84
8,128-131
22-11-2008

|128|

Overwegingen bij enkele bijbelse uitspraken over de relatie man-vrouw in kerk en samenleving 2

 

In het vorige artikel werd duidelijk dat de wereld waarin het Nieuwe Testament staat, een mannenwereld was. Dat geldt trouwens ook voor andere culturen en kan gezien worden als een gevolg van de zondeval. Ook werd ingegaan op de betekenis van Paulus’ aanduiding ‘schande’ in 1 Kor. 11. In dit artikel wordt het beeld op die twee punten scherper gesteld.

 

7. Wanneer baden en profeteerden vrouwen dan?

Hardop
Als nu in 1 Kor. 14: 34-35 zou staan dat vrouwen in de samenkomsten van de gemeente te Korinte moesten zwijgen (vs. 34), en dus ook niet (hardop) mochten bidden of profeteren, wanneer/waar mochten zij dan wél bidden en profeteren, zij het dan met bedekt hoofd? We lezen in Hand 9 van ene Ananias die bij iemand thuis kwam om een boodschap van de Heer van de kerk over te brengen. Ananias ging op bevel van Christus naar de Rechte Straat nummer zoveel waar Judas woonde en daar vroeg hij naar Paulus die in dat huis verbleef. Hij ging het huis binnen en legde Paulus de handen op en bracht de boodschap van de Heer Jezus over. Deze Ananias wordt in Hand. 9 (en in Hand. 22: 12, waar Paulus over deze ontmoeting met Ananias vertelt) geen profeet genoemd, maar ‘een leerling’. Hij fungeerde wél als overbrenger van een boodschap van de Heer van de kerk aan Paulus, en in die zin verrichtte hij een profetische dienst.
In Hand 13: 1 lezen we dat er in de gemeente van Antiochië profeten en leraren waren. Er worden vervolgens vijf mannen genoemd, onder wie Paulus en Barnabas.
In Hand. 15 wordt verteld dat na de Grote Vergadering Silas en Judas vanuit Jeruzalem naar Antiochië worden meegestuurd met Paulus en Barnabas. Van deze Judas en Barnabas wordt verderop, in vs. 32, gezegd dat zij beiden profeten waren.
We lezen in Hand. 11: 27v dat in Antiochië een aantal profeten uit Jeruzalem arriveerde, van wie één, Agabus geheten, door de Geest een zware hongersnood voorzegde, waarbij Lukas aantekent dat die voorzegging ook is uitgekomen.
We lezen in Hand. 21 dat Paulus en zijn metgezellen onderdak vonden bij een Filippus, ‘een verkondiger van het evangelie en een van de zeven wijze mannen’. Deze Filippus had vier ongetrouwde dochters, ‘die de gave van de profetie bezaten’, Hand. 21: 9 (of anders vertaald: ‘Filippus had vier profeterende ongetrouwde dochters’).
Ze profeteerden regelmatig.
In het huis van deze Filippus kwam een profeet uit Judea, die Agabus heette (Hand. 21: 11). Die voorzegde dat Paulus door de Joden in Jeruzalem zou worden vastgebonden, die hem aan de heidenen zouden uitleveren. Het ging een weinig anders (zie Hand. 23: 6-10).

 

Profeten
Wat deden die profeten eigenlijk? De beide keren dat Agabus ter sprake komt, zal het wel over dezelfde persoon gaan. Hij voorspelde beide keren een toekomstige gebeurtenis.Wat de vier dochters van Filippus deden, is niet bekend (dat ondanks wat De Boer allemaal over haar meent te weten, p. 70-75). Ja, profeteren. Maar wat was dat precies? Hun vader wordt evangelist genoemd (in de NBV vertaald met: ‘verkondiger van het evangelie’). Blijkbaar is wat een evangelist doet, iets anders dan profeteren, want Filippus wordt niet ‘profeet’, of ‘een profeterende man’ genoemd. In Caesarea was, zo vermoed ik, een christelijke gemeente. Filippus zelf had in die stad vertoefd (Hand. 8: 40), Cornelius woonde daar en werd er, op bevel van Petrus, samen met anderen (Hand. 10: 44-48) gedoopt. Traden de dochters van Filippus misschien op tijdens de bijeenkomsten van de gemeente aldaar? Of profeteerden ze alleen binnenshuis? In het huis van vader Filippus, zoals Agabus deed volgens Hand. 21: 11? Of bij andere particulieren thuis? Voorspelden ze dan iets zoals Agabus iets voorspelde? Of lichtten ze gemeenteleden thuis nader in over (het leven volgens) het evangelie?

|129|

Onderwijzend? Of werkten ze samen met vader Filippus? In Hand. 13: 1 staan profeten en leraren in één adem genoemd. Onder hen staat Paulus vermeld. Was Paulus nu een profeet of een leraar? Of beide?
Terecht zegt Dr. R. Dean Anderson bij zijn verklaring van 1 Kor. 11: 2-16, dat bidden en profeteren ‘beslist niet tot erediensten beperkt waren’ (R. Dean Anderson, 1 Korintiërs, Kok Kampen, 2008, p. 148; vergelijk p. 215). Dat blijkt onder meer uit de genoemde gegevens uit Handelingen.

 

Eenmansbediening?
Dit alles breng ik ter sprake bij 1 Kor. 11: 5 waar het gaat over een vrouw die bidt of profeteert, een verschijnsel dat Paulus op zichzelf niet afkeurt. Stond in Joël 3 niet reeds dat zonen en dochters zouden profeteren? (zie ook Hand. 2: 17). En in 1 Kor. 14: 34 schrijft hij: vrouwen moeten gedurende uw samenkomsten zwijgen. Er mogen van Paulus wel degelijk profeten in de samenkomsten spreken. De samenkomsten waren geen ‘eenmansbedieningen’. Er traden dus mensen op die door de Geest werden aangezet om te spreken, zonder een officiële functie in de gemeente te hebben. En sommigen gingen zelfs spreken in een taal die de Korinthische gemeenteleden niet eens konden verstaan. Paulus stelt paal en perk aan dit wat chaotische gebeuren (niet meer dan 2 à 3 profeten per samenkomst en ook niet meer dan 2 à 3 mensen per samenkomst die in een vreemde taal iets zeggen; en het moet ook nog vertaald kunnen worden). Maar het gaat allemaal over mannen. Paulus wil orde scheppen, want God is niet een God van wanorde met de negatieve gevolgen er van: wanorde leidt tot onvrede (zie 1 Kor. 14: 33 en 40).
In dat verband zegt Paulus dat de vrouwen gedurende de samenkomsten moeten zwijgen. Ze mogen aanwezig zijn in de kerkelijke ekklesia (de ‘volksvergadering’), anders dan bij de politieke ekklesia. Maar mogen ze er helemaal niet spreken?
Zie hierover verder in paragraaf 10.

 

8. Nader over de positie van vrouwen in het Jodendom in de tijd van Paulus

Uit de Anchor Bible Dictionary (volume 6, s.v. ‘women’; p. 956 w) geef ik het volgende door: het Joodse geloof was overweldigend androcentrisch (letterlijk ‘manmiddelpuntig’) en patriarchaal. De Palestijnse Joodse cultuur was één van de meest patriarchale in het Middellandse Zee gebied. Huis en gezin waren fundamenteel de enige gebieden waar vrouwen een belangrijke rol konden spelen in het vroege Jodendom. Vrouwen mochten niet meegeteld worden als het ging om het aantal mensen dat aanwezig moest zijn voor een officiële synagogale bijeenkomst. Er zijn geen voorbeelden van vrouwen die de Thora voorlazen in de synagogale bijeenkomsten in Jezus’ tijd. Verschillende leraren in het vroege Jodendom keurden het af dat vrouwen (meisjes) meer religieuze opvoeding zouden ontvangen dan de meest basale. Nergens blijkt dat vrouwen volgelingen, discipelen, konden zijn van een grote leraar, laat staan met zo iemand zouden meereizen. Jezus’ relaties met vrouwen moeten radicaal hebben geleken. Toch verwierp Hij niet zonder meer de patriarchale tendens (‘Jesus can be described as a reformer of patriarchal society, but not as one who outright rejected patriarchal orientation’). Nadat alle gunstige uitzonderingen die er ook in Israël waren, zijn vermeld in dit standaardwerk, luidt de slotzin: “De overheersende indruk is: een zeer patriarchale samenleving waarin de rol en functie van vrouwen waren beperkt tot thuis en waarin hun recht om te erven, hun keus in het aangaan van relaties, hun mogelijkheid om een religieuze opvoeding na te streven en volledig deel te nemen aan het synagogale gebeuren en hun vrijheid van beweging ernstig waren beperkt.” (p. 958).

 

9. Nogmaals schande

Goede naam
Vrouwen mochten wel deelnemen aan de synagogale bijeenkomsten, maar alles duidt er op dat ze daar moesten zwijgen. En dat begreep en billijkte men algemeen in de Grieks-Romeinse wereld. Dat vond men gepast. Als vrouwen wel zouden spreken in de synagogale bijeenkomsten, zou men dat onfatsoenlijk hebben gevonden. In heel de toenmaals bekende wereld. In de mannenwereld van na de zondeval. Zie wat Paulus zegt in 1 Kor. 14: 35: ‘...want het is een schande voor een vrouw als ze tijdens een ekklesia spreekt’. Precies, dat vonden alle Joden ook, en van de heidenen mochten ze niet eens aanwezig zijn in een ekklesia. Niemand hoeft te denken dat Paulus dingen zal toestaan in de christelijke gemeenten, die het evangelie, die Christus, die de gemeenten een slechte naam bezorgen.
Maar hoe denkt de Heer van de kerk, Christus Jezus dan over het spreken van vrouwen in de ekklesia? Hij heeft door zijn Geest Paulus deze dingen laten opschrijven en verordineren. En men had zich daaraan te houden (zie vs. 36-38). Maar niet om een andere reden dan er staat: vermijd schande te brengen over de gemeente, het evangelie, de Christus. Er staat niet dat het de wil van God en van Christus is dat vrouwen te allen tijde, tot aan de jongste dag, zullen zwijgen in de ekklesia. Ze moesten toen en daar, in de tijd en in het werkgebied van Paulus zwijgen omwille van de goede naam van het evangelie.
Ze moeten ondergeschikt blijven, zegt Paulus in 1 Kor. 14: 34. Zo was toen de samenleving geordend. Ander gedrag zou leiden tot schande en schade. Paulus zegt er bij: zoals ook in de wet staat (vs. 34). Letterlijker: zoals ook de wet zegt. Welke wet? Betekent ‘wet’ bij Paulus altijd

|130|

de decaloog? Nee. Betekent ‘wet’ bij Paulus dan altijd het hele onderwijs van het OT? Ook niet altijd. Zie bijv. Rom. 7: 1vv. Paulus spreekt de gemeenteleden te Rome aan en zegt dan: ‘ik spreek immers tot mensen die de wet kennen’. Rome was de plaats waar de wetgeving voor heel dat immense Romeinse rijk plaats vond. Daar zinspeelt Paulus naar mijn mening op: zeker in Rome zullen ze weten wat ‘wet’ is. Dan volgt een zin die werkelijk niet alleen op de Joodse wetgeving slaat, maar op elke wetgeving. Hij zegt dat de wet alleen gezag heeft over een mens zolang hij leeft. Dat is evident en geldt voor elk wet. De wet die beveelt belasting te betalen, de keizer te eren, naar Jeruzalem te gaan op pelgrimsreis, niet te stelen en de wet die huwelijkspartners aan elkaar verbindt en ga maar door. Een dode heeft daar geen boodschap meer aan en de wetten hebben geen boodschap aan een dode. De NBV: ‘in de wet staaf, is mij te sterk, omdat het de indruk wekt van een geschreven wet. De wet zegt... dat kan hier betrekking hebben op de ‘wet’ waarheen Paulus ook verwees met de uitdrukking: de natuur leert... De natuurwet die zegt dat de vrouw ondergeschikt moet blijven... ieder in die tijd en in die streken kende die ongeschreven wet. Ik denk dat Paulus op die natuurwet doelt.

 

Denigrerend
Of heeft hij toch de Thora op het oog? En wat dan in de Thora? Er staat in de Thora nergens dat de vrouw ondergeschikt moet zijn aan mannen, maar de hele Thora gaat wel uit van een ondergeschikte positie van een vrouw. Boven zijn enkele voorbeelden vermeld. Let wel: de Thora leert nergens dat een vrouw minderwaardig is ten opzichte van een man. De Thora leert nergens dat een vrouw als vrouw minder verstand heeft, minder wilskrachtig is, minder goed kan besturen, weker is dan een man. Ik heb iets dergelijks ook zelf nooit gemerkt. Ik ken vrouwen die beter kunnen nadenken, beter kunnen besturen en leiding kunnen geven dan menig man. Voor denigrerende opmerkingen over vrouwen moet je, om een voorbeeld te noemen, bij de rabbi’s rond het begin van onze jaartelling zijn. Volgens sommige rabbi’s hebben vrouwen geen ziel, en moeten ze vooral de Thora niet onderwezen krijgen, want dat vermeerdert hun giftigheid. Trouwens, Griekse schrijvers uit de oudheid konden er ook wat van: uitermate denigrerende opmerkingen over vrouwen en haar aanleg zijn overal te vinden. Dergelijke dingen kun je trouwens vandaag nog wel horen, bij Moslims (en bij Moslima’s: ‘mannen hebben nu eenmaal meer verstand’, zeggen Moslima’s ronduit), maar ook bij Nederlandse mannen en zelfs onder christenen. Dat leert de Bijbel nergens. En ook de psychologie of andere menswetenschappen leren dat niet. Al die uitspraken als: vrouwen zijn instabiel (‘varium en mutabile semper femina’, hetgeen betekent: de vrouw is altijd een onbestendig en veranderlijk iets), nieuwsgierig en praatziek, kunnen geen geheimen bewaren, zijn kijfziek en jaloers, ijdel en pronkzuchtig... Ik noem het na een lang leven van waarnemen midden in het leven onzin. Volgens mijn ervaring zijn de deugden en ondeugden bijzonder evenwichtig over het vrouwelijk en mannelijk geslacht verdeeld.

 

Patriarchaal
De Bijbel leert ook niet dat de vrouw in de maatschappij en in de gemeente een ondergeschikte positie moet innemen ten opzichte van mannen. God heeft volgens Genesis 3, na de zondeval, voorzegd dat er een voortdurende strijd zal zijn tussen man en vrouw, en dat de man zou winnen: heerschappij uitoefenen over de vrouw. Gevolg daarvan was onder meer de patriarchale samenleving, waarin de vrouw een lagere maatschappelijke positie had en hield dan de man. Met het verzet van de vrouwen daartegen. Conflictmodel in plaats van harmoniemodel. Neem eens dit voorbeeld: tot vandaag toe moet voor het houden van een wettige synagogale bijeenkomst een aantal van tien mensen aanwezig zijn. Daarbij tellen vrouwen niet mee, zoals boven al gezegd. Het voor een instantie afgelegde getuigenis van een vrouw telt minder zwaar dan het getuigenis van een man. In sommige gevallen zijn twee mannen voldoende voor het formeel sluiten van een contract, maar als er geen mannen beschikbaar zijn, kan elke man door twee vrouwen vervangen worden! Eén tegen twee! Vrouwen zijn de hele geschiedenis door onderdrukt, vernederd, uitgebuit, mishandeld, tegen hun zin uitgehuwelijkt, tot prostitutie gedwongen, enz, enz. Niet overal even erg, maar tot vandaag toe gaat het zo.
Lezen we de Thora, dan merken we, zoals reeds gezegd, dat ook in Israël de vrouwen een ‘lagere’ maatschappelijke positie hadden dan mannen. Dan merken we echter ook dat Jahweh die ordening niet beveelt, maar veeleer van die door mannen ingevoerde ordening uitgaat en daar weldadig op ingrijpt: Hij verzacht en verbetert de positie van de vrouwen van zijn volk. Denk maar eens aan de bepalingen die de weduwen in het volk van Jahweh beschermen en in de bescherming van de mannen aanbevelen. Denk eens aan: eer uw vader én uw moeder! En denk eens aan Spreuken 31!
In zo’n patriarchale samenleving werd Jezus Messias geboren en leefde hij. En Hij heeft het voor vrouwen opgenomen. Onder de vele voorbeelden daarvan noem ik slechts: Hij vond het niet ongepast om in het openbaar met een vrouw te praten en haar onderwijs te geven (denk aan de Samaritaanse vrouw). Hij heeft, als de opgestane Heer en Meester, het eerst gebruik gemaakt van het getuigenis van vrouwen. Die moesten aan de mannen, de apostelen, het getuigenis brengen van zijn opstanding. Zoals uit de Anchor Bible Dictionary boven werd weergegeven: Jezus was wat betreft de relatie man-vrouw een hervormer!

 

10. Conclusie ten aanzien van 1 Kor. 11: 2-16

Ik concludeer uit de forse en duidelijke taal van Paulus in 1 Kor. 14: 34-35 dat het bidden en profeteren van vrouwen waarover Paulus spreekt in 1 Kor. 11: 2-16 en dat hij niet afkeurt als het maar met gedekt hoofd gebeurt, niet een bidden of profeteren in de ekklesia kan zijn. Daarop wijzen overigens ook wel lichtelijk de woorden in 1 Kor. 11: 17. Daar is een overgang op te merken in deze woorden: ‘Nu ik u toch aanwijzingen geef: ik kan U niet prijzen om uw samenkomsten’. Paulus gebruikt in dat vers niet het Griekse woord voor ‘samenkomst(en)’, zoals de NBV doet vermoeden. In vs. 18 staat letterlijker weergegeven: wanneer jullie samenkomen in de ekklesia; terwijl de NBV dat woord ekklesia daar vertaald heeft met ‘gemeente’. Naar mijn indruk is de overgang in het Grieks iets minder duidelijk dan in de NBV is weergegeven. Maar er is een overgang! 1 Kor. 11:17 is een indicator: Paulus gaat nu (pas) spreken over samenkomsten van de gemeente. In zijn boek Zij aan Zij (De Vuurbaak, 2006) heeft dr. E.A. de Boer geen aandacht besteed aan deze

|131|

indicator en zo schrijft hij zonder enige schroom: ‘... mannen en vrouwen nemen in de jonge kerk deel aan bidden en profeteren in de samenkomsten’ p.77. Hij herhaalt dat enkele keren (p. 80/81).
Twee argumenten dus: 1 Kor. 14: 34-35 klinkt buitengewoon algemeen en sterk. In 1 Kor. 11: 17 zegt Paulus met zoveel woorden dat hij vanaf dat vers gaat schrijven over (optreden in) de samenkomsten, hetgeen suggereert dat het in het voorgaande niet over (optreden in) de samenkomsten gaat.
Er is wel beweerd dat het in 1 Kor. 11 gaat over charismatisch optreden van vrouwen in de samenkomsten. Charismatisch optreden betekent in dit verband: optreden van vrouwen in de gemeentelijke samenkomsten niet op eigen initiatief, maar onweerstaanbaar gedreven door de Geest. Dat is niet tegen te houden en niet te verbieden. Dit in tegenstelling tot niet-charismatisch optreden van vrouwen binnen de samenkomsten van de gemeente, dat Paulus wel verbiedt, in 1 Kor. 14: 34.
Deze mening kan ik niet aanvaarden. Ik kom deze onderscheiding niet tegen in 1 Kor. De profeten die in 1 Kor. 14 veelvuldig ter sprake komen, of ze nu charismatisch optreden of niet, krijgen de opdracht te stoppen met spreken als een ander als profeet iets wil gaan zeggen (vs. 30). Er wordt van hen, volgens de NBV, gezegd: ‘Wie profeteert heeft macht over zijn geest’ (vs. 32). Of dit een juiste vertaling is, waag ik sterk te betwijfelen. Echter, ook als men vertaalt zoals de Vertaling van 1951 het heeft (en de Statenvertaling en vele andere vertalingen hebben het ook zo) nl: ‘En de geesten der profeten zijn aan de profeten onderworpen’. Uit vs. 30 valt de conclusie te trekken dat de aanwijzingen voor alle profeten gelden.
De profeten weten wat ze doen en zeggen en kunnen stoppen wanneer dat moet. Daarbij maakt Paulus geen onderscheid russen wel- en niet-charismatisch optredende profeten. Het zou ook wel vreemd zijn dat Paulus ordemaatregelen treft, terwijl de Geest dan die orde zou doorbreken met charismatische profeten. Dan wordt het immers toch wanorde!