Kuyper, A.

Van het Kerkelijk ambt (IX)

Genre: Bladartikel

 

Van het Kerkelijk ambt.

IX.

 

De kerk, en hiervan hebt ge u wel te doordringen, de kerk waarin en waarover Jezus, onze broeder, bij de gratie Gods het bewind en de heerschappij voert, is minstens tienmaal grooter dan dat deel er van, hetwelk op dit oogenblik op aarde bestaat.

Tot die kerk, waarover Jezus regeert behooren Adam en Noach, Abraham en Jacob, Mozes en Aaron en alle heiligen des Ouden Verbonds; en voorts alle heilige Apostelen, alle kerkvaders, alle martelaren, alle geloovigen en verlosten, die sinds Golgotha in den naam van Jezus juichten; boven en behalve die millioenen kleinen, die, uitverkoren, reeds voor ze tot kennisse kwamen wegstierven; en dan eindelijk nog alle kind van God dat thans op aarde, of reeds tot belijdenis gekomen, of nog in het zaad der kerk, leeft.

Het is nu reeds, in afwachting van de kinderkens die nog tot op Jezus’ wederkomst, als verkoren kinderkens, staan geboren te worden, eene schare die niemand tellen kan; als de glazen zee uit Openbaring IV.

Het zijn niet honderden en ook niet duizenden, maar millioenen van onderdanen, die hem door den Vader gegeven zijn, en waarover hij als aller Koning het hoog bewind voert.

Wat op aarde toeft is dus niet zijn rijk, maar van dat rijk slechts een enkel, klein gewest, en door niets raakt men zoozeer op het dwaalspoor als door in de kerk op aarde al de kerk te zien.

Dat maakt den blik eng. Dat benauwt het hart. Dat geeft een gevoel van gedruktheid, benepenheid en kleinheid. Die Christus zoo hoog en zoo groot, en zijn kerk dat kleine, nietige kuddeke.

o, Zoolang men in die verkeerde voorstelling bevangen ligt is het zoo natuurlijk, dat men de volkskerk niet los kan laten; want in die volkskerk is althans de massa. Dan is het zoo begrijpelijk, dat velen niet durven meegaan, als de grooten en rijken der aarde niet meegaan, want het hoopje, dat zich opmaakt, is zoo onaanzienlijk en gering. En dan is het even verstaanbaar, dat men boeleeren blijft met de wereldwetenschap en de wereldsche scholen. Immers de mate van kennisse en geleerdheid is bij de schare die onder de banier van het Kruis optrekt, vaak zoo schaarsch en zoo schamel.

Maar zet men die dwaling, deze valsche voorstelling, dat wanbegrip op zij, en voelt en ziet men, dat tien deelen van Jezus’ kerk buiten en boven deze aarde liggen, en dat hier op aarde slechts éen klein tiende deel er van leeft, dan wordt dit alles op eenmaal heel anders en voelt men zich verre boven de massa en de aanzienlijkheid en de geleerdheid der wereld, in getal en aanzien en wijsheid door wat reeds in den hemel bloeit, verheven.

Men spreekt zoo dikwijls van pelgrims; maar men leeft zoo zelden in den vollen rijkdom van dat woord in.

Wie het inziet en er in leeft, voor dien wordt op eenmaal de kerk tienmaal rijker en heerlijker, en die weet dat de kolonie van die kerk op aarde er het minste deel van is.

Over heel deze machtig groote kerk nu regeert onze broeder Jezus, bij de gratie Gods, op zeer onderscheidene wijze. Heel anders over de eigenlijke breede, rijke, groote gewesten van die kerk die reeds in den hemel zijn, en heel anders over dat kleine deel dat op aarde toeft. En wederom onder het deel dat op aarde toeft, weer zoo heel anders over de kleine kinderkens, die sterven aleer ze tot kennisse komen, en heel anders over de volwassenen, die tot belijdenis van zijn naam gebracht worden of reeds kwamen.

Nu is ons van de wijze waarop Jezus, onze broeder, die tevens Zoon van God en God zelf is, de eigenlijke kerk in den hemel regeert, slechts zeer weinig geopenbaard. Dat behoeven we ook niet te weten. Wie zalig in zijn Heere mag afsterven, zal het na zijn heengaan uit ons midden wel zien en ervaren. Slechts mag in het algemeen gezegd, dat de heerschappij van Jezus over zijn kerk in den hemel bijna geheel geestelijk en rechtstreeksch is.

Geheel anders daarentegen gaat het toe in dat deel der kerk dat op aarde is. Voor dit kleine deel zijner kerk toch heeft onze Koning, overeenkomstig onze gelegenheid en onzen stand op aarde, een geheel eigenaardige wijze van zijn bewind uit te oefenen ingericht.

De oorzaak hiervan ligt in de zonde.

Wierd een verkorene door de inplanting van het geloofsvermogen plotseling en in volstrekten zin van alle zonde afgescheiden, dan zou dit niet alzoo behoeven.

Maar tot die afsterving en afscheiding komt het bij Gods kinderen vóór den dood niet. Integendeel het blijft tot op hun dood een eindelooze worsteling. De heilige apostel Paulus heeft ze ons in Romeinen VII duidelijk geteekend; al Gods heiligen uit Oud en Nieuw Verbond vertoonen er ons de sporen van; al Gods gezaligden op aarde hieven er hun klage over op; en een ieder vond in zijn eigen hart op die weemoedige klacht een bang en beklemmend Amen.

Daarom voer Jezus ten hemel en ging van ons weg. Waren we reeds op aarde een kerk van heiligen, hij zou bij ons hebben kunnen blijven, en zijn heerschappij van uit de aarde ook over de kerk in den hemel hebben kunnen uitoefenen.

Maar nu moest hij weg. Er was onder ons, bevlekten en onreinen, voor hem geen troon. Zijn plaats was in den hemel, en van daaruit moet hij nu ook zijn kerk op aarde regeeren. En dit nu doet hij door zijn Geest en Zijn woord. Niet door zijn Geest alleen, en ook niet door zijn Woord alleen, maar door die beiden saâm.

Dit rust op de onderscheiding tusschen ons leven en ons bewustzijn.

Wij menschen zijn naar Gods bestel nu eenmaal zóó geschapen, dat onze bestemming niet is, om een verborgen, onbewust leven in ons om te dragen, maar dat het onze aard, onze roeping en onze verordineering is, om er van te weten, om het in ons bewustzijn te dragen en het uit te spreken in ons loflied en in onze belijdenis. En nu heeft het Gode beliefd tusschen dat innerlijk leven en dat bewustzijn een zoo wonderbaar verband te leggen, dat het leven op het bewustzijn werkt en omgekeerd dit bewustzijn op ons leven. De zonde trad het eerst in het bewustzijn, en tastte van daaruit Adams leven aan, en dienovereenkomstig komt de Heiland nu ook met zijn genade door het Woord eerst tot ons bewustzijn, om ons alzoo te vormen naar zijn beeld.

Ware dit niet zoo, dan zou de Heere Jezus niets te doen hebben dan rechtstreeks uit den hemel den bliksemslag van zijnen Heiligen Geest in de zielen der verkorenen te werpen. Ze zouden dan herboren en het doel der verlossing geheel bereikt zijn. Dat dit kan, toont ons dan ook het voorbeeld dier vroeg stervende wichtjes, die nooit iets van het Woord vernomen hebben.

Maar als ge niet in de wieg sterft, maar opgroeit en tot uw bewustzijn ontwaakt, kan dit niet. Dan moet, omdat de zonde door het bewustzijn ging, ook de genade uw bewustzijn aangrijpen, en hierin wortelt de oorsprong en de noodzakelijkheid van het Woord.

Wat nu dit Woord aangaat, zoo laat zich de mogelijkheid denken, dat de Christus aan een iegelijk onzer verschenen was, gelijk aan Paulus op den weg nabij Damascus of gelijk aan Johannes op Pathmos. Nu toont daarentegen het voorval bij Damascus zelf, dat dit niet ’s Heeren weg is. Immers Paulus ontvangt den last om tot Ananias te gaan, en ook hij ontvangt het Woord van menschen.

Er besta hier dus geen misverstand.

Ongetwijfeld is de Heere Jezus machtig en in staat, om ook zonder Bijbel of door menschen bediend Woord, zelf onmiddellijk tot ons bewustzijn te spreken. Adam genoot dit voorrecht, en na hem de patriarchen en profeten. Het kan dus.

Maar even beslist blijkt, dat dit niet de weg is, dien de Heere verkoor. Veeleer zijn al de openbaringen aan de patriarchen en profeten niet voor hen persoonlijk, maar voor heel de kerk gegeven, opdat al deze openbaringen saam als een gemeene schat aan alle geloovigen saam zouden toebehooren.

Hem heeft het dus beliefd, zijn Woord niet tot een ieder verkorene afzonderlijk, maar naar den aard der gemeenschap tot alle verlosten saam te brengen.

Hij spreekt wel, edoch niet tot de enkelen afzonderlijk maar tot allen saâm, en dat spreken tot allen saam is zijn Woord. Hier ligt de noodzakelijkheid en de uitnemendheid der Heilige Schriftuur.

Daarom ontstond en is er een Bijbel, en is de kerk zonder Heilige Schriftuur thans op aarde niet meer denkbaar.

Gelijk nu een vader die voor langen tijd reizen gaat, schriftelijk zijn wil kan achterlaten, hoe hij wil, dat het tijdens zijn afwezigheid in zijn huis toe zal gaan, en hij dan feitelijk door dat geschreven woord, hoewel ongezien, toch zijn huis regeert, zoo ook deed Jezus het met zijn kerk.

Hij liet zijn beschreven wil achter, en door dat Woord regeert hij feitelijk, hoewel ongezien, zijn kerk op aarde.

In dat Woord staat hoe het toe moet gaan; in dat Woord wat gedaan en gelaten moet worden; in dat Woord bezitten we zijn koninklijken wil.

Maar dan spreekt het ook vanzelf, dat een iegelijk in Jezus’ kerk, die met dien wil niet rekent, dien opzij zet, en nu zelf orde op de zaken gaat stellen, alsof Jezus zijn kerk onbeheerd had achtergelaten, hem beschouwt als een Koning die zijn rijk verliet, en in wiens afwezigheid men zich nu vermeet, als Rijksbestierder in zijn plaats op te treden.

Op zichzelf heeft dus niemand recht, om te zeggen: Ik wil in Jezus’ kerk van geen paus of bisschoppelijke of synodale hiërarchie weten.

Niemand heeft hier iets in te brengen. Jezus is vrij.

Had het hem dus beliefd in zijn achtergelaten wil een paus aan te stellen, diep eerbiedig zouden we ons voor zijn gezag hebben te buigen.

Had hij goedgevonden bisschoppen en een concilie in te stellen, ons zou niets resten, dan hun woord onderdanig te zijn.

En ook had hij over ons een synodale hiërarchie in den zin van de organisatie van 1816 willen aanstellen, het zou vermetele zonde zijn, zoo ge u niet aan haar onderwierpt.

Maar ook, nu hiervan in zijn achtergelaten wil niets staat, maar in zijn Woord een geheel andere orde van zaken door hem is gewild en ingezet, nu is al zulk een vorm van kerkregeering een feitelijk op zij zetten van zijn wil en dus een feitelijk onttronen van onzen Koning.

Alles wat naar het Woord is, moet.

Wat niet op dat Woord steunt, is opstand tegen den Koning.