nr. 2833
08-05-1932

Napleiten (IV)

Voor de vraag, of Voetius inderdaad bedoeld heeft, dat alleen de gemeenteleden een Kerkeraad mochten afzetten èn een Classis of Synode dit niet mocht doen, is zeer zeker van belang, wat de Zuid-Hollandsche Synode in 1619 heeft gedaan, omdat Voetius zelf op deze Synode aanwezig was en zelfs als Synodaal deputaat naar Gouda is gezonden om te helpen de besluiten dezer Synode uit te voeren. Dat Voetius met de handelingen der Synode het geheel eens was, lijdt dus geen twijfel. Ook Dr van Lonkhuyzen zelf geeft dit toe. Hij gaat zelfs nog verder en beweert, dat het formulier, door deze Synode vastgesteld om de Remonstrantsche kerkeraden af te zetten, mede door Voetius zelf is opgesteld, wat uit de Acta niet blijkt en dus een pure gissing is.

Uit dit afzettingformulier, dat aan de gemeente, waar zulk een Remonstrantsche Kerkeraad was, moest voorgelezen worden, zou, volgens Dr van Lonkhuyzen, nu blijken, dat de gewone voorstelling, alsof de afzetting dezer Kerkeraden door de Synode zelve geschied zou zijn, ten eenenmale onjuist is. In dit afzettingsformulier toch staat, zegt hij, dat „de Remonstrantsche ouderlingen en diakenen van hunne tegenwoordige diensten zullen worden verlaten (d.w.z. afgezet) gelijk ze ook van dezelve verlaten en ontslagen worden mits dezen”. Uit dit mits dezen leidt Dr van Lonkhuyzen dan af, dar de daad van de afzetting bij het voorlezen en dus door het aannemen daarvan door de gemeente werd gedaan. Wie deed het dus, vraagt hij, de afzetting? En antwoordt: „de gemeente”. Voetius, die het formulier zelf mee opstelde en uitvoerde, zegt het. Voetius zegt hiervan echter geen woord en weerspreekt dit zelfs, zooals ik straks zal aantoonen. Het is echter dit argument, dat telkens bij Dr van Lonkhuyzen terugkomt, en waarmede dan bewezen moet worden, dat men geheel ten onrechte zich beroepen heeft op deze Synode, alsof zij kerkeraden wel afgezet zouden hebben. De Synode zou alleen als haar oordeel hebben uitgesproken, dat deze kerkeraden behoorden afgezet te worden, maar de afzetting zelf, de eigenlijke daad, zou door de gemeente geschied zijn.

Dat Dr van Lonkhuyzen zich hier vergist en aan dit formulier een geheel onjuiste interpretatie geeft, is niet moeilijk aan te toonen. Was Dr van Lonkhuyzen beter op de hoogte van wat ik zou noemen de kerkelijke kanselarijtaal van dien tijd, dan zou hij voor deze geheel onjuiste interpretatie van het mits dezen bewaard zijn gebleven. De zaak is nl. deze, dat de Synode van Dordt gelast had aan de Synodes en Classes, dat tot dadelijke afzetting van de Remonstranten uit alle kerkelijke diensten zou worden geprocedeerd. Het afzettingsvonnis moest dus onmiddellijk ingaan. En dit nu wordt in de vonnissen uitgedrukt, — ik een voorbeeld uit velen — doordat de provinciale Synode van Noord-Holland zegt: „dat N.N. van nu aan van alle kerkelijke diensten zal zijn gedeporteerd, gelijk zij hem deporteert mits dezen.” 2)

Het „mits dezen” heeft hier niets te maken met de voorlezing van het vonnis voor de gemeente; nog veel minder met de aanvaarding en uitvoering daarvan door de gemeente; maar is niets dan een rechtsterm om aan te duiden, dat het vonnis dadelijk, onmiddellijk in werking treedt, door het besluit der Synode zelf.

Ik heb echter nog stringenter bewijs van de lippen van Voetius zelf. In Gouda leverde deze afzetting van de Reomonstrantschen Kerkeraad groote moeite op. De Synode zond daarom Voetius en nog een andere deputaat daarheen om met den Magistraat te spreken. Voetius nu en zijn mededeputaat verklaren aan de Magistraat, „dat bij de ordre deser Synodi de tegenwoordige kerckenraet van de Gasthuiskercke (d.w.z. de Gereformeerde Kerkeraad aldaar) wyert gheautoriseert in de dienst (d.w.z. als wettig erkend door de Synode) en de andere wyert gedeporteert (d.w.z. de Remonstrantsche) gelijck oock van de predickstoel soude afgelesen worden”. 3) Het is dus bij de order der Synode, die zelf haar Deputaten zond, dat de Gereformeerde Kerkeraad als wettige kerkeraad werd erkend en de Remonstrantsche kerkeraad werd afgezet. Wat alleen nog geschieden moest, was dat dit vonnis nu van den kansel moest voorgelezen worden. 4) Van een toestemming van de gemeente, waardoor die afzetting geschieden moest, is derhalve geen sprake. De afzetting zelve door order der Synode was reeds een feit. Trouwens, wie het rapport, dat deze deputaten ter Synode uitbrachten, over hetgeen hun te Gouda overkomen was, leest, zal wel een heel anderen indruk krijgen, dan van een stilzwijgende toestemming der Goudsche gemeente. Toen Sonneveld, mede door de Synode naar Gouda gezonden, in de Groote Kerk preeken zou, maakten de Remonstranten een helsch lawaai om dit te verhinderen, wierpen met steenen op het portaal, slepen de messen, verzetten de banken, namen honden bij hun staart op en wierpen ze onder het volk en zongen, toen de predikant een psalm opgaf, oneerbare liedekens. De deputaten der Synode liepen zelfs bij het verlaten van het kerkgebouw levensgevaar, want er werd met steenen naar hen geworpen 5). En toch verklaart Dr van Lonkhuyzen, dat Voetius ons leert, dat zulk een Remonstrantsche gemeente den Remonstrantsche Kerkeraad zou afzetten, want dat de gemeente alleen daartoe het recht heeft! Alsof een Remonstrantsche gemeente daartoe ooit hare medewerking verleenen zou. Men ziet, hoe de Deputaten der Synode, die het vonnis der Synode hadden voor te lezen, waarbij de Remonstrantsche kerkeraad afgezet werd verklaard, te Gouda zijn bejegend.

Voetius leert, zeide ik een vorige maal, juist het omgekeerde van wat Dr van Lonkhuyzen hem zeggen laat, in het VIe boek van zijn Politica Ecclesiastica en ik wil hem nu de plaats aanwijzen, waar dit geschiedt, en mededeelen, Voetius daar zegt. Hij vindt deze plaats in het IVe boek blz. 890-893. Voetius behandelt hier de vraag, hoe een Kerkeraad handelen moet, die iemand excommuniceeren wil, wanneer zoo goed als alle gemeenteleden er zich tegen verzetten. Bij de excommunicatie nu (niet bij de afzetting van predikanten) is, zooals onze Kerkenorde uitdrukkelijk zegt, de stilzwijgende bewilliging der gemeente noodig en hier was dus metterdaad een groote moeilijkheidvoorhanden. Nu geeft Voetius verschillende wegen aan, hoe de Kerkeraad dan handelen kan; een daarvan is dat de kerkeraad dat de Kerkeraad de zaak op de Classis en door deze op de Synode brengt en deze dan het vonnis van excommunicatie uitspreekt en de uitvoering daarvan aan deputaten opdraagt. In dat geval kan de excommunicatie dus geschieden zonder de toestemming der gemeente. Voetius geeft als bewijs daarvan verschillende voorbeelden, dat door de Synodes metterdaad aldus gehandeld is. Eén daarvan is nu juist, hetgeen de Synode van Delft in 1619 gedaan had, d.w.z. de Synode die de predikanten en kerkeraden der Remonstranten afzette. Op deze Synode, zegt hij, zijn niet weinig predikanten afgezet absque consensu populi sui, d.w.z. zonder toestemming of bewilliging van hun gemeente. Iets wat natuurlijk evenzoo geldt ten opzichte van hun kerkeraden, die met hen afgezet werden. En dan gaat hij voort: „In buitengewone gevallen en wanneer de kerk in beroering is gebracht door secten, facties en verdeeldheden kunnen Synodes of Classes niet alles in zulke in beroering gebrachte kerken ordenen met toestemming van het Volk (d.w.z. de gemeente)”.

Uit wat Voetius hier zegt blijkt dus tweeërlei. Vooreerst, dat de afzetting van de predikanten en kerkeraden, die in 1619 geschied is, geschied is absque consensu populi, zonder instemming van het volk, de gemeenteleden. De voorstelling van Dr van Lonkhuyzen alsof de afzetting van deze kerkeraden zou geschied zijn met en door bewilliging van de gemeente, is derhalve met Voetius’ eigen mededeeling lijnrecht in strijd. Ze geschiedde zonder die bewilliging en dus nog veel minder door de daad dezer gemeenten. En in de tweede plaats dat Voetius, al geeft hij toe, dat in den regel en bij normale verhoudingen zulke tuchtoefeningen als excommunicatie, afzetting van predikanten enz., door de Synode niet behooren te geschieden, zonder de stilzwijgende bevestiging der gemeente, er toch gevallen kunnen voorkomen, waarin die tuchtoefening wel moet doorgaan, al geschiedt ze zonder bewilliging der gemeente, ja, zelfs trots den tegenstand der gemeenteleden. 6)

H.H.K.

 

Noten:

1) In het voorgaande artikel bleven enkele zinstorende fouten staan door onvolledige correctie. De meest zal de welwillende lezer zelf wel verbeteren. Slechts een drukfout moet ik herstellen. De naam van den lexicograaf, bij wien Dr van Lonckhuyzen de beteekenis van het woord solum had kunnen vinden is Dr Cange.
2) Reitsma en Van Veen t. II. P. 81. Evenzoo 1. III, p. 315, p. 311, 371, enz.
3) Reitsma en Van Veen t. III p.365.
4) Ook uit de besluiten der Synode zelf blijkt dit. De Synode besloot, dat de kerkeraad der Remonstranten te Rotterdam zal afgezet worden en dat het zelve mede aldaar in de kerk zal afgelezen worden (Reitsma en Van Veen t. III, p.356). De afzetting gaat dus vooraf en dan volgt de mededeeling van deze afzetting aan de gemeente. De uitvoering van het afzettingsvonnis, door de Synode uitgesproken, werd opgedragen aan de Classes, die gelast worden de Remonstrantsche kerkeraden te casseeren (t.a.p. 404) De afzetting zelve geschiedde echter door de Synode, die daarvoor her formulier vaststelde, want dit formulier is niets anders dan de mededeeling aan de gemeente van wat de Synode besloten had.
5) Reitsma en Van Veen t.III p. 365, 366.
6) Volgens Ds Jansen zou de afzetting van de Remonstrantsche kerkeraden geschied zijn op grond dat zij onwettig verkozen waren. Metterdaad wordt dit in één geval als grond aangegeven. Reitsma en Van Veen t. III, p. 310, maar dit is een uitzondering. De gewone grond is echter, dat de ouderlingen en diakenen Remonstrantsch waren t.a.p.t. III, p. 387. Ook boven het afzettingsformulier staat, dat dit het formulier is voor de afzetting der Remonstantsche Kerkeraden t.a.p. III, p. 406.