nr. 2834
15-05-1932

Napleiten (V)

Over de bedoeling van Voetius kan dus geen twijfel bestaan. Hij heeft nooit gezegd en kon dat ook niet zeggen, dat alleen de gemeenteleden het recht hebben een kerkeraad af te zetten. Integendeel. Op beide plaatsen, waar hij dit vraagstuk behandelt, stelt hij op den voorgrond, dat wanneer zulk een Kerkeraad geheel bedorven is, de gemeenteleden dan de hulp moeten inroepen van de Classis of Synode, om zulk een Kerkeraad af te zetten. Maar in geval nòch de Classis nòch de Synode te hulp komt, dan kent zij aan de gemeenteleden het recht toe, dus in het geval van noodzakelijkheid, om dan zelf andere ambtsdragers aan te stellen. Zooals men in de dagen der Doleantie het uitdrukte: het ambt der gelovigen moet dan in werking treden. Salus ecclesiae est suprema lex, het heil der Kerk is de hoogste wet. En dat de gemeenteleden dan het recht daartoe hebben grondt hij hierop, dat zij deze macht aan de ambtsdragers hebben verleent en opgedragen en, in geval van noodzakelijkheid, deze macht ook anderen kunnen overdragen, die deze macht beter gebruiken zullen. Zoo, zegt hij, is ook geschied, toen enkele jaren geleden, sommige kerken door de Remonstranten in beroering waren gebracht, waarmede hij natuurlijk niet bedoelt hetgeen na de Dordtsche Synode is geschied, want toen waren de Synodes de Classis te hulp gekomen, maar hetgeen vóór de Dordtsche Synode, toen in Holland de Synodes verboden waren, de Classis verdeeld waren en de contraremonstranten doleerende kerken hebben gevormd en eigen kerkeraden hebben gekozen. Een noodmaatregel dus, alleen in die gevallen geoorloofd en gerechtvaardigd. Maar dat Voetius er geen ogenblik aan gedacht heeft, dat dit nu de algemeen geldende regel was, bleek uit zijn eigen medewerking op de Synode van Dordt. Voetius zou anders met zich zelf in de meest frappante tegenspraak zijn gekomen.

Nu heeft Dr van Lonkhuyzen zoowel in zijn brochure als in zijn tijdschriftartikelen zich er telkens op beroepen, dat zoowel door Prof. Bouwman als door mij, toen uit Amerika de vraag ons gedaan werd, of een Classis een Kerkeraad mocht afzetten, daarop in ontkennenden zin geantwoord en door mij in de Heraut destijds dit antwoord gemotiveerd werd met een beroep op Voetius, die gezegd had, dat alleen de gemeenteleden dit mochten doen. Ik deed dit afgaande op het gezag van Prof. Rutgers, die in zijn met Prof. de Savornin Lohman geschreven boek: De Rechtsbevoegdheid der plaatselijke kerken, dit citaat van Voetius aldus, met invoeging van het woord alleen, had aangehaald. Bij nauwkeuriger bestudeering van Voetius Politia Ecclesiastica en vooral van de handelingen der Synode van Delft, bleek me, dat Prof. Rutgers de bedoeling van Voetius niet juist had weergegeven. Het gezag van Pof. Rutgers staat ook bij mij zeer hoog, maar wanneer Dr van Lonkhuyzen zegt, dat men Voetius’ uitspraken niet anders mag verklaren zooals Prof. Rutgers dit doet en daarmede elk zelfstandig onderzoek wraakt en afsnijdt, dan wil ik hem daarop antwoorden, dat ik zulk een opvatting als door en door onwetenschappelijk veroordeel. Indien Prof. Rutgers, wiens dankbare leerling ik ben, mij iets geleerd heeft, dan is het dit geweest, niet door den gekleurden bril van een ander te lezen, maar zelf door eigen onderzoek tot een vaststellen der feiten te komen. Nemini me mancipavi, ik heb mij aan niemand verknecht, geldt ook hier.

En wat nu de vraag zelf betreft, of een Classis bij een conflict met de Kerkeraad dezen mag afzetten, zou ik die vraag zeker niet zonder meer in bevestigende zin beantwoorden. Vooreerst toch hangt hierbij alles af van de aard van het conflict maar wat alles afdoet, een Kerkeraad, die een besluit van een Classis onrechtvaardig acht en daarom niet uitvoeren wil, heeft het recht van appèl op een meerdere vergadering en kan dit appèl tot de Generale Synode doorzetten. Maar wanneer de Generale Synode in laatster instantie uitspraak heeft gedaan en de Kerkeraad weigert die beslissing te aanvaarden, dan kan de Synode niet anders doen dan met strafmaatregelen optreden. Dat nu was het geval op de Synode te Assen, toen de Kerkeraad van Amsterdam-Zuid de schorsing door de Synode uitgesproken niet erkennen wilde. Hierover nu gaat de strijd, niet of een Classis tot zulk een tuchtmaatregel mag overgaan, maar of een Synode, van wier uitsprak geen appèl meer mogelijk is, het recht heeft om dan in zulk een geval tot afzetting van den Kerkeraad over te gaan. Dat wordt door Dr van Lonkhuyzen betwist, die meent, dat de Synode niet anders had mogen doen dan de Kerk van Amsterdam-Zuid buiten kerkverband had mogen zetten. Dat alleen zou naar Gereformeerd Kerkrecht de juiste weg zijn geweest en daarvoor beriep Dr van Lonkhuyzen zich op Hoornbeek en Voetius. Wat nu Hoornbeek betreft, heb ik reeds aangetoond, dat Hoornbeek juist het omgekeerde zegt. Laat me, voor ik van Voetius afstap, Dr van Lonkhuyzen laten zien, dat onze groote Canonicus dat standpunt van Dr van Lonkhuyzen als Independentisch veroordeelt en daartegen juist zeer ernstige bezwaren in brengt, dezelfde bezwaren, die ook de Synode van Assen in haar open brief heeft genoemd.

Als Voetius het standpunt van de Independenten weergeeft, zegt hij, dat volgens hem aan de Synode niet toekomt de oefening van de tucht en dat wanneer een kerk door scheuringen of door ketterij of door volksregering in beroering wordt gebracht of reeds verstrooid raakt en zelfs niet luisteren wil naar raadgevingen der andere met haar verbonden kerken, ze dan in verwarring of verstrooiïng moet overgelaten worden en alleen door de met haar verbonden kerken moet vermeden worden. Van tuchtmaatregelen mag dus geen sprake wezen; men mag zulk een kerk, die naar de Synode niet luisteren wil, alleen buiten het verband zetten, de gemeenschap met haar verbreken. Voetius nu merkte, evenals Hoornbeek dit deed, hiertegen in de plaats op, dat, terwijl de Independenten dus aan de Synode het recht ontzeggen om tucht te oefenen, ze feitelijk ’t zelfde doen, wanneer ze een kerkelijk oordeel uitspreken over de zonde van een andere kerk en deze verwijderen uit de broederlijke gemeenschap. Maar al is zulk een sentensia non communionis, een vonnis waardoor de gemeenschap wordt afgebroken met zulk een kerk, gelijk de Independenten willen, wel degelijk een tuchtoefening, Voetius wijst er telkens op, dat deze wijze van tuchtoefening in den grond zeer onbarmhartig is en veel erger dan wat de Gereformeerde Kerken doen, die dan met afzetting van de ambtsdragers, enz., het dreigende bederf trachten te keeren. ’t Is toch de roeping der andere kerken, te trachten den brand te blusschen en niet onder ’t voorgeven, dat inbreuk wordt gemaakt op of tekort wordt gedaan aan de vrijheid en macht van zulk een plaatselijke kerk, haar liever in haar bederf laten, dan haar helpen door de gemeene macht van de Classis of Synode. Ook hier geldt weer voor Voetius dat de salus ecclesiae, het welzijn en behoud van zulk een kerk, de suprima lex, de hoogste wet is.

Toch is dit barmhartigheidsmotief, indien ik het zoo noemen mag, niet de hoofdzaak voor Voetius. Tegenover de Independenten, die ontkenden, handhaaft hij, dat de sleutel van de tucht wel degelijk aan de Synode toekomt en zij daarom niet alleen beslissingenkan nemen, maar ook de weerspanningen, die zich aan die beslissing niet willen onderwerpen, met kerkelijke censuur mag treffen. Ik zal, van de vele plaatsen, waarin Voetius dit zegt, maar een hier mededelen. Hij stelt de vraag of de meerdere vergaderingen zooals Classis, Synode de macht hebben niet alleen om aan de kerken, die in deze vergaderingen samenkomen, adviezen te geven en aan te wijzen wat met Gods Woord overeen komt, maar ook met autoriteit in kerkelijke zaken mogen beslissen en den wederspannigen kerkelijke censuur opleggen. De Independenten, zegt hij, beweren het tegendeel, wij bevestigen dit, terwijl hij dan bewijzen daarvoor geeft in de Schrift. En als hij daarna vraagt, welke censuren of tuchtmiddelen de Synode in zulk een geval mag gebruiken, noemt hij met name de afhouding van het Avondmaal, de excommunicatie, de schorsing en de afzetting der ambtsdragers. En Voetius gaat nog verder door aan de Synode alleen het recht toe te kennen om ambtsdragers en dus ook den geheelen Kerkenraad af te zetten, want hij verklaart, dat de Synode zelf zulk een Kerkeraad, d.w.z. de ambtsdragers, die den Kerkeraad vormen, excommuniceeren mag.

Ik behoef natuurlijk die argumenten, die Voetius hiervoor aanvoert tegen de Independenten, die dit loochenen, die dit hiërarchisch noemden, een inbreuk op de autonomie der plaatselijke kerk, in strijd met het grondbeginsel in Art. 82 onzer kerkenorde, dat geen kerk over de andere heerschen mag (dezelfde bezwaren, die ook Dr van Lonkhuyzen inbrengt) hier niet over te nemen. Het was mij alleen te doen om te laten zien, hoe volkomen ten onrechte Dr van Lonkhuyzen zich op Voetius beroept. Voetius zou geleerd hebben dat een Synode nooit een kerkeraad mag afzetten, maar alleen het kerkverband met zulk een kerk verbreken mag. Voetius leert juist het tegenovergestelde: hij bestrijdt deze stelling der Independenten en gaat zelfs nog veel verder door aan de Synode alleen de macht toe te kennen om zulk een kerkeraad af te zetten; de Synode mag zelfs zulk een kerkeraad excommuniceeren.

H.H.K.