nr. 2515
04-04-1926

De kerkelijke besluiten van de Synode van Assen

Richt de felle critiek van Dr Geelkerken’s aanhangers zich eenerzijds op de dogmatische beslissingen der Synode, waarom deze voor Roomsch, onprotestantsch en wat niet al uitgemaakt wordt, omdat ze in eenvoudigheid des geloofs aan Gods Woord heeft vastgehouden en daarvan geen tittel of jota wil loslaten. Anderzijds tast deze critiek niet minder de kerkrechtelijke beslissingen der Synode aan, waarbij natuurlijk vooral de juristen weer aan het woord zijn. We zijn dit van de heeren gewend en zullen ons daardoor zeker niet laten afbrengen van hetgeen in onze Gereformeerde Kerken steeds als recht heeft gegolden, vooral wanneer zij daarbij blijken geven van de historie onzer Kerken zoo weinig te weten of uit te gaan van beginselen, die lijnrecht met ons Gereformeerd Kerkrecht in strijd zijn. Nu meene men niet, dat deze dubbele strijd, dien we te voeren hebben, niet oorzakelijk zou saamhangen. Zooals in den grond de dogmatische strijd hierom gaat, dat men in onze Kerken de leervrijheid wil invoeren, het subjectivisme vrij spel wil laten en de autoriteit der Kerk moet worden uitgeschakeld, die te beslissen heeft wat met het gezag van Gods Woord en het gezag dier Confessie strijdt, zoo wil men op kerkrechtelijk gebied alle gezag der meerdere vergaderingen wegnemen en voor elken kerkeraad de beslissende macht opeischen, zooals dit in de procedure Geelkerken gebleken is. Leervrijheid en independentisme komen beide uit eenzelfden wortel voort. Nu heeft het eenigen indruk gemaakt, dat een autoriteit op juridisch gebied, Prof. Mr J.L. van Apeldoorn, in een interview aan de Nieuwe Rotterdamsche Courant toegestaan, als „onpartijdig beoordeelaar”, want hij behoort tot de Hervormde Kerk, de kerkrechtelijke procedure te Assen gevoerd op elk punt veroordeelen kwam, omdat ze in strijd zou zijn geweest met de bepalingen onzer erkenorde en een openlijke afwijking van het standpunt door Prof. Rutgers in de dagen der Doleantie ingenomen en verdedigd. Met name zou dit dan gelden het besluit van de Synode te Assen om den kerkeraad van Amsterdam Zuid, die tegen de besluiten der Synode zich verzette en openlijk partij koos voor Dr Geelkerken, af te zetten. Geen Synode zou daartoe de macht bezitten en de groote lijn door Prof. Rutgers voor het Kerkrecht getrokken, zou daarmede verlaten zijn. Nu kunnen we natuurlijk hier niet uitvoerig op dit betoog ingaan. Zoo spoedig mogelijk zal dit geschieden in een brochure, waarin kerkrechtelijk en historisch dit betoog zal worden weerlegd. Slechts één vraag willen we terstond beantwoorden. Heeft de Synode van Assen metterdaad, door den Kerkeraad van Amsterdam-Zuid af te zetten, gehandeld in strijd met hetgeen door Prof. Rutgers ons is geleerd? Het antwoord op die vraag is niet moeilijk. In zijn dictaat over de Kerkenorde (uitgegeven door Dr. J. de Jong) heeft Prof. Rutgers uitvoerig de vraag behandeld, wat er moet geschieden, als iemand te excommuniceeren is en de Kerkeraad, waartoe hij behoort, weigert daartoe zijne medewerking te verleenen. Met gewone gemeenteleden, zoo merkte Prof. Rutgers op, kan dit zoo dikwijls niet voorkomen, eigen in het geheel niet, maar wel met Dienaren des Woords. Men ziet, hoe het hier dus juist gaat over de vraag, die zich te Assen voordeed, dat een meerdere vergadering een predikant meent te moeten schorsen of afzetten en de Kerkenraad zich daartegen verzet.

Prof. Rutgers nu wees er eerst op, hoe vroeger het zeer moeilijk was de excommunicatie van zulk een predikant door te zetten, wanneer de Overheid aan de zijde van zulk een predikant en kerkeraad stond, zooals bijv. in de bekende tuchtzaak van Casper Coolhaas het geval was. In Leiden had de Classis en de Synode,zegt hij, niets te zeggen. Men deed daar de excommunicatie in naburige kerken geschieden, totdat men het in die kerk zelf kon doen. Dit alles hing saam met de positie, die de Gereformeerde Kerk destijds innam en haar band met de Overheid.

Maar zoo vervolgt Prof. Rutgers, tegenwoordig zal dit geval zich niet voordoen. Nu (dat wil zeggen nu de band tusschen Kerk en Staat verbroken is) zou een Kerkeraad, die niet meewerkte, zelf in staat van beschuldiging komen. Wanneer de kerkeraad zich verzetten ging, dan zou hij later een schismatieke kerkeraad worden en in kerkelijke behandelijng komen. Gaf hij niet toe, dan zou dit leiden tot conflict, tot zijn afzetting en tot aanstelling van een nieuwen kerkeraad. En nu is er geen Overheid, die er zich tegen verzetten zou (t.a.p. blz. 85)

De Synode te Assen heeft zich geheel aan dit advies van Prof. Rutgers gehouden. Trouwens, dit advies was volkomen in overeenstemming met hetgeen onze Kerken steeds hebben gedaan, wanneer de Overheid dit niet onmogelijk maakte. In de dagen der Remonstranten hebben de Particuliere Synodes op tal van plaatsen de Kerkeraden afgezet, wanneer deze voor de Remonstrantsche predikanten partij kozen. Ook Voetius constateert uitdrukkelijk, dat dit recht aan de meerdere vergaderingen toekomt. En indien men nog aarzelen mocht, of zulk een macht om tucht te oefenen over een Kerk, die afwijkt van Gods Woord, wel aan de meerdere vergaderingen toekomt. Dan mogen we ons tenslotte beroepen op Dr A. Kuyper, die in zijn Tractaat der Reformatie blz. 50 het onderscheid tusschen de Independenten en de gereformeer-den aldus teekent wat betreft het gezag der meerdere vergaderingen: „Zij (d.w.z. de Independenten) waren van meening, dat meerdere kerken wel conferentiën mochten houden, maar dat de deputaten van meerder Kerken nooit classicaal of synodaal ge-zag over de enkele kerken konden uitoefenen, ook niet zoolang ze in kerkverband waren aangesloten; waartegenover de gereformeerden het beginsel vasthielden, dat het gezag van Christus over heel zijn Kerk gaat en dus ook de tucht van meerdere Kerken noodzakelijk was om de enkele Kerken te houden in de paden des Woords.”

H.H.K.