nr. 2835
22-05-1932

Napleiten (VI)

De derde getuige, waarop Dr van Lonkhuyzen zich beroept, is Prof. Rutgers.

Nu heeft Prof. Bouwman, die ook Dr van Lonkhuyzen bestrijdt, in „De Bazuin” reeds aangetoond, waarom dit beroep op Prof. Rutgers niet juist is en ik meen niet beter te kunnen doen dan door zijn betoog hier over te nemen, vooral omdat hij de citaten van Prof. Rutgers geeft.

 

Dr Van Lonkhuyzen ziet in den weg door Assen gevolgd een afbuiging van de rechte lijn. Hij zegt op blz. 26 van zijn brochure „In eigen rechte lijn”: Ik zie „in Assen’s besluit een stap in de verkeerde richting van senatus ecclesiasticus of collegialisme. In elk geval gaan we zoo langzaam maar zeker verder van huis. Het genootschap of de kerk „De Gereformeerde kerken met een synode aan het hoofd (supra), die afzet kerkeraden en classes. Een synode die casseert de besluiten van provinciale synoden” enz. Hij ziet een afbuiging naar „de Fransche lijn”. En wij moeten blijven en voortgaan in „de oorspronkelijke Nederlandsche lijn”, zooals dit door de synode van Emden en het convent van Wezel is aangegeven, en zooals dit door Voetius, Hoornbeek en Rutgers is verdedigd. Wij waren oorspronkelijk niet van plan om op de beschuldigingen door Dr van Lonkhuyzen tegen de synode van Assen ingebracht te antwoorden. Al de argumenten door Dr van Lonkhuyzen thans in zijn artikelen aangevoerd zijn reeds in 1926 en 1927 breedvoerig door de hoogleraren in het kerkrecht Kuyper en Bouwman en eveneens door Ds Jansen besproken en weerlegd. Er is feitelijk niet veel nieuws meer van te zeggen. Maar ook de wijze waarop Dr van Lonkhuyzen schrijft lokt niet uit om daarop te antwoorden. Hij geeft den indruk alsof hij het alleen weet en anderen niet bekend zijn met het Fransch en Engelsch kerkrecht, en alsof de huidige beoefenaars van het kerkrecht van de rechte lijn zijn afgeweken. Evenwel omdat er nog steeds zijn, die de lijn door de synode van Assen uitgestippeld niet recht verstaan, kan het goed zijn deze kwestie nog eens onder ogen te zien.

Hierbij komt, dat ik over niet al te langen tijd het tweede deel van mijn „Gereformeerd Kerkrecht” hoop uit te geven, waarin de kwestie van de meerdere vergaderingen vanzelf wordt behandeld.

Evenwel, omdat er nog altoos zijn, voor wie de lijn door Assen uitgestippeld niet recht duidelijk is, en die licht aan het wankelen komen, wanneer zij zulke krasse verzekeringen door Dr van Lonkhuyzen hooren uitspreken, kan het goed zijn nog eenmaal in „de Bazuin” te schrijven over de rechte lijn inzake de tucht der meerdere vergaderingen.

Voor wij daartoe over gaan, willen wij nog twee opmerkingen maken. Allereerst dat zoovelen de strekking van het geschrift der heren Prof. Dr Rutgers en Jhr. Mr de Savornin Lohman „De rechtsbevoegdheid onzer plaatselijk kerken” niet recht verstaan. Dit geschrift is het arsenaal geworden, waaruit menigeen zijn wapenen tot bestrijding van het besluit van Assen heeft gehaald, en ook Dr van Lonkhuyzen meent, dat Rutgers nooit zijn instemming met het besluit zou hebben betuigd. Maar dezulken vergeten, dat de bedoeling van dit geschrift was rechtbanken voor te lichten in den strijd over goederen der kerk, en om aan de juridische macht het recht van interventie te betwisten, wanneer een kerkeraad, terecht of niet terecht, meende zich niet te moeten conformeeren aan het besluit der meerdere vergaderingen. Rutgers en Lohman schreven niet een kerkrechtelijk maar een juridisch betoog, om het recht der plaatselijk kerken op goederen te bepleiten.

Toen de hiërarchie was afgeschaft, zoo is de gedachte van genoemd geschrift, had men geen kerkelijke overheid meer, doch alleen samenwerking en overeenstemming. De goederen behoorden aan de locale kerk. ”Dat de kerkeraad, die zich niet aan de beslissing der meerdere vergaderingen onderwerpen wilde, in rechtskundigen zin wel vrij moest blijven, ligt zoozeer in de aard der zaak, dat men zich geen procedure kan denken, om hem te dwingen anders te handelen. Want wie zou de actie daartoe hebben ingesteld; niemand had een actie om haar daaruit te ontzetten. De individueele leden der lokale kerk hadden wel het recht en ook verplichting om haar te verlaten, wanneer zij meenden, dat de kerkeraad Gods Woord terzijde stelde, maar als individueele leden hadden zij geen recht op eenig goed der corporatie. Deze, de kerk, werd vertegenwoordigd door den kerkeraad. Alzoo moest, zoolang er geen middel was dezen te verwijderen, de beslissing van den kerkeraad, zoowel tegenover de leden als tegenover de gezamenlijke kerken, in juridische zin gelden als de hoogste wet (bl.37). Uit dit breede citaat blijkt, dat het een juridisch betoog is, in verband met het kerkegoed.

 

Maar in de tweede plaats komt in ditzelfde geschrift duidelijk het recht van de meerdere vergaderingen om kerkeraden af te zetten uit. Op bl. 25-27 schrijven de heeren Lohman en Rutgers:

„De eenheid nu van die (Nederlandsche) kerken bestond allereerst, ja eigenlijk alleenlijk, in de gemeenschappelijke belijdenis. Op die belijdenis berustten het kerkverband. Zij was gelijk reeds het tweede artikel van de Acta der Embder Kerkenverzameling uitspreek, de betuiging van de onderlinge verbinding en eenigeheid der kerken. Instemming met haar was de voorwaarde, waaraan, zou het accoord in stand blijven, voortdurend moest worden voldaan”.

„Men zei niet: het kerkverband is gelegen in de gemeenschappelijke onderwerping aan de reglementen en de eenheid van belijdenis is wel wenselijk, maar het kan toch ook wel als die ontbreekt. Maar integendeel: gemeenschappelijke onderwerping aan de belijdenis is voor ons geheele kerkverband het eene onmisbare; de eenheid van kerkelijke vormen is dan wel wenschelijk, maar het kan toch ook wel als die ontbreekt.” „Daarom lieten ook de Gereformeerde Kerken niemand in eenige bediening toe, zonder zich te verzekeren, dat hij in overeenstemming met die belijdenis die bediening zal uitoefenen”. „Die eenmaal toegelaten is, heeft het recht zijn bezwaren aan den kerkeraad, classes en synoden bloot te leggen en toetsing van het Woord te verzoeken. Die zich met de gevallen beslissing niet verenigen kan, is in facto geschorst in zijn dienst, iets dat vanzelf spreekt en ook mits de „ware kerk”, niet van overheidswege bezoldigd wordt. Ook wordt de zoodanige niet toegelaten tot het Avondmaal”. Hetzelfde is toegepast in 1926 op Dr. Geelkerken.

Voorts spreekt het boek van Prof. Rutgers en Mr. De Savornin Lohman zich ook uit over het geval, dat overeenkomst heeft met dat van Dr Geelkerken. De predikant Leenhof werd in 1708 door de Overijselsche Synode afgezet, wegens afwijking in de leer, doch door de regeering van Zwolle gehandhaafd, zoodat Leenhof predikant van Zwolle bleef: daar de kerkeraad op denzelfden weg ging als de overheid. En wat zeggen Prof. Rutgers en Jhr. Mr. Lohman hiervan: „Naar den aard en uit kracht van het kerkverband had de Zwolsche kerkeraad de afzetting van Leenhof kerkelijk moeten uitvoeren en handhaven”. Hieruit blijkt dat naar het gevoelen van Prof. Rutgers de synode het recht van afzetting bezit (blz. 166).

Nog duidelijker spreken Rutgers en Lohman op blz.179: „Wel mag de classis of synode kerkeraadsleden ontzetten uit hun ambt, zoolang de kerk in het verband staat; maar als de kerk dat vonnis niet erkent, verblijft aan de gezamenlijke kerken geen ander verweermiddel dan om deze kerk van het verband af te snijden”. In hoofdzaak dus wordt door hen dus hetzelfde gezegd als de synode van Assen gedaan heeft.

Wat beteekent nu het beroep van Dr van Lonkhuyzen op Dr Rutgers, alsof deze geheel anders zou hebben gesproken dan de Synode van Assen heeft gedaan?

Blijkt reeds niet hieruit duidelijk, dat de beschouwing van Dr van Lonkhuyzen verre van zuiver is?

Ook in zijn dictaat over de Kerkenorde laat Prof. Rutgers zich even beslist uit, want hier zegt hij dit zelfs nog duidelijker.1)

Prof. Rutgers stelt nu de vraag, hoe het moet geschieden als een predikant te excommuniceeren is, wanneer de kerkeraad van de kerk, waartoe hij behoort, weigert zijne medewerking te verleenen. Een dergelijk geval deed zich voor bij Caspar Coolhaes, die door de Overheid te Leiden krachtig gesteund werd en wien de kerkeraad ter zijde stond. De afzetting en excommunicatie van Coolhaes, waartoe de Particuliere Synode besloten was, kon in Leiden zelf niet geschieden en is toen in een naburige kerk , nl. te Haarlem, geschied. „Maar — zoo zegt Prof. Rutgers — dit geval zal zich tegenwoordig niet voordoen. Nu zou een kerkeraad, die niet meewerkte zelf in staat van beschuldiging komen. Wanneer de kerkeraad zich verzetten ging, dan zou hij later zelf een schismatische kerkeraad worden en in kerkelijke behandeling komen. Gaf hij niet toe, dan zou dit leiden tot conflict, ja zijne afzetting en tot aanstelling van een nieuwen kerkeraad.”

Het zijn juist deze uitspraken van Prof. Rutgers die op de besluiten der Asser Synode van invloed zijn geweest en dan ook telkens weer tot hare verdediging zijn aangebracht, wanneer ze werd beschuldigd van de kerkrechtelijke beginselen, door Prof. Rutgers ons geleerd, te zijn afgeweken.

Natuurlijk zijn deze uitspraken ook Dr van Lonkhuyzen niet onbekend. Maar hij meent de bewijskracht van dit beroep op Prof. Rutgers’ uitspraken te kunnen ontzenuwen door redeneeringen, die meer naar avocasserieën lijken, dan naar serieuze argumenten. Op dit dictaat zou men zich niet mogen beroepen, want het is door studenten opgeteekend en heeft daarom geen afdoende waarde. Dat Dr van Lonkhuyzen zelf zich meermalen op dit dictaat beroept, schijnt hij echter vergeten te zijn. Wie Prof. Rutgers’ colleges volgde, weet, dat Prof. Rutgers zoo langzaam sprak, dat het bijna een dicteren was, en al kan daarom wel eens een woord verkeerd zijn opgeteekend, de zin zelf was volkomen juist weer gegeven. Dr de Jong, die dit dictaat in druk gaf, staat bovendien voor de juistheid van het hier weergegeven citaat in. Wat echter alles afdoet is, dat dit citaat volkomen in overeenstemming is met wat Prof. Rutgers zelf schreef in zijn Rechtsbevoegdheid onzer plaatselijke kerken en door prof. Bouwman werd aangehaald. En wat deze laatste uitspraak betreft komt Dr van Lonkhuyzen nu wel met de bekende argumentatie, ook reeds bij Voetius toegepast, dat Prof. Rutgers op een vroegere bladzijde in een noot toch zou verklaard hebben, dat alleen de gemeenteleden het recht hebben een Kerkeraad af te zetten, maar wanneer dit werkelijk de meening van Prof. Rutgers was, dan zou het toch al te zonderling wezen, dat hij dan in een resumtie aan het slot van zijn geschrift desniettegenstaande verklaren kwam, dat de classis of synode wel de kerkeraadsleden mag ontzetten uit hun ambt, zoolang de kerk in verband staat. Prof. Bouwman is dan ook wijselijk op zulke avocasserieën niet eens ingegaan en heeft daartoe het zwijgen gedaan.2)

H.H.K.

 

Noten:

1) Verklaring van de Kerkenordening Dl. IV blz. 81.
2) Ook in het vorige artikel bleef in den slotzin een storende drukfout staan, die ik wel verbeteren moet. Men leze daarom de slotwoorden aldus: Voetius gaat nog veel verder door aan de Synode niet alleen de macht toe te kennen om zulk een kerkeraad af te zetten; de Synode mag volgens hem zulk een Kerkeraad zelfs excommuniceeren.