119
5865,155-159
19-03-1988

|155|

Kerkgenootschappen en zelfstandige onderdelen

Een inventarisatie van de rechtspraak en literatuur over de periode 1983-1987

1. Inleiding

In 1983 besprak ik in een bijdrage voor de serie WPNR artikelen over de Invoeringswet 17 725 (aanpassingen Boeken 1 en 2 BW aan de Boeken 3-6 Nieuw BW) de voorgestelde wijzigingen voor de kerkgenootschappen en hun rechtspersoonlijkheidbezittende zelfstandige onderdelen1.

Gelet op het feit dat de voorgestelde wijzigingen voor de kerkgenootschappen zowel naar aard als omvang beperkt waren, had die bijdrage mede tot doel een inventarisatie te geven van rechtsvragen inzake kerkgenootschappen, voorzover voor het privaatrecht van belang, voor wat betreft de periode 1976-1983.

In de afgelopen jaren hebben zich een aantal ontwikkelingen voorgedaan op liet bovenomschreven erf — zowel in rechtspraak als in de literatuur — die m.i. voor de rechtspraktijk het signaleren waard zijn. In een tweetal publikaties, die kort na elkaar in dit tijdschrift zullen verschijnen, worden de hoofdzaken uit die ontwikkeling gesignaleerd.

In dit artikel geschiedt dat aan de hand van de begrippen ‘kerkgenootschap’ en ‘zelfstandig onderdeel’.

In de jaren 1985-1987 ontstond relatief veel aandacht — tot in de dagbladpers toe — voor de begrenzing van het begrip kerkgenootschap, zoals dat wordt gehanteerd in art. 2 Boek 2 BW. Dat werd in hoofdzaak veroorzaakt door de procedures rond de zgn. Kloosterorde der Zusters van Sint Walburga, beter bekend als de kerk van Satan: sexclub of kerkgenootschap? (HR 31 oktober 1986, NJ 1987, 173). Ook de gelijke behandeling van christelijke kerkgenootschappen en niet-christelijke religies kwam in bovenomschreven periode in het vizier. Ik ga daar op in naar aanleiding van HR 30 mei 1986, NJ 1986, 702 (ontslagen Iman) en HR 30 maart 1984, NJ 1985, 350 (ontslagen Turkse werknemer). Minder aandacht, maar vanuit vermogensrechtelijk oogpunt veel boeiender waren de scherpe debatten binnen de joodse Israëlietische kerkgemeenschap over de vraag wat de rechtspositie is van de plaatselijke joodse gemeente ten opzichte van het Nederlands Israëlitisch Kerkgenootschap (voortaan afgekort als NIK). In de slotbeschouwing wordt geattendeerd op de slotfase van de parlementaire behandeling in de Tweede Kamer2 van het zesde gedeelte der Invoeringswet nieuw BW.

 

1.2. Het begrip ‘kerkgenootschap’ en ‘zelfstandig onderdeel’

1.2.1. HR 31 oktober 1986, NJ 1987, 173. De ‘Kloosterorde’ van Sint Walburga

Als uitgangspunt voor het begrip ‘kerkgenootschap’ functioneert nog steeds de formulering gehanteerd in HR 23 juli 1946, NJ 1947, 13, waarin het begrip kerkgenootschap werd omschreven als ‘een verband of organisatie die de gemeenschappelijke godsverering van de leden, op den grondslag van gemeenschappelijke godsdienstige opvattingen ten doel stelt’. De ‘definitie’ is nadien op een aantal punten bijgeschaafd. Zo is het van elementaire betekenis dat de groep mensen een kerkgenootschap wil zijn, voorts dat het een zelfstandig kerkgenootschap wil zijn.

Men vindt thans beide elementen terug in de zesde druk van Asser-Van der Grinten:

‘Wij zouden een kerkgenootschap willen omschrijven als een organisatie van aangeslotenen, welke zich de gemeenschappelijke godsverering van de aangeslotenen op de grondslag van gemeenschappelijke godsdienstig opvattingen ten doel stelt en welke als zelfstandig kerkgenootschap — en niet als onderdeel van een kerkgenootschap — wil gelden4.’

Ook al wordt het begrip kerkgenootschap zeer ruim geïnterpreteerd; elementair onderdeel blijft de gemeenschappelijke Godsverering dan wel religieuze beleving. In de Nota naar aanleiding van het Eindverslag, 17725, nr. 13, wordt nogmaals door de Minister herhaald dat de zgn. andere genootschappen op geestelijke grondslag daar niet onder vallen.

Met een beroep op historisch gegroeide verhouding tussen Kerk en Staat wordt de uitzonderingspositie slechts voor de kerkgenootschappen gerechtvaardigd geacht.

Ging het debat in de rechtsliteratuur in de periode 1976-1983 vooral over de invulling van het begrip kerkgenootschap — met o.a. vragen als valt een zgn. basisgemeente, die wortelt in verschillende plaatselijke gemeenten onder het begrip kerkgenootschap? Valt de Antwoord-Kerk te Hoogvliet daaronder? In de afgelopen jaren lag het accent van de gevoerde discussies meer op de (buiten)grens van het begrip kerkgenootschap en in breder verband de grenzen van het begrip godsdienstvrijheid. Illustratief is in dat opzicht het proefschrift van T.A.M. Witteveen, Overheid en nieuwe religieuze bewegingen5, waarin tal van niet-christelijke religies de revue passeren en hun rechtspositie met betrekking tot het Nederlandse recht wordt besproken.

Wat de rechtspraak betreft dient hier HR 31 oktober 1986, NJ 1987, 173 te worden besproken. De casus kan kortweg als volgt worden, geschetst: Politieambtenaren voeren regelmatig controlewerkzaamheden uit bij de sex-exploitanten op de walletjes van Amsterdam. Die ‘routinematige’ controle wordt ook uitgevoerd bij de Kloosterorde der Zusters van Sint Walburga, Sectie Nederland, maar dat stuit bij de ‘exploitant’ op verzet. Deze stelt zich op het standpunt dat de sexuele rituelen die de betrokken zusters van de Kloosterorde uitvoeren ten overstaan van betalende bezoekers een onderdeel vormen van religieuze activiteiten, die door hem worden aangeduid als het Satanisme en dat mitsdien


1. WPNR 5660 (1983).
2. Tweede Kamer 1987-1988, UCV 18 november 1987, 14-1/26 en Handelingen Tweede Kamer 17 december 1987, 36-2010.
3. Het arrest neemt in de rechtsliteratuur met betrekking tot het begrip kerkgenootschap een centrale plaats in. Ik wijs er echter op, dat de Hoge Raad geen definitie geeft in abstracto, maar dat de omschrijving een gestructureerde organisatie veronderstelt.
Zie daarvoor ook J.M.M. Maeijer, Rechtspersonen, godsdienst en levensovertuiging, Amsterdam 1986, Mededelingen der Koninklijke Nederlandse Akademie van wetenschappen afd. Letterkunde, nieuwe reeks deel 49, nr. 2, p. 15, voetnoot 53.
4. Asser-Van der Grinten, Vertegenwoordiging en Rechtspersoon, De Rechtspersoon, zesde druk, Zwolle 1986, nr. 205.
In de MvA, 17725, nr. 7, p. 11 onderschreef de Minister de twijfel die bij een aantal kamerleden was gerezen of het element ‘gemeenschappelijke godsverering’ wel typerend is voor alle kerkgenootschappen en of het niet moet worden verruimd in de richting van een gemeenschappelijke religieuze beleving of religieuze bezinning.
Die verruiming gaat echter weer niet zo ver dat levensbeschouwelijke genootschappen die niet op een gemeenschappelijke godsverering c.q. religieuze beleving stoelen, onder het begrip kerkgenootschap kunnen worden gebracht, zie daarover Eindverslag Tweede Kamer 1987-1988, 17 725, nr. 12, p 5/6 en Nota naar aanleiding van het Eindverslag Tweede Kamer 1987-1988, 17 725, nr. 13, p. 7.
5. Tweede Kamer, 1983-1984, 16 635, nr. 4 Het eindrapport van de vaste commissie voor Volksgezondheid verscheen tevens als proefschrift, zie 16 635, nr. 4, p. V.

|156|

politieambtenaren tijdens de ceremoniën op grond van art. 123 Sv. geen bevoegdheid toekomt om de percelen binnen te treden.

De Kloosterorde wenst daaromtrent zekerheid te verkrijgen en spant daarop tegen de Staat een Kort Geding met als inzet dat de Staat zich onthouden moet van het geven van opdrachten aan politieambtenaren tot regelmatige routinematige controles binnen de muren van het Klooster. In de procedure voor de President in Kort Geding beroept de Kloosterorde zich op art. 2 Boek 2 BW en acht zich een zelfstandig onderdeel van de mondiale Kerk van Satan.

De President achtte de eiseres niet-ontvankelijk:

‘De geschiedenis van de totstandkoming van het wetsartikel en de literatuur daaromtrent leren dat van een zelfstandig onderdeel, dat evenals het kerkgenootschap rechtspersoonlijkheid bezit, slechts kan worden gesproken wanneer de activiteiten van dat onderdeel uitsluitend of nagenoeg uitsluitend een religieus en/of charitatief karakter hebben.’

De dagelijkse sex-shows waarbij alcohol werd geschonken tegen betaling van een 'donatie' van ƒ 30,— per half uur of ƒ 52,50 per heel uur, een en ander met bijbetaling van ƒ 1,— per minuut bij langer verblijf, konden de toets der kritiek niet doorstaan: een doodgewoon sex-bedrijf, aldus de gedachtengang van de President. De commerciële activiteit neemt een te grote plaats in, zodat niet kan worden gesproken van ‘activiteiten met een uitsluitend, althans nagenoeg uitsluitend religieus karakter.’

Het Hof meent dat de President een te beperkt criterium heeft aangelegd met betrekking tot de omvang van het begrip zelfstandig onderdeel.

Ik citeer de belangrijkste overweging:

‘Het is van algemene bekendheid dat tal van rooms-katholieke kloosterorden op commerciële wijze het boerenbedrijf en andere economische activiteiten uitoefenen, terwijl dit in de protestantse wereld ook voorkomt. Van kerkelijke zijde heeft men voorts vanouds scholen, bejaardentehuizen, ziekenhuizen en andere sociale en culturele activiteiten ondernomen, waarvoor soms de privaatrechtelijke vorm van een stichting of vereniging gebruikt wordt, doch ook die van zelfstandig onderdeel, zonder dat de rechtsgeldigheid van een optreden in de laatste vorm ooit aangevochten is.’

Vervolgens onderzoekt het Hof of de ‘Satans-kerk’ onder art. 2 Boek 2 valt; en in dat kader volgt een tweede zeer belangrijke overweging waarin de vraag of het begrip kerkgenootschap beperkt moet worden tot de christelijke en de joodse religies ontkennend wordt beantwoord:

‘In de rechtsliteratuur wordt wel aangenomen dat de wetgever hier alleen aan de christelijke en joodse kerkgenootschappen gedacht heeft, zodat alleen deze een beroep op voormeld artikel kunnen doen. Vast staat blijkens de overgelegde producties dat de Kerk van Satan ondanks het gebruik van kennelijk aan de rooms katholieke kerk ontleende woorden als kerkprovincie, zusters, moeder-overste en abdis niet tot de christelijke of joodse godsdienst behoort. Het hof is voorshands van oordeel dat gezien de huidige multiculturele samenleving van ons land en de in artikel 6 van de grondwet en diverse internationale verdragen verankerde gelijkheid van alle godsdiensten tegenover de Staat ook aan de aanhangers van andere dan de christelijke en joodse godsdienst het recht toekomt zich op voormeld artikel te beroepen. Hieraan dient dan echter wel de eis gesteld te worden dat het om godsdienst gaat en dat de aanhangers een gestructureerde organisatie hebben. Beide zijn voorshands onvoldoende komen vast te staan.’

Het Hof komt tot oordeel door hantering van twee criteria, nl. lettend op de activiteiten èn op de betrokken personen:
a. de activiteiten onderscheiden zich niet van die van een gewone sex-club;
b. noch bij de betalende bezoekers noch bij de betrokken zusters is van enige religieuze ervaring iets te merken.

Het cassatiemiddel spitst zich toe op art. 123 onder 2° Sv. (het verbod tot het betreden van een lokaal gedurende de godsdienstoefening buiten het geval van ontdekking op heterdaad).

Is hier sprake van godsdienstuitoefening? Bij toetsing van hem wellicht op het eerste gezicht vreemde rituelen dient de rechter bij zijn oordeelsvorming uiterst terughoudend te zijn, aldus het cassatiemiddel. Ten onrechte ging het Hof daarbij af op het leken-oordeel van politie-ambtenaren, aldus nog steeds de gedachtengang van het cassatiemiddel.

 

De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep. Het Hof heeft geen blijk gegeven van een te beperkte uitleg van het begrip godsdienst en het daarmee verband houdend begrip ‘godsdienstuitoefening’. De criteria die het Hof ontwikkelde worden nog eens door de Hoge Raad kort en krachtig herhaald.

De ruime uitleg die het Hof aan het begrip zelfstandig onderdeel geeft, lijkt ook de op zuiver commerciële wijze uitgeoefende activiteiten binnen dat begrip te brengen. Ik heb daar toch wel wat moeite mee. Reeds in WPNR 5486 (1977) heb ik op dat punt gemaand tot voorzichtigheid. Ik wordt in die mening bevestigd als ik in een der processtukken voor de procedure van het Hof de stelling verdedigd vindt dat indien de Orde der Trappisten onder de vlag van art. 2 Boek 2 op commerciële leest geschoeid Trappistenbier mag brouwen en doen verkopen, dat dan ook de op commerciële leest geschoeide sexuele rituelen onder die vlag de haven van art. 2 Boek 2 mogen binnen varen. In die zin acht ik het standpunt van het Hof te ruim. Uitsluitend commerciële activiteiten horen op het gebied van art. 2 Boek 2 niet thuis! Het kan leiden tot sluipwegen in de richting van art. 2 Boek 2 en dat verzwakt m.i. de gerechtvaardigde uitzonderingspositie die kerkgenootschappen thans innemen.

Het standpunt van de President van de Rb, laat m.i. echter te weinig ruimte voor kerkelijke instellingen die op grond van principiële motieven — ik denk daarbij aan instellingen van bejaardenzorg die op grond van de geldende kerkorde door diakenen worden bestuurd — bezwaren hebben tegen de privaatrechtelijke rechtspersonen als de vereniging en de stichting. Zo’n instelling verricht weliswaar economische activiteiten, maar geen ‘uitsluitend commerciële activiteiten’. En dat is nu precies waar m.i. het omslagpunt ligt. Wel meen ik dat bij degene die economische activiteiten verricht in grensgevallen de bewijslast rust aannemelijk te maken, waarom er een principiële noodzaak bestond om de activiteiten in de vorm van de door art. 2 erkende rechtspersonen te doen geschieden. Ik kom daarmee enigermate terug op mijn enger standpunt geformuleerd in WPNR 5486 (1979). Dat herziene standpunt wordt mede ingegeven door de nieuwe Wet op de Bejaardenoorden 1985, die uitdrukkelijk ruimte laat om een bejaardenoord te exploiteren als rechtspersoonlijkheid bezittend zelfstandig onderdeel van een kerkgenootschap6. Er zijn hier te lande zeer veel bejaardentehuizen die vanuit een aantal gezamenlijke kerken dan wel door diaconieën van kerken worden gedreven. Terecht sluit de wetgever hier aan bij de rechtswerkelijkheid. Ook uit het recente arrest HR 30 oktober 1987, RvdW 1987, 199 (erven Locht c.s. — Stichting St. Laurensziekenhuis Breda) vloeit voort dat aan het kerkgenootschap als zodanig een grote mate van vrijheid toekomt om een onderdeel als zelfstandig onderdeel te kwalificeren.


6. Wet op de Bejaardenoorden, S 1984, 656, Nota naar aanleiding van het Eindverslag, Tweede Kamer, zitting 1983-1984, 18 170, nr. 14, p. 24, Handelingen II, 1983-1984, 18 170, nr. 38, p, 6002/3, antwoord van Minister Brinkman op vragen van Van der Vlies (SGP).

|157|

1.2.2. Gelijke behandeling van christelijke kerkgenootschappen en oosterse religies.

Wat opvalt is voorts de uitvoerige motivering door het Hof Amsterdam inzake de ‘Satanskerk’ ten aanzien van de vraag of niet-christelijke religies ook als kerkgenootschappen in de zin van art. 2 Boek 2 moeten worden gekwalificeerd. De rechtsliteratuur had reeds in meerderheid voor dat standpunt gekozen7.

In de rechtspraak was dat, voorzover ik kon nagaan, nog niet eerder aan de orde geweest ten aanzien van art. 2 Boek 2 BW. Wel had de Hoge Raad kort tevoren naar aanleiding van art. 2 lid 1 sub c BBA eenzelfde standpunt ingenomen. Inzet van die procedure was of een ‘Iman’ valt onder de omschrijving: ‘een persoon die een geestelijk ambt bekleedt’ (art. 2 lid 1 sub c BBA).

De Islamitische Vereniging ontsloeg haar leider, die zij had aangesteld met als functie-omschrijving ‘het leiden van collectieve gebeden en het verzorgen van godsdienstlessen ten behoeve van Marokkaanse kinderen’. De ‘Iman’ beriep zich op het BBA en vorderde doorbetaling van loon.

Art. 2 lid 1 sub c BBA schept een uitzondering voor een persoon die een geestelijk ambt bekleedt ten aanzien van toepassing van het BBA. Wie zijn onder die categorie begrepen? Te denken valt aan predikanten, priesters en rabbijnen. En houdt het daarmee op?

In het cassatiemiddel werd erop gewezen dat de uitzondering beperkt moet worden opgevat en slechts betrekking heeft op geestelijken wier functie is bediening van ‘woord of sacrament’.

Zowel Ktr. Rb. en HR achten dat standpunt te eng. In navolging van A-G Franx acht de Hoge Raad de ratio van de bepaling de in de grondwet verankerde vrijheid van godsdienst; overheidsbemoeiing moet in dit soort kwesties worden vermeden.

Voor door van overheidswege gesanctioneerde ontslagbescherming is derhalve geen plaats. Ik citeer de Hoge Raad:

‘De Rb. is er voorts van uitgegaan dat deze uitzonderingsbepaling ook geldt voor een geestelijk leider van een islamitische religieuze gemeenschap. Dit uitgangspunt is eveneens juist; de hiertegen gerichte klacht van onderdeel 2 van het middel, dat betoogt dat de uitzondering van art. 2 lid 1 sub c moet worden beperkt tot predikanten, rooms-katholieke geestelijken en rabbijnen, althans tot de in het onderdeel bedoelde “personen wier functie is de bediening van het woord of sacrament”, vindt geen steun in het recht en dient te worden verworpen: zulk een beperking zou leiden tot een onaanvaardbaar onderscheid tussen de verschillende in Nederland beleden godsdiensten.’ (HR 30 mei 1086, NJ 1986, 702).’

Dat die ‘gelijkheid’ niet ongenuanceerd kan worden toegepast, bleek uit HR 30 maart 1984, NJ 1985, 350.

Inzet was de geldigheid van ontslag op staande voet gegeven aan een Turkse werkneemster die had ‘gesnipperd’ op een islamitische feestdag (het Suikerfeest), ondanks de waarschuwing van de werkgever dat het opnemen van de snipperdag tot ontslag zou leiden.

De Rb. was van oordeel dat het ontslag ten onrechte was verleend en wees de door de werkneemster ingestelde vordering tot doorbetaling van het loon toe. Ik citeer:

‘dat Mohammedaanse werknemers op hun heilige feestdagen in beginsel aanspraak hebben op een vrije dag — de eerbied, die in een verdraagzame maatschappij met godsdienstvrijheid, aan ieders godsdienstige opvattingen moet worden betuigd brengt zulks mee —, en dat van dat beginsel slechts onder bijzondere omstandigheden mag worden afgeweken — omstandigheden overeenkomstig de omstandigheden, waaronder op de erkende christelijke feestdagen ook wel eens gewerkt moet worden —.’

De werkgever had zulke omstandigheden niet aangevoerd, mitsdien was de vordering voor toewijzing gereed.

De Hoge Raad achtte de redenering van de Rb. onjuist en vernietigde het arrest van de Rb.:

‘Wel is het juist, dat ons recht niet toestaat onderscheid te maken tussen verschillende godsdiensten in die zin dat de wens van een werknemer om voor de viering van een godsdienstige feestdag een snipperdag op te nemen verschillend wordt gewaardeerd naar gelang van zijn godsdienst, maar dat brengt niet mee dat een snipperdag voor het vieren van een godsdienstige feestdag alleen zou mogen geweigerd op grond van omstandigheden, die een werkgever het recht zouden geven van zijn werknemer arbeid te verlangen op een algemeen erkende christelijke feestdag.’

De christelijke feestdagen zijn tot algemeen aanvaarde vrije dagen geworden, en dat impliceert dat die dagen niet op één lijn kunnen worden gesteld met godsdienstige feestdagen van andere religies, bij voorbeeld om het Turkse Suikerfeest te vieren. Of de werknemer een vrije dag zal opnemen voor een godsdienste feestdag zal mede afhankelijk zijn van het feit of door zijn afwezigheid de bedrijfsmatige gang van zaken ernstig wordt geschaad, aldus de gedachtengang van de Hoge Raad.

 

1.3. Rechtsverhouding NIK — joodse plaatselijke gemeente

De organisatie van de joodse gemeenten hier te lande begon eerst vaste vorm te krijgen in 1814. Bij KB van 12 juni 18148 werden nadere regels gegeven voor de oprichting van een Israëlietisch Kerkgenootschap voor Portugese en Hoogduitse joden. De voorlopige commissie die daarbij werd samengesteld, werd in 1817 bij KB omgevormd tot ‘Hoofdcommissie tot de Zaken der Israëlieten9.’ Na 1848 toen de overheid gaand terugtrad, kwam het accent meer te liggen bij de vrije vorming van joodse gemeenten. Dat leidde uiteindelijk in 1870 tot de oprichting van twee organisaties: Het Nederlands Israëlitisch Kerkgenootschap en het Portugees Israëlitisch Kerkgenootschap. Ik beperk me thans tot het NIK.

Het eerste NIK-reglement uit 1871 ziet het NIK als een vereniging van joodse gemeenten10.

Art. 1 NIK-reglement luidde als volgt:

‘Het Nederlands Israëlitisch Kerkgenootschap omvat al de Nederlands Israëlitische gemeenten...’

Tot aan de wijziging van het Reglement in 1917 had het NIK geen rechtstreekse band met de individuele leden van de plaatselijke joodse gemeenten.

In de periode 1915-1917 werden binnen het NIK belangrijke structurele wijzigingen voorbereid.

Art. 1 werd gewijzigd in die zin dat voortaan het NIK bestaat

‘uit de Nederlandsche Israëlieten, die lid zijn van een kerkelijke gemeente, behoorende tot het kerkgenootschap.’

In de tweede plaats werd de autonomie van de plaatselijke gemeenten voor wat betreft het beheer en bestuur beperkt. Aan de Centrale Commissie — het vanuit de joodse gemeenten verkozen bestuurscollege, dat de algemene belangen van het NIK behartigt — werden op dit punt bevoegdheden verstrekt om in


7. Asser-Van der Grinten, a.w., nr, 205, Maeijer, a.w., p. 14/15.
T.A.M. Witteveen, a.w., p. 46 e.v. en p. 249 e.v. In eenzelfde zin Nota naar aanleiding van het eindverslag, Tweede Kamer 1987-1988, 17 725, nr. 13, p. 7.
8. Verordeningen van het Israëlitisch Kerkgenootschap binnen het Koninkrijk der Nederlanden, eerste deel 1822, ’s-Gravenhage verordening nr. 2.
9. Verordeningen van het Israëlitisch Kerkgenootschap binnen het Koninkrijk der Nederlanden, 1822, ’s-Gravenhage, verordening nr. 15.
10. Ik citeer uit de uitgave Verordeningen voor het Nederlandsen Israëlitisch Kerkgenootschap, uitgegeven op last der centrale commissie tot de algemene zaken van het Nederlandsch-Israëlitisch kerkgenootschap, samengesteld door D.M Sluys, Amsterdam 1909.

|158|

te grijpen in de autonomie der gemeenten (...). Gemeenten die te klein werden geacht om zelfstandig voort te bestaan, mochten niet zelf een bestemming geven aan de kerkelijke goederen of die goederen onder elkaar verdelen, maar de Centrale Commissie (vooraan afgekort als CC) besliste in het vervolg wat er met die goederen gebeuren zou! (art. 7 NIK-Reglement 1917).

In 1984 vroeg H. Loonstein door middel van enkele publikaties aandacht voor de precieze rechtsverhouding tussen de plaatselijke joodse gemeenten en het NIK11. In het bijzonder de betekenis van de reglementswijziging uit 1917. Hij stelde daarbij dat een plaatselijke bij het NIK aangesloten joodse gemeente, die de reglementswijziging niet heeft erkend, daaraan niet gebonden zou zijn. Voorts achtte hij de reglementswijziging zoals in 1917 tot stand gebracht, waarbij de individuele leden der gemeente rechtstreeks leden werden van het NIK, slechts verbindend voor de individuele leden indien de betrokken gemeenteleden zelf daarmee instemden. Hij beriep zich daarbij op HR 29 december 1911, W 9272 (Boele van Hensbroek — Nederduits Hervormde Gemeente ’s-Gravenhage).

Hier rijzen een aantal belangrijke rechtsvragen. Wat is de status van het NIK? Wat is de positie van de plaatselijke joodse gemeenten? Vooral van belang is de vraag wat het rechtsgevolg is van de ommezwaai, die het NIK in de periode 1915-1917 gemaakt heeft ten aanzien van de autonomie van de joodse gemeenten.

Stel, dat een joodse gemeente de banden met het NIK wil verbreken, neemt zij dan het kerkegoed met zich mee of blijft dat binnen het verband van het NIK? Ik wijs erop dat eenzelfde strijd gewoed heeft op het erf der gereformeerde kerkgenootschappen — een conflict dat reeds begon in 1838, nadien zich herhaalde in 1886 en 1944. Zowel ‘1886’ als ‘1944’ leidden tot zeer veel rechtspraak. Ik wil tegen die achtergrond over de rechtspositie van het NIK-joodse gemeenten een enkele kanttekening maken.

Hoofdbeginsel is dat de rechter zo veel mogelijk aansluit bij het standpunt van het kerkgenootschap zelf ten aanzien van de gekozen rechtsvorm. Het NIK heeft zich steeds als een kerkgenootschap — in de zin der wet — beschouwd. Dat lijkt me een belangrijk gegeven. Echter hier blijft uiteraard ruimte voor de (marginale) toetsing door de rechter. Het feit dat in 1870 het NIK een ‘verbond’ van gemeenten omvatte, betekent niet dat de organisatie zelf geen kerkgenootschap kan zijn. In die zin ook Asser-Van der Grinten12. Heeft de algemene belangenbehartiging die door de CC vanuit het NIK geschiedt, wel voldoende rechtstreeks verband met de eredienst?

Ik wijs er op dat Van der Grinten in zijn definitie van het begrip Kerkgenootschap niet de eredienst, maar de gemeenschappelijke godsverering centraal stelt. Binnen de christelijke kerkgenootschappen staat daarbij de eredienst centraal. In het jodendom daarentegen zijn het naleven van allerlei geboden en verboden, het verspreiden van kennis daaromtrent en het toezicht houden op de naleving ervan niet minder essentieel. De CC speelt daarbij een centrale rol. Ik acht daarmee het standpunt van het NIK zelf voldoende houdbaar.

Voorts een enkel woord over de rechtspositie van het NIK ten opzichte van de joodse gemeenten.

Het NIK was vanaf het moment van haar ontstaan niet bedoeld als een afzonderlijke grootheid naast de plaatselijke joodse gemeenten. De eenheid tussen NIK en de joodse gemeenten kwam o.a. tot uitdrukking door het feit dat vanuit de ressorten (dat zijn lokale verbanden van plaatselijke gemeenten) de leden van de CC en de Permanente Commissie (voortaan afgekort als PC) werden verkozen.

Geconstateerd kan worden dat kerkelijke zaken die de ‘kerken in het gemeen’13 raakten, door de joodse gemeenten aan de CC en PC werden opgedragen. De structuurwijziging uit 1917 werd geheel conform de regels die het Reglement 1871 daarvoor gaf, voorbereid en uitgevoerd. Uiteindelijk werd het hernieuwde art. 1 door de CC aangenomen. Gelet op de structuur van het NIK — de CC-leden en hun plaatsvervangers worden verkozen vanuit de plaatselijke gemeenten en de regionale ressorten — namen zij besluiten die bindend waren voor hun plaatselijke gemeenten c.q. regionale ressorten. Als de plaatselijke gemeenten hun autonomie niet hadden willen prijs geven, dan had men op grond van het Reglement 1871 op het moment van de structuurwijziging het recht gehad met behoud van de beschikking over kerkelijke eigendommen, hetzij banden met het NIK te verbreken, hetzij binnen het NIK een afzonderlijke status voor zich op te eisen14.

Ook de tweede stelling door H. Loonstein geponeerd — dat er een afzonderlijke wilsuiting van de individuele leden nodig is om tot het NIK toe te treden — houd ik voor onjuist. Uiteraard kan niemand tegen zijn wil een lidmaatschap worden opgedrongen. Het zijn echter de joodse gemeenten zelf die — via ressorten — de CC-leden in de loop der jaren verkozen; mitsdien zijn de plaatselijke gemeenteleden zelf bij de besluitvorming op landelijk niveau en de daarmee verbandhoudende reglementswijzigingen betrokken. Hantering van de HR 29 december 1911, W 9272 (lidmaatschap van een kerkgenootschap tegen de wil van de betrokkene) is hier ten enenmale misplaatst.

Zijn de plaatselijke joodse gemeenten zelf kerkgenootschappen of rechtspersoonlijkheid bezittende zelfstandige onderdelen van het NIK? Het praktisch belang van die vraag wordt m.i. veelal overschat. Ten onrechte wordt verdedigd dat indien de plaatselijke joodse gemeente als ‘kerkgenootschap’ wordt gekwalificeerd daarmee tevens vast zou staan dat ingeval van kerkafsplitsing de plaatselijke gemeente de kerkelijke goederen meeneemt. Dat die stelling niet houdbaar is kwam zeer scherp naar voren in de rechtspraak met betrekking tot de kerkscheuring binnen de gereformeerde kerken na 1944. Niet betwist werd in dat conflict over de vraag of de plaatselijke kerken als zelfstandige kerkgenootschappen in de zin van wet moesten worden gekwalificeerd. Getwist werd over de aard van het kerkverband, i.h.b. of daaruit volgde dat een plaatselijke kerk na uittreding de kerkelijke goederen verloor!

De in 1917 aan het NIK-reglement toegevoegde zinsnede

‘De leden zijn ingedeeld in de gemeenten die volgens de Verordening der Centrale Commissie in Nederland bestaan of volgens deze Commissie worden gevormd’

geeft op dat punt geen duidelijkheid. Tijdens de beraadslagingen in de periode


11. H. Loonstein, De kille(’s) en het NIK in 350 jaar Joodse Gemeenten, uitgave van de NIHS Amsterdam, p. 35 e.v.
Artikelen van H. Loonstein in NIW 22 juli 1984 en 29 juni 1984.
12. Asser-Van der Grinten, a.w., nr. 212.
13. D.w.z. zaken, die de kerken gezamenlijk raken; de term is ontleend aan het gereformeerde kerkrecht.
14. Indien men toch die binding c.q. toerekening wil ontkennen, acht ik hier toepassing van de zgn. ‘rebus ipsis et factis formule’ van toepassing (HR 2 jan. 1846, W 674).
Zie over dat leerstuk uitvoerig F.T. Oldenhuis, Rechtsvinding van de burgerlijke rechter in kerkelijke conflicten, Groningen 1977, p. 41 e.v.
Anders dan ten tijde van het geschil inzake de kerkelijke goederen van de Nederlandsche Hervormde Kerk — waar de rebus-ipsis-et-factis-formule een centrale rol vervulde — omstreeks 1886, acht ik hier een beroep op bovengenoemde regel wèl aanvaardbaar, aangezien de Joodse gemeenten vanaf 1917 zelf steeds uitvoering hebben gegeven aan het Herziene Reglement, o.a. door verkiezing van bestuursleden van het NIK, etc.

|159|

1915-1917 is van de zijde van de CC en PC steeds gesteld dat de gemeenten afdelingen zijn van het NIK. Rechtens vertaald betekent dat dat de gemeenten rechtspersoonlijkheid bezittende zelfstandige onderdelen zijn van het NIK.

Volgt men de hoofdlijn der gevoerde discussie uit 1915-1917 dan ligt het voor de hand er van uit te gaan dat de joodse gemeenten rechtspersoonlijkheid bezittende zelfstandige onderdelen zijn. In die zin ook het modelreglement voor de plaatselijke gemeente, opgesteld door het NIK.

Vermeld dient te worden dat een aantal joodse bij het NIK aangesloten gemeenten zichzelf als een kerkgenootschap beschouwen. Uniformering op dat punt lijkt gewenst. Ik voeg daar aan toe dat ook indien men zich op het standpunt stelt dat de plaatselijke joodse gemeenten als kerkgenootschappen moeten worden gekwalificeerd de regel dat op grond van het thans geldende reglement de zelfstandigheid in vermogensrechtelijke zin beperkt moet worden opgevat, onverkort blijft gelden.

 

1.4. Slot

Op 17 december werd in de Tweede Kamer het zesde gedeelte van de Invoeringswet aangenomen. Kort daarvoor werd in het bijzonder met betrekking tot art. 2 Boek 2 BW in de Vaste commissie voor Justitie uitvoerig tussen regering en de commissie van gedachten gewisseld over elementaire begrippen rond kerk en staat.

Tijdens die diskussie bleek nog eens weer dat aan definiëring van het begrip kerkgenootschap geen behoefte bestaat. Een der kamerleden wees daarbij op HR 31 oktober 1986, NJ 1987, 173 (Satanskerk) en las daarin een bevestiging voor zijn stelling dat de rechter het begrip kerkgenootschap niet laat gebruiken als dekmantel voor niet-kerkelijke (lees: onoirbare) activiteiten15. Ook de gelijke behandeling van christelijke kerkgenootschappen en niet christelijke religies werd in die discussie nogmaals geaccentueerd. Minister Korthals Altes merkte in dat verband tijdens bovengenoemde discussie m.i. terecht op:

‘Wij moeten er, anders dan de heer Van den Berg (S.G.P., fto) zegt, inderdaad van uitgaan dat het begrip (bedoeld is hier het begrip kerkgenootschap, fto) niet gebonden is aan de christelijke kerk als zodanig, maar dat juist ook bepaalde onderdelen van de Islam en bijvoorbeeld Boeddhistische groeperingen hieronder vallen, voorzover ze in Nederland georganiseerd zijn16.’

Die gelijke behandeling gaat niet zo ver dat andere genootschappen op geestelijke grondslag, te denken valt daarbij aan o.a. het Humanistisch Verbond, op één lijn met kerkgenootschappen moet worden gesteld. Ik heb die gelijkstelling met andere genootschappen op geestelijke grondslag elders reeds bestreden. Ook de Minister verwierp na een uitvoerig betoog daaromtrent tijdens het debat in de Vaste commissie die gelijkstelling.

Tijdens de stemmingen in de Tweede Kamer over het zesde gedeelte van de Invoeringswet werd het amendement van het kamerlid Swildens-Rozendaal17, dat die gelijkstelling in art. 2 Boek 2 BW beoogde te bereiken, verworpen.

De conflicten tussen de joodse gemeente en het NIK raken de meer algemene vraag die veelvuldig in conflictsituaties bij kerkgenootschappen aan de orde is: wie bij kerkscheuring c.q. verzelfstandiging eigendomspretenties op de kerkelijke goederen kan doen gelden. Wat betreft de kerkgenootschappen op het protestantse erf is in dat opzicht veel literatuur en ook rechtspraak voorhanden. Die is er tot nog toe nauwelijks met betrekking tot joodse gemeenten. Indien de ontwikkeling — voorzover juridisch van belang — daartoe aanleiding mocht geven, kom ik daarop in dit tijdschrift zeker terug.

 

Tenslotte, wie mocht menen dat na de afronding in de Tweede Kamer met betrekking tot art. 2 Boek 2 BW welhaast alle problemen zouden zijn opgelost, vergist zich zeer.

Op de valreep ontspon zich tijdens de discussies in de vaste commissie voor Justitie een debat over de juridische positie van de Raad van Kerken. Reeds in de MvT kwam die zaak ter tafel. Daarin werd de Raad van Kerken noch als een kerkgenootschap noch als een zelfstandig onderdeel gekwalificeerd, maar als een ‘normale’ civielrechtelijk rechtspersoon, waarop de bepalingen van titel 2.1 van toepassing zijn18.

Na de kritiek op dat standpunt o.a. in de rechtsliteratuur werd in de MvA gesteld, dat de Raad van Kerken als een kerkgenootschap diende te worden gekwalificeerd. Tijdens het debat in de vaste commissie voor Justitie stelde de Minister zich daarentegen opnieuw op het standpunt dat de Raad van Kerken niet onder art. 2 Boek 2 diende te vallen19.

Tegen de achtergrond van de argumentatie die de Minister inde MvA gaf dient zijn betoog tijdens het debat in de vaste commissie als onvoldoende onderbouwd van de hand te worden gewezen. Ook de bespreking van de vraag waarom dan niet de Raad van Kerken onder de ‘derde categorie’ van art. 2 BW zou vallen, nl. ‘lichamen waarin zij zijn verenigd’ werd tijdens genoemd debat door de Minister niet steekhoudend beantwoord20.

Over de reikwijdte van art. 2 Boek 2 BW is, ook na de afronding van het zesde gedeelte van de Invoeringswet Nieuw BW in de Tweede Kamer, het laatste woord nog niet gesproken!


15. Verslag Vaste Commissie voor Justitie, 18 november 1987, UCV 14-4.
16. Verslag Vaste Commissie voor Justitie, 18 november 1987, UCV 14-24.
17. Handelingen Tweede Kamer 1987-1988, 36-2010.
18. Tweede Kamer 1982-1983, 17 725, nr. 3, MvT, p.53.
19. Tweede Kamer 1984-1985, 17 725, nr. 7, MvA, p. 11.
20. Opmerkelijk is dat tijdens het debat in de vaste commissie voor Justitie de Minister een zeer beperkte uitleg gaf aan ‘lichamen, waarin zij (d.w.z kerkgenootschappen) zijn verenigd’. De Minister merkte in dat verband op: ‘De “lichamen, waarin zij zijn verenigd” zijn het spiegelbeeld van de onderdelen, zoals de gemeenten tegenover de broederschap, de hervormde gemeenten tegenover de hervormde kerk’, UCV 18 november 1987, 14-25.
Die formulering lijkt mij te eng en sluit m.i. ook niet aan bij de opmerkingen daaromtrent in de MvA, die een ruimere toepassing suggereerde, MvA, p. 11. Die zgn. derde categorie in art. 2 Boek 2 BW besprak ik reeds uitvoerig in WPNR 5660.