84
7,113-115
15-11-2008

|113|

Overwegingen bij enkele bijbelse uitspraken over de relatie man-vrouw in kerk en samenleving 1

 

In dit en de volgende artikelen gaat het om een aantal bijbelpassages. Aan de orde komen de belangrijkste teksten waarin iets naar voren komt over de verhouding tussen man en vrouw. Deze teksten worden zo zorgvuldig mogelijk aan het woord gelaten en waar nodig ook in hun historische omgeving geplaatst.

 

1. Beperking

Voor de duidelijkheid van wat volgt: deze artikelen gaan slechts indirect over de relatie echtgenoot-echtgenote. Het accent komt te liggen op de maatschappelijke en kerkelijke positie van de zusters van de gemeenten.

 

2. De bijbelse passages waarover het in het bijzonder zal gaan

Paulus schrijft in 1 Kor. 11: 2-16 dat een vrouwelijk gemeentelid, als zij bidt of profeteert, dat niet blootshoofds moet doen (vs. 5).
Paulus zegt in 1 Kor. 14: 34 dat de vrouwelijke leden van de gemeente te Korinte tijdens de samenkomsten van de gemeente moeten zwijgen.
Paulus schrijft in 1 Tim. 2 dat hij niet toestaat dat een vrouw onderwijst of gezag heeft over een man.

 

3. Voorlopige opmerkingen bij deze passages

Wat 1 Kor. 11: 2-16 betreft: Paulus maakt niet duidelijk wáár vrouwelijke gemeenteleden mogen bidden of profeteren. Ook in de samenkomsten?
Op grond van 1 Kor. 14: 34 zou men kunnen concluderen: waar ook maar vrouwen volgens 1 Kor. 11 mogen bidden en profeteren, in elk geval niét in de samenkomsten. ‘Ze mogen niet spreken’ (gedurende de samenkomsten), staat in 1 Kor. 14: 34. Blijft dus de vraag: waar mogen ze dan wél bidden en profeteren?
In 1 Tim. 2 staat: een vrouw dient zich gehoorzaam en bescheiden te laten onderwijzen, en ze mag niet zelf onderwijzen en hij voegt daaraan toe: ‘of gezag over mannen hebben; ze moet bescheiden zijn’.

 

4. Mannenwereld

In de Odysseia van Homerus lezen we over Telemachus, de zoon van koning Odysseus. Odysseus is al twintig jaar afwezig. In zijn paleis woont zijn vrouw, de kuise Penelope met haar zoon Telemachus en slaven en slavinnen en de zgn. vrijers die dingen naar de hand van de koningin. Telemachus was een zuigeling toen Odysseus vertrok. Hij was tussen de 20 en 25 jaar toen hij tegen zijn moeder zei: ‘ga nu naar uw kamer, houd u

|114|

bezig met weven en spinnen en laat het praten over aan de mannen, aan alle mannen, maar in het bijzonder aan mij, want ik ben de baas in huis (zie Od I, 356-359 en Od XXI, 351-353). De jongeman spreekt over mijn paleis, mijn vermogen. Zo waren de zaken geregeld toen (14e eeuw voor Christus, en/of misschien de 8e eeuw voor Christus).
Slaan we vele eeuwen over dan constateren we dat in de tijd van Paulus vrouwen geen toegang hadden tot de volksvergadering. We lezen in Hand. 19 over een volksvergadering in de stad Efeze. Die vergadering heet daar in het Grieks ekklesia, het woord dat Paulus ook gebruikt om zowel een christelijke gemeente aan te duiden als een bijeenkomst van de gemeenteleden (zie bv. 1 Kor. 1: 2; 11: 18; 14: 33-35). Vrouwen hadden geen toegang tot de politieke ekklesia in Efeze waarover het in Hand. 19 gaat, maar christelijke vrouwen hadden wél toegang tot de ekklesia als bijeenkomst van de christenen in bijv. Korinte. Maar ze mochten daar niet het woord voeren, zo lijkt 1 Kor. 14: 34v te zeggen.

Van de Romeinse samenleving in de tijd van de republiek kennen we talloze namen van publieke functionarissen als senatoren, consuls, proconsuls, tribunen, aedielen en welke openbare functies er nog meer waren. Daarbij is, voor zover mij bekend, geen enkele vrouwelijke naam. De politiek was een strikt mannelijke zaak. In de politiek worden de beslissingen genomen die alle burgers raken. Die beslissingen werden door mannen genomen. Op andere gebieden komen we ook nauwelijks vrouwen tegen in de Romeinse en Grieks-Hellenistische wereld. Niet op het gebied van de wetenschap (men noemde toen alle wetenschap filosofie), niet op het gebied van het onderwijs, niet op militair gebied, niet op economisch gebied.
Zeker vindt men hier en daar een uitzondering. In Israël koningin Attalia, in Egypte koningin Cleopatra, beiden vrouwen die met een koning waren getrouwd geweest. We lezen van een Lydia, een purperverkoopster uit Tyatira, maar wat precies haar sociale en economische positie was, is onduidelijk.

 

Het Oude Testament
Het is geen overdrijving en geen ongerechtvaardigde veralgemenisering als we die vroege wereld typeren als een mannenwereld.
Dat geldt ook van Israël. We kennen maar een enkele naam van een vrouw met officiële status van leiderschap: Debora, Attalia (boven al genoemd). Misschien moet hier de profetes Hulda ook genoemd worden. Er komen prachtige passages over vrouwen voor in het OT, zoals Spr. 31, en denk ook aan Abigaïl. Maar ieder die het OT leest, wordt verplaatst in een mannenwereld. Een aantal opvallende instructies in de Thora maakt dit duidelijk: een echtgenoot kan geloften van zijn vrouw ongeldig verklaren (als hij het tenminste op tijd doet), maar een vrouw niet de geloften van haar man (Num. 30). Een vrouw is na de geboorte van een dochter tweemaal zo lang onrein als na de geboorte van een zoon (Lev. 12). Men kon aan Jahweh de waarde van zijn huis wijden: een priester moest dan de waarde van het huis bepalen en de eigenaar droeg de getaxeerde som af aan het heiligdom. Maar men kon ook de waarde van een zoon of dochter aan Jahweh wijden. Daarbij gold dat een dochter tweederde, of drievijfde of de helft van de waarde van een zoon vertegenwoordigde (zie Lev. 27).

 

Nederland
Als we nu eens eeuwen overslaan en naar Nederland kijken: pas in het begin van de 17e eeuw werd een vrouw toegelaten op een universiteit, en wel de universiteit van Utrecht. Ze mocht op voorspraak van Prof. dr. G. Voetius colleges volgen, achter een gordijn gezeten, zodat de mannelijke studenten haar niet konden zien. Het bleef zo geheim. Ze heette Anna Maria van Schurman (1607-1678). Een doorbraak kwam er pas met Aletta Jacobs, die een speciale permissie van de minister (Thorbecke) kreeg om universitair onderwijs te volgen, aanvankelijk permissie voor slechts één jaar. Ze werd arts en promoveerde later. Ze deed veel voor de rechten van de vrouw. Een ‘feministe’!
Wanneer kregen vrouwen op politiek terrein actief kiesrecht? Wanneer werden in Nederland vrouwen voor het eerst kamerlid, burgemeester, rechter, minister, partijleider, leraar, professor? Hebben wij bezwaar tegen deze ontwikkeling? Nee, mede getuige het feit dat er nu, in 2008, een vrouwelijke staatssecretaris is, die lid is van de CU en met vele voorkeurstemmen in de Tweede Kamer werd gekozen.

 

Zondeval
Een mannenwereld was het en is het nog in vele delen van de wereld. Hoe is dat toch gekomen? Eigenlijk overal ter wereld! Daar is volgens mij maar één antwoord op: zo hebben mannen het gewild. Ze hebben de vrouwen ‘er onder gehouden’. Dat was voorzegd in het paradijs, na de zondeval: ‘hij zal over je heersen’. Die heerschappij is niet door Jahweh geboden, maar Hij heeft het zien aankomen en het tegen de vrouw gezegd: hij zal over je heersen. In Gen. 1 en 2 lees ik niets over heerschappij van de man over de vrouw. Daar lees ik over eenheid en elkaar helpen. Nergens een gebod aan Adam om de meerdere te zijn, voorop te lopen, de beslissingen te nemen, de leiding te hebben.
Jahweh zei: het is niet goed dat de mens alleen is. Dat betekent niet slechts: hij/zij moet zich toch vooral niet eenzaam voelen. Maar het heeft vooral betekenis voor de procreatie (‘bevolk de aarde’), en evenzeer voor het lange proces waarin de aarde onder het gezag van de mens moet worden gebracht (‘en breng haar (de aarde nl. WW), onder je gezag’). Met het oog op die immense taak, die wij vroeger de cultuuropdracht noemden, is het niet goed dat de mens alleen is. Die cultuuropdracht is zo breed als de wereld. En het is niet goed dat een man of een vrouw (‘de mens’) op ook maar één gebied alleen is. Overal dient samenwerking van mannen en vrouwen te zijn. In harmonie.
Maar in plaats van samenwerking werd het na de zondeval competitie, strijd om de macht, het alleen voor het zeggen willen hebben. Niet alleen bij mannen, evengoed bij vrouwen. Er staat dat Jahweh tot de vrouw zei: ‘Naar je man (zal) je begeerte (zijn)’; de haakjes wijzen er op dat er geen vorm van het werkwoord ‘zijn’ bij staat, noch een vorm van enig ander werkwoord. Zo staat het in Gen. 3: 16. Dat woord ‘begeerte’ komt driemaal in de Hebreeuwse Bijbel voor. Ook in Gen. 4: 7, waar Jahweh tegen Kaïn, vlak voor diens moord op Abel zegt dat de zonde op de loer ligt, ‘en naar jou (is) zijn begeerte’. En ook nog in Hooglied 7: 11, daar zegt het meisje: ‘Ik ben van mijn lief, naar mij (is) zijn begeerte’. Niet één van de drie keren een werkwoordsvorm erbij. Tweemaal met de prepositie ‘el’; n.l. in de beide plaatsen in Genesis en eenmaal met de prepositie ‘al’. Beide voorzetsels werden

|115|

regelmatig door elkaar gebruikt. Het is mogelijk om zowel in Gen. 3: 16 als in Gen. 4: 7 een bijklank van ‘overheersing’ te beluisteren. Het woordenboek van Köhler-Baumgartner vermeldt de veel voorkomende verwisseling van beide preposities (s.v. ‘al’) en gebruikt het woord ‘overpowering’ (‘met macht de baas worden’, s.v. ‘el’). Dat ‘overpowering’ lijkt me duidelijk voor Gen. 4: 7. Naar Kaïn gaat de begeerte van de zonde uit. De zonde wordt voorgesteld als een vijandige macht die Kaïn in zijn greep wil hebben en hem tot moord wil brengen. Het optreden van Eva bij het eten van de verboden vrucht (Gen. 3: 6) wekt niet de indruk van eerst overleg voeren met Adam. Door de woorden van de slang bekeek Eva de boom met andere ogen dan eerst. Ze ging de vrucht begeren (vs. 6). Daarmee begon het kwaad. Het eerste gevolg was: zonder overleg gaat ze, vanuit die begeerte, van de vruchten eten. Ik zie hier het concrete begin van vervreemding tussen man en vrouw. Ze stelt haar man voor een voldongen feit. Dat hoort ze niet te doen (evenmin als de man dat behoort te doen). En nu zegt Gen. 3: 16 dat de vrouw zal blijven begeren de man te overheersen. Dat zal haar begeerte zijn. Maar het zal haar niet lukken. ‘Hij zal over jou heersen’, zegt Jahweh.
En zo ontstond de strijd tussen de seksen, en de man wint: een mannenwereld. Ontaarding. Met het verzet dat daardoor begrijpelijkerwijs wordt opgeroepen. Machtsstrijd tussen de seksen. Die strijd voorzag Jahweh. Hij beveelt die strijd niet; Hij beveelt de man niet om heerschappij over de vrouw te hebben, Hij beveelt de vrouw hier ook niets, geen onderworpenheid. Hij zegt: zo zal het vanaf nu, na jullie opstand tegen Mij, in de wereld toegaan.

 

5. De natuur leert (1 Kor. 11)

Fatsoenlijk
Waarom zegt Paulus in 1 Kor. 11 dat vrouwen die bidden en profeteren, dat niet met onbedekt hoofd moeten doen? Dat zegt hij er bij. Samengevat: dat leert de natuur zelf. Zie vs. 14. Als ze met onbedekt hoofd zou bidden of profeteren, dan maakt ze haar hoofd (ik laat in het midden of Paulus hier met ‘haar hoofd’ bedoelt: haar man die haar hoofd is (vs. 3), of haar hoofd op haar eigen lichaam), te schande. Trouwens, de natuur leert ook, volgens Paulus, dat lang haar een man te schande maakt (vs. 14).
Wat het woord ‘natuur’ betreft: de begrippen ‘wet’ en ‘natuur’ speelden in de vijfde eeuw v. Chr. en later een rol in de filosofie en afgeleide zaken. De grote schrijver Sophokles (vijfde eeuw v. Chr.) schreef de tragedie Antigone, over een vrouw die tegen het bevel, de wet van koning Kreon in, haar broer een eervolle begrafenis geeft. Ze wordt ter dood veroordeeld. Waarom trotseerde die vrouw het bevel van de koning? Ze deed dat in de naam van de natuur. De natuur gebiedt dat een zus haar broer eervol begraaft. Wet van de koning contra de leer van de natuur. Als je daarbij de natuur ook nog goddelijk acht, is wat de natuur leert ook van goddelijk karakter en dus hoger dan de wet van de koning.
Paulus zegt nu dat de natuur leert dat lang haar een man te schande maakt, terwijl het een vrouw tot eer strekt. En daarmee samenhangend dat een vrouw die met onbedekt hoofd bidt of profeteert haar hoofd te schande maakt. We weten dat Paulus niet van mening was dat de natuur goddelijk is. ‘De natuur leert’ is bij Paulus niet gelijk aan: ‘God leert’. Voor Paulus betekent ‘de natuur leert’ naar mijn oordeel niet veel meer dan: het spreekt vanzelf, of: het is niet meer dan fatsoenlijk dat...

 

Veranderen
Paulus wil dat de gemeenteleden zich fatsoenlijk gedragen. De naam van de gemeente is verbonden aan het evangelie en aan de naam van Christus en Jahweh; onfatsoenlijk gedrag van de gemeenteleden is tot nadeel van die goede naam. Zo schrijft Paulus aan de Filippenzen dat ze bedacht moeten zijn op wat eervol is, op wat deugdzaam is en lof verdient.
Natuurlijk kan datgene wat de samenleving fatsoenlijk en onfatsoenlijk acht in de loop van de tijd sterk veranderen. In onze tijd vindt men niet meer onfatsoenlijk als een vrouw geen lang haar draagt en met korte haren een toespraak houdt. En in vroegere eeuwen vond men ook reeds dat mannen niet beslist kort haar moesten dragen; wat droegen mannen vaak pruiken met lange haren. Ik heb een boekje met de titel Van der Groe, geschreven door ene G.H. Leurdijk. Van der Groe was een orthodox gereformeerde predikant (1705-1784) en op het kaft van het boekje staat hij afgebeeld met haren tot op zijn schouders (Uitgeverij De Groot-Goudriaan, Kampen 2006). Het werd geen schande geacht.

 

6. Schande

Paulus werkt in 1 Kor. 11 en in 1 Kor. 14 met het begrip ‘schande’, ‘schandelijk’ (‘aischros’). En met het werkwoord ‘te schande maken’ (‘kataischunein’ dat met ‘aischros’ samenhangt). En hij gebruikt de woorden gepast (‘propoon’) en oneer, schande (‘atimia’) en eer (‘doxa’). In de Septuaginta (de LXX, de Griekse vertaling van het Hebreeuwse Oude Testament) wordt het genoemde werkwoord veel gebruikt om aan te duiden dat Jahweh door oordeel te brengen over mensen, hen te schande maakt, tot een voorwerp van spot, zodat ze zich moeten schamen. Het nieuwtestamentisch gebruik van het werkwoord ligt in die lijn. Zie bijv. 1 Kor. 1: 27: God koos het dwaze van de wereld uit om de wijzen te beschamen, te schande te maken. M.a.w. God liet blijken dat die wijzen met al hun wijsheid slechts dwaasheid hadden uitgedacht. Hij zette hen te kijk.
Vrouwen met kort haar en mannen met lang haar zetten zichzelf te kijk, en maakten zichzelf of ook de echtgenoot (m/v) tot voorwerp van spot. ‘Die idiote christenen’! En daarmee schaadden ze dan meteen de naam van de gemeente, van de Heer van de gemeente en van het evangelie. Dat is wel het laatste wat Paulus zou wensen. Vandaar zijn aanwijzing. De achtergrond van die aanwijzing blijft belangrijk. Ook wij moeten er voor zorgen dat we de naam van het evangelie en van de kerk niet door onze gewoonten schade toebrengen, bv. door excentriek te worden in onze samenleving als gemeente.