|201|

§ 5. Internationaal privaatrecht. De erkenning van het vreemde vonnis.

 

Is de erkenning van den persoon van den vreemdeling het minimum van erkenning van het vreemde recht, de erkenning van het buitenlandsche vonnis staat aan het andere uiterste.

Tenuitvoerlegging van een vonnis, waarbij zoo noodig met de hulp van de Staatsmacht wordt ingegrepen, kan alleen geschieden, indien het vonnis van den Nederlandschen rechter afkomstig is. De omzetting van het recht in werkelijkheid, die in de executie geschiedt, moet van den Staat zelf en zijn organen uitgaan. In Nederland zijn alleen door den Nederlandschen rechter uitgesproken vonnissen uitvoerbaar (art. 431 Rv.).

Het artikel zelf opent de mogelijkheid van uitzonderingen, doch ook bij die uitzonderingen wordt het beginsel gehandhaafd, daar ook dan executie van het buitenlandsche vonnis alleen krachtens het bevel van den Nederlandschen rechter kan geschieden.

Zulk een uitzondering is de kostenveroordeeling door den buitenlandschen rechter, uitgesproken in geval krachtens het tractaat de cautio judicatum solvi is uitgesloten (art. 18 van het Recbtsvorderingstractaat, art. 27 van de Uitvoeringswet van dat tractaat). Van veel ingrijpender aard is de uitzondering door het tractaat van 1925 met België ingevoerd. Sindsdien hebben Belgische vonnissen in Nederland gezag. Het vinden van het concrete recht — waarop ten slotte ieder moet vertrouwen — is aan den Belgischen rechter mede opgedragen. Formeel is het het Nederlandsch gezag, waarop de executie steunt, doch in het wezen is het de beslissing van den Belgischen rechter, die bindt. Hoe ingrijpend dat is, volgt uit ons eerste hoofdstuk; aan de eind-beslissing van den rechter is ieder overgegeven, daarachter teruggaan niet mogelijk. De Nederlandsche rechter, die de executoir-verklaring moet verleenen, treedt niet in een zelfstandig onderzoek der zaak. Hij heeft alleen te beoordeelen of de uitspraak, die hem wordt voorgelegd, werkelijk een voor ten uitvoerlegging vatbare uitspraak tegen de betrokken personen is, of deze behoorlijk zijn vertegenwoordigd geweest of opgeroepen en of het vonnis door den naar het verdrag bevoegden rechter is gewezen (art. II van het tractaat). Dit alles betreft den formeelen kant

|202|

der zaak. Doch er is nog een punt waarop de Nederlandsche rechter heeft te letten. De beslissing mag niets inhouden, dat strijdig is met de openbare orde of met de beginselen van het publieke recht in ons land. Hier is de grens van de eerbieding van het vreemde vonnis. Het oordeel van den vreemden rechter bindt als het aanvullend- of belofte-recht betreft, zelfs als het over dwingend recht gaat, doch er zijn onder de regelen van dwingend recht zoo fundamenteele, dat de Nederlandsche Staat de handhaving daarvan alleen aan den Nederlandschen rechter mag toekennen. Aantasting van wat voor ons „openbare orde en de beginselen van publiek recht” zijn, kunnen wij niet toelaten. „Openbare orde” is een bijzonder vage term, we zullen dezen straks nog eens tegenkomen in het internationaal privaatrecht, hij dient om handhaving van fundamenteele beginselen mogelijk te maken, die door eerbiediging daar van het vreemde recht, hier van een vreemd vonnis, in gevaar zouden komen. Met belangstelling kunnen we af wachten wat de praktijk er in dezen van maakt; alleen de ervaring kan leeren, waar hier de grenzen liggen.

Andere dan Belgische vonnissen zijn niet uitvoerbaar in ons land. Hebben zij kracht van gewijsde? Dat wil dus zeggen: moet, al is het vonnis niet uitvoerbaar en al kan het dat eerst worden door fiatteering door onzen rechter, toch de inhoud van de uitspraak als bindend worden beschouwd? Men begrijpt, dat als die vraag bevestigend wordt beantwoord, het verschil met de mogelijkheid van executie niet groot is; het is hoofdzakelijk van formeelen aard. De partij, die in het buitenland een zaak won, zou haar hier opnieuw aanhangig moeten maken, doch zij zou zich op het vreemde vonnis mogen beroepen en de rechter zou overeenkomstig die uitspraak moeten beslissen. Uitzondering zou ook dan slechts voor strijd met de openbare orde gemaakt kunnen worden.

Het komt mij voor, dat voor zulk een bevestigend antwoord geen plaats is. Dit volgt m.i. uit het beginsel, dat de Nederlandsche rechter, tot beslissing geroepen, zelf het recht heeft te vinden en daarbij in het algemeen niet voor vreemd gezag heeft te buigen. Dit ligt ook in art. 431 Rv. met name in het tweede lid: „De gedingen kunnen opnieuw bij den Nederlandschen rechter worden behandeld en afgedaan” opgesloten. Zoo oordeelt ook de H.R. 1 Intusschen


1 20 Maart 1931, N.J. 1931, 890.

|203|

de vraag is bestreden 1 en het is hier niet de plaats het voor en tegen uitvoerig af te wegen.

Slechts dit moet ik er nog aan toevoegen. Al neemt men aan, dat in het algemeen aan een vreemd vonnis gezag van gewijsde in Nederland niet toekomt, toch kan uit den aard der gegeven uitspraak of uit de bijzondere verhouding van partijen het tegendeel volgen.

Van het eerste biedt het aangehaalde arrest van den H.R. een voorbeeld. Een in Zwitserland door een buiten echt geboren kind tegen zijn vader verkregen vonnis werd bindend geacht wat de uitspraak omtrent den staat van het kind en zijn betrekking tot den vader betreft, niet voor wat de veroordeeling van den laatste tot onderhoud aangaat. Het buitenlandsche vonnis had dus gezag, niet omdat het vonnis was, maar omdat het vonnis omtrent den staat was en zulk een beslissing op grond van het personeel-statuut 2 van den vreemdeling hier te lande wordt geëerbiedigd.

Op grond van de bijzondere betrekking van partijen heeft het buitenlandsche vonnis gezag, indien partijen krachtens hun overeenkomst daaraan gebonden zijn. Het is dan de regel, dat aan partijen haar overeenkomst tot wet strekt (art. 1374 B.W.), waarop dat gezag steunt. Een regel, die meebrengt, dat dan het gezag van het vonnis in de goede trouw zijn grenzen vindt en dus, indien handhaving daarvan met de goede trouw in strijd zou komen, niet kan worden ingeroepen. Zoo als de uitspraak te kwader trouw is verkregen of met beginselen van ons recht in strijd is (strijd met de objectieve goede trouw). Zulk een overeenkomst, althans een vrijwillige onderwerping aan het vreemde vonnis, die bindt, wordt veelal gezien in het zelf aanhangig maken van een zaak voor een vreemden rechter, ook in het vrijwillig verschijnen voor dezen. Zoo deed de H.R. in het bekende bontmantel-arrest 3. De bontverkooper, die de erven van zijn kooper voor den Engelschen rechter aansprak, werd aan de ontzegging van de vordering gebonden geacht, ook al steunde de ontzegging op gronden, die het Nederlandsche recht niet kent. Het is hier niet de plaats om deze uitspraak te analyseeren, ook niet om


1 Zie de aanteekening op het arrest in de N.J.
2 Zie boven blz. 200.
3 14 Nov. 1924, N.J. 1925, 91, W. 11301, inzake Kühne en Zonen tegen Platt.

|204|

de beteekenis van de onderwerping aan het vreemde oordeel en haar verdere uitwerking te onderzoeken 1, we moeten het hier bij vluchtige opmerkingen laten. We herinneren er nog slechts aan, dat ook hier, al neemt men gebondenheid aan, deze eindigt, indien de uitspraak met fundamenteele beginselen van Nederlandsch recht in strijd komt. Er is een rest van dwingend recht, waarvan altijd handhaving door den Nederlandschen rechter kan worden gevraagd. Dat is de grens van iedere erkenning van vreemd recht.


1 Ik verwijs naar Meyers in W.P.N.R. 2878 vlg. en de Handelingen van de Ned. Juristenvereeniging van 1929, Praeadviezen van Hijmans en A.E.J. Nysingh.