nr. 2831
24-04-1932

Napleiten (II)

Dr van Lonkhuyzen beroept zich, om te bewijzen dat zijn gevoelen het juiste is, op drie volgens hem gezaghebbende theologen, nl. op Hoornbeek, Voetius en Rutgers. Mag ik daarom ditmaal eerst Hoornbeek bespreken om aan te toonen, voorerts Dat Hoornbeek juist het omgekeerde zegt van wat Dr van Lonkhuyzen beweert, en ten tweede dat Hoornbeek dit geschilpunt niet van essentieel belang acht.

Nu heeft Dr van Lonkhuyzen het geschrift van Hoornbeek, waarop hij zich beroept, nl. Summa Controversiarum, niet in handen gehad, maar hij heeft bij een Engelschen schrijver een citaat gevonden en op dit citaat afgaande, verklaart hij, dat ook Hoornbeek uitdrukkelijk zegt, dat naar Gereformeerd Kerkrecht een Synode, die te doen heeft met een Kerkeraad of ambtsdragers en over hen censuur wil oefenen, dit niet mag doen door excommunicatie, maar alleen door hen buiten het kerkverband te sluiten of de kerkelijke gemeenschap met hen te verbreken. Wat Dr van Lonkhuyzen verder uit Hoornbeek aanhaalt over de zelfstandigheid der plaatselijke kerk, over het vrijwillig aangaan van het kerkverband enz., heeft met het geschil, waarover het hier gaat, niets te maken en heeft met de Asser Synode niets te maken. Hoornbeek geeft hier alleen weer, zooals Dr van Lonkhuyzen opmerkt, wat Voetius aangaande de zelfstandigheid der plaatselijke kerk en aangaande het kerkverband tusschen deze kerken leerde, al mag ik er wel aan toevoegen, dat Hoornbeek dit zeer summier doet en, waar het zijn doel is om de Independenten te winnen, door hun bezwaren tegen de Gereformeerde Kerken weg te nemen, misschien wel wat eenzijdig de zaken behandelt. Voetius is in dit opzicht veel voorzichtiger en doet veel scherper dan Hoornbeek de verschilpunten met de Independenten uitkomen.

Dat verschil nu liep juist over de vraag, welke macht aan de Synodes toekomt. De Independenten waren met de Westminstersche Confessie als geheel wel eens, maar al namen ze deze aan, ze stelden toch een eigen Confessie op, de zoogenaamde Savoydeclaration, waarin ze o.a. ten opzichte van de Synodes en haar macht hun afwijkend gevoelen uitspraken. In deze Savoy Declaration nu verklaarden ze „dat ze wel oordeelden, dat het volgens de bedoeling van Christus was, dat de Kerken door afgevaardigden naar een Synode te zenden saamkwamen in geval er moeilijkheden of verschillen waren, hetzij ten opzichte van de leer of kerkregeering, waarin de Kerken in het algemeen betrokken waren, of als het ging om de vrede, eenheid en stichting van één kerk, of wanneer een lid of leden eener kerk ongelijk was aangedaan door onordelijke censuur, en dat de afgevaardigden ter Synode dan hun advies over dit geschil mochten geven, om aan al de daarbij betrokken kerken meegedeeld te worden, maar dat deze Synodes niet bezaten een kerkelijke macht in eigenlijken zin of eenige jurisdictie om eenige censuur uit te oefenen over enige kerk of personen, of haar beslissingen op te leggen aan kerken of ambtsdragers.”1)

Hier heeft men dus het standpunt der Independenten met hun eigen woorden weergegeven. Of om het in de eigenaardige termen van die dagen uit te drukken, volgens de Independenten kwam aan de Synodes alleen toe een potestas caritativa, maar niet een potestas authoritativa. Wat met deze beide termen, waarin het geschil destijds werd uitgedrukt, bedoeld wordt, kan ik misschien het best duidelijk maken door te wijzen op wat Voetius over de tucht zegt. Aan de gemeenteleden komt wel zegt hij, de potestas caritativa toe, d.w.z. de macht der liefde om elkaar broederlijk te vermanen en terecht te wijzen, maar niet de potestas authoritativa, d.w.z. de macht om met gezag tegenover hem op te treden en over hem censuur te oefenen, want deze potestas authoritativa of tuchtmacht bezit alleen de Kerkeraad. De gemeenteleden immers zijn gelijke van elkaar, maar de Kerkeraad heeft deze tuchtmacht wel. Geheel in dienzelfden zin nu leerden de Independenten, dat ook in de Synoden de afgevaardigden saamkwamen als volkomen gelijken, zoodat ook hun alleen deze broederlijke vermaning toekwam tegenover een kerk of ambtsdragers, die dwaalden of zich aan de besluiten der Synode niet wilden onderwerpen, maar niet het recht om te censureeren of te excommuniceeren, want dan zou de Synode zeiden ze een hiërarchische macht over de kerken zich aanmatigen.

Nu hadden deze Independenten of Congregationalisten, die in Engeland vervolgd werden, in Nederland een toevlucht gezocht. Bij onze Gereformeerde Kerken zich aansluiten wilden ze niet, want deze hadden volgens hen een hiërarchisch synodaal regiment, evenals de Presbyteriaansche kerken in Engeland. Het geval nu wilde, dat te Rotterdam in hun gemeente moeilijkheden ontstonden, die een schandaal gaven en algemeen ergernis verwekte. De andere Congregationalistische gemeenten kwamen saam, namen de Rotterdamsche broeders onder handen en dreigden, wanneer ze aan de beslissing van deze vergadering zich niet onderwierpen, hen van de gemeenschap dezer kerken af te snijden en allen band met hen te verbreken. Dit dreigement hielp, de broeders te Rotterdam onderwierpen zich. In hun Apologetisch verhaal deelt Hoornbeek mee, werd deze handelwijze als de alleen juiste en meest afdoende „censuur” verdedigd.2)

Hoornbeek nu maakt van dit voorval een zeer handig gebruik. Na eerst te hebben aangetoond, dat de beschuldiging van een hiërarchische regiment tegen onze Kerken ingebracht, onjuist is, gaat hij dan aldus voort: „Is dan het oefenen van een strengere censuur tegen een weerspannige of de verklaring, dat men de gemeenschap met hem verbreekt, nu zoover afstaande van de excommunicatie of geüsurpeerde macht (der Synodes die ge ons ten laste legt)? Wat onderscheid is er nu eigenlijk tusschen dit „buiten het kerkverband stellen” indien men dit passief ondergaat, met het geëxcommuniceerd worden? Of ondervindt dan een kerk, die aldus veroordeeld wordt tot afsnijding van de gemeenschap, niet dat een zekere macht tegen haar uitgeoefend wordt? Wanneer de Independenten beweren, dat ze een met autoriteit geoefend gezag der Synodes afkeuren, dan schijnen ze meer afkeer te hebben van de woorden dan van de zaken. Want wanneer een kerk zich onderwerp aan het oordeel, de censuur en het vonnis van uitsluiting uit de gemeenschap, onderwerp ze zich dan niet aan de macht (der Synode)?” 3).

Aangaande de bedoeling van Hoornbeek kan dus geen twijfel bestaan. Wat hij hier zegt is een argumentum ad hominem, zooals men het noemt. Hij wil aantoonen, dat de Independenten, die de macht om censuur te oefenen en te excommuniceren evenals de authoritiva potestas, de met autoriteit optredende macht der Synodes, ontkennen en onze Gereformeerde Kerken daarvan zelfs een verwijt maken, feitelijk doen met hun „afsnijden van het kerkverband” en dat dit wel degelijk een machtsoefening der Synodes is.

Dr van Lonkhuyzen, die dit citaat meedeelt, laat er op volgen, dat hieruit blijkt, dat Hoornbeek „den weg kent van verbreking van het kerkverband met een onwillige kerk, dien weg goedkeurt en van geen anderen weg jegens zulk een kerk weet” (Een ernstige fout blz. 57) Volgens hem is dit zelfs „klaar als de dag”. En hoewel Ds Jansen hem reeds op deze totale misvatting van Hoornbeek’s bedoeling wees, blijft hij toch zich op Hoornbeek beroepen!

Teneinde nu allen twijfel weg te nemen, of het hier juist een verschilpunt gold tusschen de Independenten en de Gereformeerden, wil ik nog een tweede getuigenis aanhalen van een theoloog, die in denzelfden tijd leefde en zeker niet minder gezag heeft dan Hoornbeek. Tot de leerlingen van Voetius behoorde toch niet alleen Hoornbeek, maar neemt een niet minder voorname plaats in Petrus van Mastricht. Hij nam zelfs de plaats in van Voetius te Utrecht. Want al is het niet juist wat Glasius beweert, dat hij de directe opvolger van Voetius werd na diens dood – de vacature bleef aanvankelijk onvervuld – toen Essenius stierf en de faculteit nog slechts één hoogleraar overhield, benoemden Curatoren Petrus van Mastricht om de vakken, die Voetius onderwezen had, over te nemen4) Vooral de Dogmatiek, die hij uitgaf, wordt onder de standaardwerken der Theologie van die dagen gerekend en werd uit het Latijn in het Hollandsch vertaald. Mastricht nu handelt in deze dogmatiek „De beschouwing en de praktische Godgeleerdheid” genaamd in het 3e deel ook uitvoerig over de Synodes en haar macht. Even als Voetius en Hoornbeek geeft hij eerst de bekende uitlegging en verklaring van de macht der Synodes, maar dan laat hij er op volgen, om het verschil met de Independenten te doen uitkomen, dat deze „macht der Synode niet, gelijk de Independenten willen, slechts caritativa is, d.w.z. werkzaam en machtig alleen door raad te geven en aan te raden, of ten hoogste niet verder gaande dan dat de Synode de uitspraak mag doen van de gemeenschap te verbreken, maar dat ze waarlijk en eigenlijk authoritativa is, d.w.z. met macht en gezag bekleed gelijk blijkt uit de Synode te Jerusalem, Hand. 15.” En wat Mastricht nu met onder deze autoriteit optredende macht der Synode verstaat, verklaart hij daarna, als hij zegt dat ze ook „een oordeelende macht is, voorzooverre ze met geestelijke straffen, vermaningen, excommunicaties en afzettingen uit het ambt handelt tegen ketters, degenen die ergernis geven en die hardnekkig zijn”. (blz. 546) Ook dit citaat is door Ds Jansen hem reeds voorgelegd, maar Dr van Lonkhuyzen maakt er zich weer van af met de opmerking, dat Petrus van Mastricht een dogmatisch werk schreef en men met hem niet te rekenen heeft op kerkrechtelijk gebied. De vraag is echter niet, of Petrus van Mastricht op kerkrechtelijk gebied gezag heeft, maar of hij de tegen stelling tusschen Independenten en Gereformeerden juist weergeeft. En volgens Hoornbeek nu èn volgens Mastricht bestaat die tegenstelling juist daarin, dat de Independenten geen andere machtsoefening der Synodes erkennen dan hoogstens het recht om tegen ketters en wederstrevigen het oordeel uit te spreken, dat de Synode de kerkelijke gemeenschap met hen opzegt, de sententia non communionis, terwijl de Gereformeerden daarentegen aan de Synodes ook de macht toekennen om censuur op hen te oefenen door afzetting uit hun ambt en excommunicatie.

Dit eene voorbeeld moge nu toonen, hoe Dr van Lonkhuyzen de autoriteiten, waarop hij zich beroept, juist het omgekeerde zeggen laat van wat ze bedoelen. Natuurlijk geschiedt dit niet met opzet of kwader trouw, maar omdat Dr van Lonkhuyzen zich met citaten behelpt, die hij ergens vindt en de auteurs zelf niet bezit of bestudeert. En dan – Dr van Lonkhuyzen verklaart niet Independentisch te willen zijn. Ik neem dit gaarne aan. Maar als men niet Independent wil zijn, dan moet men ook niet de stellingen van de Independenten en nog veel minder als de Independenten in onze Gereformeerde Synode afkeuren als een principieele afwijking, wat juist door mannen als Hoornbeek, Mastricht e.a. als het recht der Synodes verdedigd wordt.

H.H.K.

 

Noten:

1) Schaff, Creeds of Christendom III. p. 728.
2) Hoornbeek, Summa Controversiarum 2e. p. 278.
3) id. p. 782.
4) G.J. Loncq. Historische schets der Utrechtsche Hoogeschool, blz. 72.