nr. 2836
29-05-1932

Napleiten (VII)

Uit de citaten door Prof. Bouwman aangehaald uit het bekende geschrift van de heeren Rutgers en de Savornin Lohman en evenzeer uit hetgeen door mij geciteerd werd uit het college dictaat van Prof. Rutgers over de Kerkenorde door Dr de Jong opgeteekend en uitgegeven, blijkt dus duidelijk genoeg, dat Prof. Rutgers het standpunt door Dr van Lonkhuyzen ingenomen zeker niet als het juiste heeft erkend. Het recht van een classis of Synode om kerkeraadsleden af te zetten, zoolang de kerkeraad in het verband staat, werd door hem uitdrukkelijk uitgesproken en evenzoo het recht een Kerkeraad, die de schorsing of afzetting van een predikant niet wilde erkennen, af te zetten. Prof. Rutgers als getuige op te roepen tegen de Asser Synode en hare handelingen, zooals Dr van Lonkhuyzen deed, gaat derhalve niet aan.

Al is de hoofdquestie, waarover het geding loopt, hiermede afgedaan, toch wil ik van Prof. Rutgers geen afscheid nemen zonder eerst uit de meest onbetwistbare bron aan te toonen, hoezeer de denkbeelden van Dr van Lonkhuyzen van hetgeen Prof. Rutgers geleerd heeft, afwijken. Die onbetwistbare bron zijn de kerkelijke adviezen door Prof. Rutgers gegeven. Hier heeft men te doen niet met een juridische studie over de vraag, aan wie de kerkelijke goederen toebehooren, wanneer een kerkeraad het kerkverband verbreekt, waarover toen de strijd liep; ook niet met een collegedictaat door studenten opgeteekend, maar met de kerkrechtelijke adviezen, door hemzelf gegeven.

Dr van Lonkhuyzen gebruikt voortdurend het woord autonomie der plaatselijke kerk, om daarmede haar rechtspositie aan te duiden. Anderen zijn nog verder gegaan en spraken zelfs van de souvereiniteit van den kerkeraad. Zelfs de Independenten hebben deze woorden nooit gebruikt, maar spraken van onafhankelijkheid van de plaatselijke kerk en ontleende daaraan zelfs hun naam. Eerst in onzen tijd is het mode geworden om het woord autonomie en souvereiniteit te gebruiken. Prof. Rutgers komt tegen het gebruik van deze woorden op. Ze waren in een schrijven aan hem gebruikt en hij zegt: „uwe uitdrukking souvereiniteit van den kerkeraad is zeker niet juist, daar de kerkedienaren geen overheden zijn en in de Kerk slecht Christus souverein is en de ambtsdragers zijne „dienaren”. Om die zelfde reden zou ik ook liever niet spreken van „autonomie” der plaatselijke kerken, daar de Heere zelf de eigen „wetgever” is en de Kerk nooit „wetten” maakt, maar uit Gods Woord „verklaart” wat inzake kerkregeering des Heeren wet is”.1)

Volgens Dr van Lonkhuyzen is de kerkenorde eigenlijk een soort contract door de kerken onderling gesloten, waarin de rechten en bevoegdheden zijn vastgesteld, zoodat een Synode of Classis geen andere rechten zou hebben dan die welke daarin over en weer gestipuleerd zijn. Aangezien nu in de Kerkenorde met geen woord gesproken wordt van de afzetting van kerkeraadsleden door een Classis of Synode, zou dit recht aan de Classis of Synode niet toekomen. Indien dit argument juist ware, dan zou het zeker nog in veel sterkere mate zich tegen Dr van Lonkhuyzen zelf keeren, want de Kerkenorde spreekt nog wel van een tuchtoefening door de Classis, maar van een tuchtoefening door gemeenteleden, die het recht zouden hebben hun Kerkeraad af te zetten, met geen enkel woord. Maar laat me liever Prof. Rutgers zelf het woord verleenen. Er waren in zijn tijd kerkeraden – ze zijn er nog – die weigeren zich aan het besluit van de Classis in zake vacaturediensten te onderwerpen, aangezien in de Kerkenorde van die vacaturediensten geen sprake was. Prof. Rutgers nu antwoordt daarop, „dat uit het zwijgen van de Kerkenorde volstrekt niet kan worden afgeleid, dat zulke verplichting eigenlijk niet bestaat. Er zijn heel wat zaken, zegt hij, waaromtrent kerken en kerkedienaren eene roeping hebben, zonder dat zulk eene roeping in de Kerkenordening is uitgedrukt.” 2)

Hij wijst dan aan, dat de grond van die verplichting in het kerkverband zelf ligt en dat die verplichting niet door de Kerkenordening, ook niet door een besluit van de Classis in het leven wordt geroepen, maar door de Classis alleen wordt geregeld.3)

Merkwaardig is vooral wat Prof. Rutgers in hetzelfde advies zegt omtrent het gevaar van het independentisme, dat juist onze kerken bedreigt uit reactie tegen de Hiërarchie in de Hervormde Kerk. „Het opkomen van zulke vragen kan eenigszins worden toegeschreven, zegt hij, aan het feit, dat het nog niet lang geleden is, sedert onze kerken aan de overheersching van Classicale en Synodale bestuurscolleges ontkomen zijn; na sterke hiërarchische actie volgt in den regel bij de kerken, die daarvan bevrijd zijn, eene zekere independentistische reactie. Bovendien is er hier te lande reeds van ouds, ook in de Gereformeerde kerken, eene doopersche strooming; en deze openbaart zich ook in miskenning van het kerkverband”.4)

Tegen deze independentistische strooming richt Prof. Rutgers zich dan ook telkens in zijne Adviezen. „Een kerkeraad zegt hij, kan uit kracht van het kerkverband, een gevraagd advies der Classis niet eenvoudig ter zijde stellen om toch zijn eigen gang te gaan”. Het gold hier een advies door een Kerkeraad gevraagd in zake eene excommunicatie. „Die excommunicatie vervolgt hij, kan slechts geschieden met advies der Classe; dus niet tegen dat advies”. De Kerkeraad moet daarom òf het advies der Classe volgen, òf wel hij moet zich beroepen op de Particuliere Synode. Zelfs ten opzichte van een advies van de Classe – het gaat hier nog niet eens om een bindend besluit, maar om en gevraagd advies – is de Kerkeraad, volgens Prof. Rutgers, dus verplicht dit op te volgen.5)

Nog sterker blijkt dit uit een ander advies van Prof. Rutgers, waarbij het niet ging om een advies van de Classis, maar om een uitspraak over de wettigheid van de censuur, door den Kerkeraad uitgesproken. De gecensureerde had zich op de Classis en daarna op de Provinciale Synode beroepen, die deze censuur onwettig had verklaard. De Kerkeraad, die zooals Prof. Rutgers opmerkt, „gevaar liep van een zeker independistisch streven”, weigerde echter dit besluit der Provinciale Synode uit te voeren en de censuur op te heffen „omdat de Provinciale Synode hem niet overtuigd had”. Alsof, zoo laat Prof. Rutgers er op volgen, dit laatste een vereischte ware en alsof niet veel meer eisch was, dat ééne kerk zich neerlegt bij het oordeel van vele kerken, ook al is het dat zij haar vroeger gevoelen blijft handhaven. Het is een dwaling, te menen, dat men op kerkelijk gebied zich niet mag en moet nederleggen bij het oordeel der broederen, ook al is men het daarmede niet eens. Men moet zijn eigen oordeel aan dat der broederen onderwerpen, tenzij in zaken, waar voor een uitgedrukt Woord Gods is; ’t geen echter bij toepassing van tucht op een bepaald persoon niet zoo is.6) Dat Prof. Rutgers de handeling van den Kerkeraad van Amsterdam-Zuid, die weigerde een tuchtvonnis door de Generale Synode over zijn predikant uitgesproken, te erkennen en uit te voeren, omdat hij van de rechtmatigheid van de schorsing niet overtuigd was, beslist zou hebben afgekeurd, is wel duidelijk genoeg.

De vraag blijft echter nog over, en deze is voor dit geding zeker van het meeste belang, hoe de Classis of Synode te handelen heeft, wanneer een kerkeraad of predikant weigert het besluit van de Classis of Synode uit te voeren. Volgens Dr van Lonkhuyzen heeft de Kerkeraad bij stemming uit te maken, of men zulk een besluit of beslissing zal uitvoeren, en weigert hij, dan zou de Classis of Synode geen ander middel ten dienste staan, dan het kerkverband met zulk een kerk te verbreken. Dat zou het Gereformeerde beginsel van de autonomie der plaatselijke kerken meebrengen. Dwangmaatregelen, waardoor de Classis ingreep in de machtsbevoegdheid van zulk een plaatselijke kerk, met name door dan tucht te oefenen, zouden volgens hem, hiërarchisch, Roomsch, enz zijn.

Zeer merkwaardig is nu het advies, door Prof. Rutgers gegeven in een dergelijk geval. De zaak waarover geschil bestond, was deze, dat de predikant met een deel van den Kerkeraad bij de Classis bezwaar had ingediend tegen de benoeming van twee nieuw gekozen ouderlingen. De Classis oordeelde dit bezwaar ongegrond en besloot, dat deze ouderlingen moesten bevestigd worden en de beide aftredende kerkeraadsleden hun functie moesten blijven waarnemen, totdat zij door de nieuw gekozenen vervangen zouden zijn. De predikant met twee kerkeraadsleden, dus de meerderheid van den Kerkeraad, wilde zich aan de uitspraak van de Classis niet onderwerpen en ging in appèl bij de Particuliere Synode, terwijl men tevens besloot het besluit der Classis onuitgevoerd te laten. Prof. Rutgers, in deze zaak om raad gevraagd, antwoordt nu, dat de twee aftredende kerkeraadsleden na het besluit der Classis niet alleen gerechtigd, maar ook geroepen waren en verplicht, om zoo lang nog in functie te blijven. Het appèl op de Particuliere Synode mocht niet beletten, dat het besluit van de Classis uitgevoerd werd. De zaak was van te urgent belang om tot de uitspraak van de Particuliere Synode of Generale Synode te wachten.

De tweede vraag was of in den Kerkeraad over het aanblijven van die aftredende ouderlingen moet of mag gestemd worden. Prof. Rutgers antwoordt daarop, dat het zeker behoorlijk zou wezen, indien de Kerkeraad nu besloot aan de beslissing van de Classis te voldoen, maar dat de kerkeraad geen vrijheid heeft om te stemmen in zulk een zin, dat hij de uitvoering der Classis ook zou mogen afstemmen.

Maar wat nog het sterkst spreekt is het antwoord op de laatste vraag hem gesteld, nl. wat de Classis moet doen, als de predikant met de aan zijn zijde staande kerkeraadsleden weigerde aan de beslissing der classis te voldoen. Het antwoord op die vraag is, dat eerst natuurlijk beproefd moet worden den predikant van het verkeerde van zijn gedrag te overtuigen. „Maar indien niets baatte, dan zie ik geen andere uitweg dan dat een buitengewone Classe (ad hoc) den predikant tijdelijk schorst wegens onwilligheid om zich aan de kerkelijke orde te onderwerpen, en dan tevens besluite, de bevestiging der benoemde broeders op den volgenden Zondag te doen plaats hebben door den Dienaar des Woords, die de Classe daartoe aanwijst. Daarna behoeft de schorsing niet voort te duren, tenzij onverhoopt de predikant dan mocht weigeren de aldus bevestigden in hun dienst te erkennen”.7)

Krasser maatregel is zeker nauwelijks denkbaar. Zeker, Prof. Rutgers heeft verklaard, dat een Classe in middelmatige zaken niet dwingen moet.8) In middelmatige zaken niet. Maar wanneer het, zooals hier, ging om den tegenstand van een predikant en de aan zijn zijde staande ouderlingen tegen een besluit van de Classe te breken, dan mag de Classe dus de meest dwingende maatregelen toepassen, zulk een predikant zelfs schorsen en een andere predikant naar die plaats zenden om den wil der Classe door te zetten door de gekozenen in het ambt te bevestigen.

Of Dr van Lonkhuyzen met zijn beroep op Prof. Rutgers nu gelukkiger is geweest dan met zijn beroep op Hoornbeek en Voetius mogen onze lezers beslissen.

H.H.K.

 

Noten:

1) Kerkelijke Adviezen Dl. I blz. 261.
2) Kerkelijke Adviezen Dl. I blz. 107.
3) t.a.p. blz. 109.
4) t.a.p. blz. 107.
5) t.a.p. blz. 265.
6) Kerkelijke Adviezen Dl. I blz. 264.
7) Kerkelijke adviezen Dl. I blz. 182, 183, 184.
8) t.a.p. blz. 37.