§25. Eischen van het verkeer. Aard der zaak. Sociologische en teleologische interpretatie.

 

[449] De feiten bepalen mede het recht; ook het maatschappelijk gebeuren is een factor bij de rechtsvinding. Dit geldt nog op ander gebied dan dat van het gewoonterecht, een gebied, dat zelden met dat laatste in verband wordt gebracht en er toch vlak bij ligt.
Men zegt wel, dat het een of ander recht is omdat het verkeer het eischt. Meermalen gebruikt door auteurs, is deze rechtsgrond in den laatsten tijd ook in de rechtspraak doorgedrongen, ja, wordt hij ook door den Hoogen Raad gebezigd. Het is een verschijnsel dat wel de aandacht verdient, een van de punten, waarop de methode van den Hoogen Raad van nu verschilt van die van een twintig jaar geleden. 2

[450] Voor de ontwikkeling van die methode binnen de nauwe grenzen, door het cassatiesysteem gesteld, is dat teekenend. We vinden het beroep op den verkeerseisch in het bekende arrest over art. 2014 B.W. in zake Veltman tegen Kooper. 3 Daar volgt het op een geheele reeks van argumenten, hoofdzakelijk van historischen aard. Aan het slot van het arrest heet het: „dat de nuttige, door het verkeer geeischte wijde strekking van den regel deze is . . . .”. Nog merkwaardiger


2 Fockema Andreae vermeldt hiervan althans niets in zijn „Tien jaar”, zie boven blz. 52.
3 3 Febr. 1922, N.J. 1922, 388 W. 10864.

|155|

is het beroep op den verkeerseisch in de arresten, waarin de H.R. 1 den lastgever gebonden rekende aan de handelingen van den lasthebber, ook indien deze den last te buiten ging, mits slechts de derde, die met hem handelde, mocht vertrouwen, dat hij binnen den kring zijner bevoegdheid was gebleven.

[451] Hier staat het argument geheel op zich zelf en dit verdient te meer aandacht, daar de H.R., na aanvankelijk in 1926 verklaard te hebben, dat dit een toepassing van art. 1844 B.W. zou zijn, in 1928 leerde, dat het een uitzondering op het artikel maakt. Een uitzondering, waarvan de wet zelf niet weet. Er is hier een rechtsverfijning 2, die gegrond zou kunnen worden op een rechtsbeginsel 3, doch die bij den H.R. alleenlijk steunt op de eischen van het verkeer.

[452] Wat hebben we daaronder te verstaan? Toch niet anders dan dit; dat bij bepaalde gedragingen in het maatschappelijk leven algemeen wordt aangenomen, dat degene, die handelt, niet voor zich zelf, maar voor een ander optreedt: de zetbaas, de agent, de winkelbediende, de directeur, zij alien doen een reeks daden in hun bedrijf, die men algemeen beschouwt als daden voor dengene, die hen aanstelde, die dit in den regel ook zijn. Doch zijn zij het een enkele keer niet — omdat de volmacht ontbreekt — maar is de uiterlijke schijn er wel, dan, zegt men, en zegt ook de H.R., mag men op den schijn vertrouwen. 4 Dat eischt het verkeer, d.w.z. zonder dat is een snel en voortdurend handelen met al de genoemde personen onmogelijk, bijzonder onderzoek van hun bevoegdheid zou niet kunnen plaats hebben en heeft niet plaats.

[453] De overeenstemming met het gewoonterecht ligt voor de hand. Hier en daar een handelen in de samenleving, waarvan het recht afhangt, hier en daar een vertrouwen op de rechtsgevolgen van dat handelen, dat, omdat het algemeen is, niet mag worden beschaamd. Hier en daar is het een schijn waarop wordt gerekend. Het verschil is, dat daar het vertrouwen het bestaan van een regel betreft, die in de wet niet is te vinden, hier het in concreto aanwezig zijn van


1 18 Juni 1926, N.J. 1926, 1021, W. 11529 inzake Altena tegen v. d. Horst; 23 Maart 1928 N.J. 1928, 730, W. 11837 inzake Huidenmaatschappij tegen Disconto Bank.
2 Zie boven blz. 82.
3 Zie boven blz. 86.
4 Zie Van der Heyden in Rechtsgeleerd Magazijn 1928 blz. 1 vlg.

|156|

de feitelijke voorwaarden van een wettelijken regel, die der lastgeving, dat in werkelijkheid ontbreekt. In het gewoonterecht wordt wat men in den regel doet tot verplichting naar een regel; hier wordt, wie een situatie schept, die op een regel wijst, aan den regel gebonden gerekend, al kan deze niet direct worden toegepast. Dit eischt het verkeer; wie recht zoekt zal daarmee rekening moeten houden.

[454] Er is dus een erkenning van de feiten, doch er is tegelijk een beslissing over de doelmatigheid van eenig handelen. De rechter kàn den eisch van het verkeer afwijzen — doch hij brengt daardoor dat verkeer in moeilijkheden. Het doel van de lastgeving in het maatschappelijk leven wordt niet bereikt, indien de nieuwe regel, dien de H.R. 1 uitsprak, niet wordt aanvaard. De rechter wil dit doel helpen verwezenlijken, omdat het maatschappelijk leven zelf er om vraagt. Vandaar dat deze wijze van rechtsvinding zoowel sociologisch als teleologisch kan genoemd worden: zij onderzoekt het maatschappelijk gebeuren en put daaruit haar regel, doch zij doet dat, omdat eerst dòòr dien regel het maatschappelijk leven doelmatig wordt ingericht.

[455] Niet alleen bij den invloed, die aan de eischen van het verkeer wordt toegekend, ook nog in andere gevallen is deze methode van nut. Zij wordt ook toegepast als de rechter een beslissing neemt „naar den aard der zaak”. Het is een weinig zeggende term, men heeft er de meest verschillende dingen onder begrepen. Geen wonder, dat hij volkomen werd verworpen. 2 Toch verwijst de wet in het belangrijke artikel 1375 B.W. naar den aard der overeenkomst, als hij den rechter opdraagt vast te stellen, wat gebruik en billijkheid bij overeenkomsten vorderen. Dit heeft goeden zin als men onder dien „aard” het type verstaat, waartoe de overeenkomst in het maatschappelijk leven behoort. De menschen kunnen in de meest verschillende verhoudingen tot elkaar treden en zij zijn vrij die verhoudingen te regelen, zoo als zij willen, doch dit neemt niet weg, dat die verhoudingen op bepaalde wijze te classificeeren zijn, tot typen en hun onderdeelen kunnen worden herleid.

[456] Koop, huur, lastgeving, arbeidsovereenkomst


1 De „nieuwe” regel; ook hier is de formuleering van den rechter en ook van deze formuleering geldt wat wij bij het gewoonterecht opmerkten.
2 Vgl. Windscheid, Lehrbuch des Pandektenrechts 9te Auflage (Kipp, 1906) 23 noot 1a; Geny, Méthode II n. 159. 

|157|

zijn typen van overeenkomsten. Leveringscontract, specieskoop, koop op de proef: typen van koopovereenkomsten; ook in weer andere indeeling koop van graan, van vee en van huizen. Ieder type wordt in de samenleving afgewikkeld op een bepaalde wijze. Partijen zijn vrij daarvan te maken, wat zij willen, doch er is zekere regelmaat.

[457] Wordt die regelmaat zelf als bindend beschouwd, dan is er gewoonterecht; wordt uit het doel, dat in het maatschappelijk verkeer dat type heeft, een beslissing afgeleid, omdat zij aan dat doel het meest beantwoordt, dan is er een oordeelen naar den aard der overeenkomst. Zoo is de beslissing, dat bij leveringscontracten gedeeltelijke ontbinding mogelijk is, een beslissing uit den aard der overeenkomst. 1 En het was „de aard” van de overeenkomst tusschen aanbesteder en architect, de maatschappelijke functie van den laatste, die het Hof in den Haag tot richtsnoer strekte bij een beslissing over de grenzen van de gebondenheid van den aanbesteder aan de daden van den architect. 2

[458] Sterker nog komt die aard naar voren als wij te maken hebben met instellingen 3 als de grondeigendom, het huwelijk en zoo meer, die zich in het maatschappelijk leven ontwikkeld hebben. Zij hebben een functie in het leven, die tot bepaalde rechtsregels leidt.
Dit alles toont het belang van de maatschappelijke feiten voor de rechtsvinding. Doch het toont ook, dat hier de speelruimte van den rechter groot is, grooter dan bij de andere methoden, die hij volgt. Reeds dit feit op zich zelf dwingt tot spaarzaam gebruik der methode. Degene, die recht zoekt, doet dat in gebondenheid 4; „eischen van het verkeer”, „de aard der zaak”, het zijn termen, die door haar vaagheid zoo licht tot willekeur leiden.

[459] Doch, als ik dit vooropstel, wil ik er onmiddellijk naast zetten, dat bij de rechtsvinding op grond der andere factoren het rekenen met het maatschappelijk gebeuren van het allerhoogste belang is. Niet op zich zelf, maar bij gebruik van analogie en rechtsverfijning, bij het zoeken naar de historische lijn en bij overweging, in hoever in die lijn een stap verder kan worden gedaan, zal de rechter zoo nauwkeurig mogelijk van bet maatschappelijk gebeuren, van de vormen,


1 Vgl. de aanteekening op H.R. 11 Maart 1926, N.J. 1926, 508 W. 11485.
2 25 Nov. 1926, N.J. 1928, 1006, W. 11712.
3 Zie boven blz. 113.
4 Zie boven § 21. 

|158|

waarvan men zich daarbij bedient, kennis moeten nemen, moeten nagaan ook, hoe de in het maatschappelijk leven zich vertoonende stroomingen en strevingen het best hun doel bereiken. 1

[460] Aan de doeleinden, die in het systeem van het recht zijn erkend, is hij daarbij gebonden. Het is niet zijn taak, maar die van den wetgever, hierin zoo noodig radicale verandering te brengen. 2 Waar in het maatschappelijk leven belangen en begeerten van geheele groepen botsen, moet de wetgever, niet de rechter, het beslissende woord spreken. Doch binnen de grenzen door het systeem gesteld in langzaam voortschrijden, moet ook wie recht zoekt met de veranderingen, die dagelijks in het maatschappelijk leven plaats grijpen, rekening houden.

[461] Tot deze algemeene opmerkingen moeten wij ons beperken. Eerst in de stof zelf kunnen deze gedachten met voorbeelden worden uitgewerkt. Hier moet nog slechts op een methode van teleologische interpretatie van eenigszins anderen aard de aandacht worden gevestigd. Het is deze, dat niet het doel van het handelen in de maatschappij wordt onderzocht, maar naar het doel van een speciale bepaling wordt gevraagd. In het maatschappelijk handelen grijpt de wetgever in; hij wil het sturen. Men kan nu zijn bevelen onderzoeken naar hun inhoud en hun omvang, men kan ook de vraag stellen: wat wilde hij in het algemeen daarmee bereiken? Die vraag stelt de uitlegger zich, als hij de mogelijkheid van analogie onderzoekt, doch hij kan het ook doen bij de vaststelling van den zin van een concreet voorschrift. Een goed voorbeeld daarvan geeft de beslissing, die de H.R. eenige jaren geleden gaf over art. 61 Fw. 3

[462] Bij faillissement kunnen de belangen botsen van de echtgenoote van den failliet en de schuldeischers. De eerste moet de waarborgen, die zij tegenover den man bedong, ook tegenover diens schuldeischers kunnen handhaven, doch de laatsten moeten gevrijwaard worden voor de gevolgen van een niet onwaarschijnlijke samenspanning tusschen man en vrouw te hunnen nadeele. Afbakening van de rechten van beide partijen in dezen brengt art. 61. Fw. Geheel duidelijk en scherp zijn de grenzen daar niet getrokken. Toen nu de H.R. deze nader moest


1 Zie boven blz. 107.
2 Zie boven blz. 122.
3 Inzake Mr. Smalhout qq. tegen de Haan, 23 Mei 1924, N.J. 1924, 817, W. 11292.

|159|

aangeven, begon hij, in afwijking van zijn gewone methode, die dadelijk zich tot de cassatiemiddelen zelf richt, met de belangentegenstelling, het doel van het artikel en de aanwijzing in het algemeen van de bevoegdheden van crediteuren en echtgenoot uiteen te zetten.

[463] Het arrest is zeker één van de fraaist gemotiveerde van de laatste jaren. Een nadere omschrijving van het doel van het voorschrift, de afweging van de belangen, die hier botsen, zooals de wetgever deze gaf, en daaraan dan vastgeknoopt de meer concrete beslissing — het is een methode, die men zou wenschen, dat de H.R. meer toepaste. Ook dit kan teleologische interpretatie genoemd worden — doch ook deze staat niet op zich zelve, maar vindt haar aanvulling in overwegingen van taal en geschiedenis.