nr. 2830
17-04-1932
  » Napleiten (II)

 

Napleiten (I)

De Synode van Assen ligt nu reeds een zestal jaren achter ons, en de stormen, die destijds ontstaan zijn naar aanleiding van de dogmatische beslissingen en de tuchtmaatregelen door de Synode genomen, waren vrijwel tot bedaren gekomen. De argumenten voor en tegen de handelingen dezer Synode waren te berde gebracht, toegelicht en verdedigd. Het hoor en wederhoor was toegepast. Voor het eindeloos voortzetten van zulk een debat was geen reden en wie principieel een ander standpunt innam dan de Synode van Assen deed, overtuigt men toch niet. En dan geldt het bekende spreekwoord: litis finiri oportet, aan het twistgeschrijf moet tenslotte een einde komen. Zulk een eindeloos napleiten begint het publiek te vervelen en wekt geen belangstelling meer.

Het is daarom dan ook niet dan nodig, dat we aan het verzoek voldoen zoowel door Dr van Lonkhuyzen zelf als door anderen tot ons gericht, om nogmaals op de kerkrechtelijke of wil men liever de tuchtmaatregelen in te gaan, die destijds door de Synode van Assen zijn genomen, naar aanleiding van de bedenkingen door Dr van Lonkhuyzen tegen de kerkrechtelijke handelingen daartegen in gebracht. Dat Dr van Lonkhuyzen tegen de kerkrechtelijke handelingen bezwaren had, was bekend. In de Christelijke Gereformeerde Kerk in Amerika, waartoe destijds Dr van Lonkhuyzen behoorde, was heftige strijd uitgebroken over de vraag, of een Classis een kerkeraad, die zich niet aan de besluiten der Classis onderwerpen wilde, mocht afzetten. Dr van Lonkhuyzen meende dat zulk een afzetting van een kerkeraad ongeoorloofd was, in strijd met de beginselen van ons Gereformeerd Kerkrecht, en had zich daarbij vooral beroepen op wat hij ’t „doleantie-kerkrecht” noemde, of wil men liever op het kerkrecht zooals dit in onze kerken in Nederland door toonaangevende leiders geleerd was. Juist toen deze strijd in de Christelijke Gereformeerde Kerk in Noord-Amerika werd gevoerd en de Synode dezer Kerk hierover uitspraak zou moeten doen, kwam de Synode te Assen saam en de door haar genomen besluiten zoowel ten opzicht van de Kerkeraadsleden, die aan de zijde van Dr Geelkerken stonden, als ook van de andere kerkeraden, die zich aan de beslissingen der Synode niet wilden onderwerpen, maakten in de Christelijke Gereformeerde Kerk in Amerika een diepen indruk en toonden, dat men in de Gereformeerde Kerken in Nederland toch anders dacht, dan Dr van Lonkhuyzen had beweerd. Dat gaf aan Dr van Lonkhuyzen aanleiding om een brochure uit te geven: Een ernstige fout, het besluit der Generale Synode te Assen in zake de afzetting van een of meer kerkeraden gewogen en te licht bevonden. In deze brochure nu werd beweerd, dat de Synode een fundamenteele fout had begaan en tegen een der voornaamste beginselen van ons kerkrecht had gezondigd. Nader werd dit dan aangetoond door de bewering, 1e dat zulk een afzetting van een kerkeraad door een meerdere vergadering in strijd is met den aard van het Gereformeerd kerkverband, zooals wij dat uit Gods Woord, de Belijdenis en de kerkenorde; 2e met de geschiedenis der Gereformeerde Kerken, inzonderheid met die in Nederland; 3e met het getuigenis van mannen, die autoriteiten op het gebied van het Gereformeerd Kerkrecht mogen geacht worden.

De publiceering van de Acta der Synode had Dr van Lonkhuyzen niet eens afgewacht; evenmin het verweerschrift, dat op last der Synode uitging om haar dogmatische en kerkrechtelijke tuchthandelingen te verdedigen. Wel wist hij uit hetgeen in de Pers ter verdediging der Synode-handelingen geschreven was, dat men zich beriep op hetgeen na de Dortsche Synode geschied was, toen de Remonstrantsche kerkeraden waren afgezet en ook hetgeen Prof Rutgers zelf dienaangaande in zijn dictaat gezegd had, maar meende dat dit onjuist was. Zijn standpunt was, dat in zulke gevallen de meerdere vergaderingen geen ander tuchtmiddel hadden dan het kerkverband met zulk een kerkeraad te verbreken. Niet afzetten, maar uitzetten was de leuze.

Of het nu oorbaar en broederlijk was, dat Dr van Lonkhuyzen, die niet eens tot onze Kerken behoorde, op deze wijze de Synode van Assen aanviel, terwijl de strijd ging niet om deze kerkrechtelijke quaesties, maar om de handhaving van de autoriteit der Heilige Schrift, laten we hier rusten. Een hartelijk woord om de Synode te bemoedigen en te sterken in den zwaren en moeilijken strijd, die destijds gevoerd werd, ware o.i. meer op zijn plats geweest dan deze scherpe aanval op de Synode, vooral waar het eigenlijke geschilpunt waarom het hier gaat: afzetten of uitzetten, ook volgens het oordeel van Voetius en Hoornbeek, op wie Dr van Lonkhuyzen zich beroept en die over datzelfde geschilpunt, dat door de Independenten aan de orde was gesteld, zich uitvoerig hebben uitgesproken, niet van principieel belang was.

Intusschen had de strijd tegen de kerkrechtelijke besluiten der Asser Synode ook in Nederland zelf tot verweer genoopt. Niet, we mogen dat nog wel eens herinneren, dat op de Synode zelf de beslissingen in zake de tuchtmaatregelen, die genomen moesten worden ten opzichte van Dr Geelkerken en zijn Kerkeraad tot groot verschil van gevoelen hadden geleid. De afzetting van Dr Geelkerken en evenzoo van de Kerkeraadsleden, die aan zijn zijde stonden, is geschied met algemeene stemmen. Alleen bij het besluit in zake de afzetting der kerkeraadsleden verklaarde één lid der Synode, Dr van Es, dat hij zich wel conformeerde met dit besluit, maar met behoud van zijn afwijkend gevoelen; terwijl één prae-adviseerend lid Prof. Greijdanus er zich tegen verklaarde. Er kan dus geen oogenblik twijfel over zijn, dat de Synode, zeker niet overhaast maar eerst na ampele beraadslaging, waarbij uitvoerige discussie is gevoerd of de Synode wel tot deze tuchtmaatregel gerechtigd was, gemeend heeft volkomen gerechtigd te zijn aldus te handelen. In het verweerschrift door haar uitgegeven heeft ze de gronden, waarop deze overtuiging rustte, uiteengezet.

Ook de beide hoogleraren in het kerkrecht Prof. Bouwman in de Bazuin en Prof. Dr H.H.Kuyper in de Heraut hebben tegenover de aanvallen op deze kerkrechtelijke handelingen der Synode haar verdedigd. Terwijl onze bekende Canonicus onder de predikanten Ds Jansen dit evenzeer deed in een brochure.

Ook daarmede was de strijd nog niet uit; op de predikanten conferentie in April 1928 gehouden verdedigde Ds. Jansen zijn stellingen over het tuchtrecht der meerdere vergaderingen en het debat hierover werd door hem in een aparte brochure uitgegeven. Al ging het hierbij niet rechtstreeks om de tuchtmaatregelen der Asser Synode maar om het principieele vraagstuk in hoeverre aan de meerdere vergaderingen het tuchtrecht toekwam, het was duidelijk genoeg, dat de besluiten te Assen genomen tot deze stellingen en het debat aanleiding hadden gegeven. Vooral Dr van Es, die reeds op de Synode een voorbehoud had gemaakt. Trad tegen Ds Jansen in het krijt en zette na deze conferentie den strijd voort in de Leeuwarder Kerkbode, waarop Ds Jansen in het Theologisch Tijdschrift in een drietal artikelen antwoordde. Men kan gerust zeggen, dat alle argumenten aan de historie, aan de gereformeerde dogmatici en canonici ontleend, ook aan Prof. Rutgers, hier volledig waren aangevoerd, over en weer waren gewogen, en de strijd daarmede nu een einde kon nemen. Dat Ds Jansen dit tuchtrecht der meerdere vergaderingen op uitnemende wijze had verdedigd en tegen zijn afdoende argumenten weinig viel in te brengen, zal wie deze brochures en deze artikelen las, toestemmen. Er was dan ook alle reden om daarmede dit debat als gesloten te beschouwen.

Dr van Lonkhuyzen, die inmiddels Amerika verlaten had om naar Nederland terug te keeren, voelde zich geroepen om den strijd, dien hij al in Amerika begonnen was, hier opnieuw voort te zetten. Ons Gereformeerd Theologisch Tijdschrift opende daar oor zijn kollommen en in een reeks artikelen, die reeds in Januari 1931 begon en die zelfs nu in de Maart aflevering nog wordt voortgezet en blijkbaar nog niet ten einde is, wordt de aanval op de Asser Synode en haar tuchtmaatregelen voortgezet. Al willen we nu allerminst afsnijden, dat men over dergelijke vragenstukken, ook waar men in afwijkende zin oordeelt van hetgeen onze Synodes besloten, zijn meening zegt, toch komt wel de vraag op, of een Gereformeerd Theologisch Tijdschrift meer dan een jaar lang zijn lezers vergasten moet op een dergelijke polemiek, die bovendien allengs een meer persoonlijk karakter gaat dragen. De hoogleraren Bouwman en Kuyper worden, ik zou bijna zeggen, uitgedaagd om nu eens argumentatie van Dr Lonkhuyzen te weerleggen. Vooral tegen Prof. Kuyper richt zich deze polemiek. Er wordt een scherpe tegenstelling gemaakt tusschen de kerkrechtelijke colleges vroeger door Prof. Rutgers gegeven, waarin voor het recht der plaatselijke kerken zoo beslist werd opgekomen, en die nu aan de Vrije Universiteit worden gegeven. Van het Fransche Gereformeerd kerkrecht moet Dr Lonkhuyzen vooral wat het tuchtrecht betreft, weinig hebben. Hier in Nederland hebben we ons eigen kerkrecht, dat voor ons alleen geldig is.

En dan wordt terloops meegedeeld, dat naar Dr van Lonkhuyzen verneemt, Prof. Kuyper op zijn colleges het Fransche Gereformeerde kerkrecht behandelt. Alsof, wanneer men het Gereformeerde Kerkrecht onderwijst, men niet geroepen is historisch aan te tonen, hoe dit Gereformeerde Kerkrecht zich ontwikkeld heeft in Zwitserland, Frankrijk, Schotland en andere Gereformeerde Kerken. Het zou al zeer onwetenschappelijk zijn, wanneer een hoogleeraar, die kerkrecht heeft te doceeren, zich alleen zou beperken tot het „Nederlandsche” kerkrecht.

Dat een dergelijke wijze van polemiek weinig uitlokt om daarop te antwoorden, zal wel voor ieder duidelijk zijn. Daarbij komt, dat Dr Van Lonkhuyzen in deze artikelen weinig nieuws voor den dag brengt en grootendeels herhaalt, wat hij reeds vroeger heeft geschreven. Op ernstige argumenten door Ds Jansen e.a. ingebracht, gaat hij nauwelijks in of maakt met een Franschen slag er zich van af. Dat we er daarom niet aan denken kunnen om in De Heraut al wat Ds van Lonkhuyzen aanvoert in zijn eindeloos lange artikelenreeks te weer leggen, spreekt van zelf. We zouden in hoofdzaak kunnen volstaan met hem te verwijzen naar wat Ds Jansen heeft geschreven. Maar al is de vraag opgekomen of het niet beter ware te zwijgen, we willen toch, nu men van geachte zijde ons dit verzoekt, wel op enkele punten aantoonen, hoe Dr van Lonkhuyzen zich vergist, stellingen poneert, die met ons Gereformeerd Kerkrecht weinig overeenkomen en, al zegt hij dit niet te willen, op niet onbedenkelijke wijze naar het Independentisme overhelt.

H.H.K.