostelconvent eindigt met de vraag, die hij natuurlijk in ontkennende zin beantwoorden wil: „kan zulk een vergadering (d.w.z. het Apostelconvent) nu dienen als voorbeeld om daarop het recht van onze hedendaagsche meerdere vergaderingen te gronden, van de presbyteriale Synoden, waar ambtsdragers van alle gemeenten saamkomen als de vertegenwoordigers der gemeenten en beslissingen genomen worden, waartoe alle gemeente geacht worden mede te werken? Vergaderingen, waarop met meerderheid van stemmen bindende besluiten genomen worden, waar aan de minderheid gehouden is zich te „conformeeren”? Het verschil springt genoegzaam in het oog”. (blz. 52) En op blz. 105 zegt hij, kort samenvattend wat volgens hem het N. Testament ons leert, n.l. dat er zijn „plaatselijke, georganiseerde autonome gemeente, zonder eenig gezaghebbend of vertegenwoordigend lichaam boven zich, waarop ook nergens gezinspeeld wordt, terwijl het zg. apostelconvent geen precedent kan zijn voor latere tijden”.

Dat Dr Jacobs dus geheel op het independentistisch standpunt staat en zoo scherp mogelijk tegen het Gereformeerde stelsel van kerkregeering opkomt, is duidelijk. En als Dr van Lonkhuyzen zulk een boek warm aanbeveelt aan onze Kerken, toont dat genoegzaam op welk standpunt hij zelf staat. Want wel verklaart hij, dat hij nog eenige bedenkingen heeft omtrent hetgeen Dr Jacobs over het Apostelconvent schreef en dit nog eens overwegen moet. Maar dit verandert aan de zaak, waarom het gaat niets. Dr Jacobs heeft niet alleen een andere opvatting van dit Apostelconvent, maar hij loochent, dat in dit Apostelconvent ook maar een precedent zou liggen voor latere Synodes, waarmede dus het jus divinum, het Goddelijk recht der Synodes, wegvalt. En hij gaat nog verder dan dit, want hij zegt, dat de autonomie der plaatselijke gemeenten geen gezaghebbend of vertegenwoordigend lichaam boven zich verdraagt. Daarom nu is het Dr Jacobs in heel zijn betoog te doen.

Onze Gereformeerde broeders in de Hervormde Kerk verwijten ons telkens, dat onze Gereformeerde Kerken feitelijk independentistisch zijn en het Gereformeerde kerkrecht hebben prijsgegeven. Een beschuldiging, die zeker niet juist is. Maar wanneer Dr van Lonkhuyzen een lofzang zingt op een boek, dat het Independentisme zoo warm verdedigt en het Gereformeerd kerkrecht onschriftuurlijk noemt, en ons Theologisch Tijdschrift zulk een aanbeveling opneemt, dan draagt men koren op den molen van onze beschuldigers in de Hervormde Kerk en geeft men grond voor de aanklacht, dat wij eigenlijk verkapte Independenten zijn.

H.H.K.

 

Noten:

1) De Moor, Comm. perp. in Joh. Marckil Compendium t. VI, p.442.