|17|

 

Zet ze uit de kerk!” dus roept ge luid.
Zet liever gij uw kerk wat uit!

De Génestet. 

 

Het Algemeen Reglement voor de Hervormde kerk in het Koninkrijk der Nederlanden, de grond-wet van deze kerk als ’t ware, zegt in Art. 11: 

„De zorg voor de belangen zoo van de Christelijke kerk in het Algemeen als van de Hervormde in het bijzonder, de handhaving harer leer, de vermeerdering der godsdienstige kennis, de bevor­dering van christelijke zeden, de bewaring van orde en eendracht en de aankweeking van liefde voor Koning en Vaderland, moeten steeds het hoofddoel zijn van allen, die in onderscheidene betrek­kingen met het kerkelijk bestuur belast zijn”.

Verder bestaat er in de Hervormde kerk een Reglement voor kerkelijk Opzicht en Tucht etc., waarvan Art. 3 alin. 2. aldus luidt:

„Aan de kerkelijke tucht zijn onderworpen alle lidmaten en inzonderheid leeraren, ouderlingen, diakenen en andere leden van kerkelijke besturen, ter zake van onchristelijken levenswandel, van openbaren strijd met den geest en de beginselen van de belijdenis der Hervormde kerk (art. 27 van het Reglement op het Examen) van verstoring van orde en rust en van verzuim of vergrijp in de uitoefening van kerkelijke betrekkingen”.

 

Het is duidelijk dat in deze beide wetsartikelen wordt gesproken van eene belijdenis of leer der Hervormde kerk.

De groote vraag, waar ’t alles op aan komt, is nu maar: welke is deze leer der Hervormde kerk?

Een feit is, dat in de geheele kerkelijke wetgeving deze leer nergens uitvoerig omschreven en belijnd is.

|18|

Art. 27 van het reglement op het examen schrijft voor:

„Daarenboven leggen de geëxamineerden de navolgende ver­ klaring en belofte af en bekrachtigen die met hunne onderteekening: „Wij ondergeschrevenen, door het Provinciaal kerkbestuur van . . . . (of door de Commissie tot de zaken der Waalsche kerken) tot de openbare Evangeliebediening in de Nederlandsche Hervormde kerk toegelaten, beloven in diep besef van onze roeping en in vertrouwen op God, dat wij daarin met ijver en trouw zullen werkzaam zijn om, overeenkomstig de beginselen en het karakter van de Hervormde kerk hier te lande, het Evangelie van Jezus Christus te verkondigen en de belangen van het Godsrijk en in overeenstemming hiermede die van de Nederlandsche Hervormde kerk, met opvolging van hare verordeningen, naar vermogen te behartigen”.

 

Eene in alle onderdeelen uitgewerkte, nauwkeurig omschreven leer heeft dus de Ned. Herv. kerk hier te lande niet; zij vraagt van hare predikanten en lidmaten geenszins eene, in een bepaald aantal artikelen uitgesproken geloofsbelijdenis, in alle stukken te beamen, zij vraagt enkel van die tot haar willen behooren eene verklaring, een belofte dat zij instemmen met hare beginselen en haar karakter hier te lande.

En deze beginselen en dat karakter heeft zij zeer ruim gesteld.

Het zijn de Christelijke beginselen, welke zij voorstaat zooals deze zijn te vinden in het Evangelie van Jezus Christus: vertrouwen op God wil zij aankweeken in de harten der menschen, gods­dienstige kennis verspreiden, Christelijke zeden van orde en een­ dracht, van liefde tot vaderland en vorst(in) bevorderen, dat is het groote hoofddoel, en zij verlangt van allen, die tot haar wenschen te behooren, hierop aan te houden in hun denken, spreken en handelen.

Haar karakter is verder Protestantsch, hetgeen uit hare geschie­denis voldoende blijkt en dat Protestantsch karakter is gelegen in de vrijheid van onderzoek en geweten; hierin staat zij tegen­ over de Roomsche kerk, welke geen vrijheid van onderzoek en geweten kan toestaan: alle leerverschillen zijn hier theoretisch onmogelijk sedert de Paus de onfeilbare leer aan de leden dier Roomsche kerk te gelooven oplegt en alle tegenspraak afsnijdt, hoe gegrond zij moge wezen.

|19|

De tegenwoordige Ned. Herv. kerk is dus niet beginsel- noch karakter-loos, maar zij bezit niet een nauwkeurig omschreven leer­stelsel. Dit was wel het geval met de Gereformeerde kerken in de Nederlanden, zooals zij werden ge-reconstitueerd te Dordrecht in 1618/19.

De tegenwoordige Ned. Herv. kerk nu is wel een historische-, maar niet een onveranderde — voortzetting van deze Gerefor­meerde kerken.

De loop der geschiedenis na 1618, de ontwikkelingen der god­ geleerdheid en der geheele geestesbeschaving sedert dien tijd, hebben niet nagelaten hun grooten invloed op die Gereformeerde kerken te doen gelden; de jammer der Révolutie- en Napoléontische-tijden ging niet zonder meer aan haar voorbij . . .  kortom, . . . . in 1816 werd uit deze Gereformeerde kerken geboren de Nederlandsche Hervormde kerk, zooals zij nu nog bestaat.

Wie deze kerk, in haar beginselen en karakter, wil leeren kennen, moet dus met hare wetten of reglementen te rade gaan in de allereerste en voornaamste plaats, zooals zij die in 1816 en vervolgens heeft afgekondigd.

Wie deze reglementen of wetten niet kan aanvaarden, wie met dit duidelijk uitgesproken doel, beginselen en karakter der kerk zich niet kan vereenigen, hij zal zich natuurlijk, zoo hij een ver­standig en ernstig mensch is, niet bij haar aansluiten.

Mocht iemand dit wel doen, te weten zich aansluiten bij de Ned. Herv. kerk en tegelijk hare beginselen, karakter en doel verloochenen of bestrijden, dan heeft natuurlijk de kerk door middel van haar bestuur volkomen recht aan den misdadigen toeleg van zoo iemand paal en perk te stellen en hem na recht­ vaardige kerkelijke procedure van zijn ten onrechte aanvaard lid­ maatschap te ontzetten.

Onbeperkte vrijheid, of liever volslagen losbandigheid, kan in geen enkele vereeniging bestaan en natuurlijk ook niet in een kerk; men dient de wetten te handhaven, natuurlijk met wijs beleid. Wanneer wij dus hier een pleidooi opnemen tegen de handhaving van de confessie in de Ned. Herv. kerk zal ’t ieder die ’t boven­staande goed begrepen heeft, duidelijk moeten zijn, dat wij niet bedoelen te pleiten voor onbepaalde en onbeperkte leervrijheid in de Ned. Herv. kerk. Die leervrijheid is natuurlijk en als van­zelfsprekend bepaald en beperkt door het niet onduidelijk

|20|

uitgesproken doel, karakter en beginselen van de Ned. Herv. kerk. Maar als men in onze dagen de leus hoort klinken: „wij willen handhaving van de leer in de Herv. kerk”, dan bedoelen die „wij” daarmede handhaving van de oude formulieren van Dordt met name van de Confessie. Tegen deze Confessie en hare hand­having gaat dus dit betoog:

 

Een kort woord over oorsprong en geschiedenis van deze con­fessie moet hier tot recht begrip van heel het betoog voorafgaan.

In het begin der 16e eeuw verscheen het Protestantisme op Nederlandschen bodem en wel in verschillende gedaanten. De oudste stroomingen zijn zelfstandig-Nederlandsche, Doopsgezinde en Luthersche.

Maar spoedig behaalde over al deze richtingen het Calvinisme de zege.

Van al deze richtingen gingen geloofsbelijdenissen uit, welke, zonder bindend gezag te hebben, door voormannen van die richtingen waren opgesteld met het doel om aan vriend en vijand uiteen te zetten wat men geloofde en wat niet.

Zoo verscheen in het voorjaar van 1562 te midden van heftige geloofsvervolgingen, eene „Belijdenisse des geloofs”, een hollandsche vertaling van een gelijk-luidende Fransche, welke in 1559 was opgesteld door een wakkeren voorvechter van ’t Calvinisme door Guido de Brès (Guy de Bray).

Deze geloofsbelijdenis had moeten dienen om aan den koning te berichten, wat de veel gelasterde en vervolgde Hervormden alzoo geloofden en niet geloofden.

Dat Guido de Brès deze geloofsbelijdenis niet als een bindend gezag voor zijn geloofsgenooten en medestanders der Hervorming wilde hebben beschouwd, blijkt onwederlegbaar uit het feit, dat toen Willem van Oranje sedert 1564 pogingen in het werk stelde om Lutherschen en Calvinisten te vereenigen rondom de Augs- burgsche Confessie, Guido de Brès zich voor dit plan gewonnen gaf.

Een bindend gezag heeft deze belijdenis, na eene geschiedenis van vele jaren, eigenlijk eerst verkregen op de groote Nationale Synode te Dordrecht in 1618/19 gehouden. Deze Synode was op het stuk van de leer veel strenger dan de verschillende voorafgaande Synoden. (Op de Synoden te Wesel en Emden, vooral op de laatste, had men ook reeds onderschrijving van deze confessie verlangd).

|21|

In zitting 159 toch werd bepaald: „te concipieren een accuraat formulier van onderteekeninge, waarna de Kerkendienaars de Belijdenisse, de Catechismus en de verklaring des Synodi nat. over de vijf remonstrantsche Artikelen, sullen onderteekenen, om haar regtsinnigheid klaarlijk te betuygen en sommige verkeerde uytvlugten omtrent de onderteekeninge voor te komen” 1).

Voortaan zou dus ieder in de kerk gehouden zijn precies te gelooven, wat bovengenoemde geschriften inhielden; men zou geen „afwijkingen” noch „uitvluchten” dulden.

Dit resultaat was niet verkregen dan na een geweldigen strijd, welke het geheele vaderland in de heftigste beroering had gebracht.

Deze strijd was niet zuiver kerkelijk — het was een kerkelijk-politieke strijd, waarbij de hartstochten vlamden en het hoofd van een groot staatsman op het schavot gevallen is.

Op de groote Dordtsche Synode van 1618/19 bevocht het harde onverdraagzame Calvinisme de overwinning, nadat ongeveer 200 predikanten, die afwijkende gevoelens waren toegedaan, waren afgezet en uit het vaderland gedreven.

En indien de partij, welke op de Synode overwon, haar zin geheel had mogen doordrijven, zou uit de Nederlanden al wat niet Calvinistisch geloofde zonder twijfel zijn uitgedreven: geen Mennonist, geen Lutheraan, geen Katholiek zou in de Republiek hebben mogen wonen; maar de wijsheid van vele overheden heeft dat gelukkig voorkomen.

Zoo scheen nu voorgoed uitgemaakt, wat „de ware leer was”, uitgemaakt door een vergadering van mannen, die in den grond der zaak het zelf niet allen eens waren over „de ware leer”.

Over het leerstuk van den zondeval verschilden de leden der bovendrijvende partij in de Synode van elkander, maar om dan toch niet eindeloos te blijven twisten heeft men dit verschil handig weten te bedekken, hoewel er vele heftige woorden reeds over en weer gevallen waren.

Maar er waren in de Synode en er bleven voortaan in de kerk: „bovenval drijvers” en „benedenval drijvers”.

Toch heeft deze ommuring van de leer niet kunnen verhinderen, dat telkens en telkens weer afwijkende gevoelens binnen de kerk


1) Zie C. Hooyer, kerkelijke wetten p. 13.

|22|

verkondigd werden, wat dan natuurlijk weer aanleiding gaf tot hevige twisten.

De heftigste van al deze twisten over de leer is wel geweest die tusschen de zoogenaamde „Voetianen” en „Coccejanen”. Zoo erg was deze twéédracht, dat de „Voetianen” wederom sterk hebben aangedrongen op het houden van een nationale synode; en zoo deze gehouden ware, wat de landsregeering echter verhin­derde, zouden zeker die Voetianen niet hebben gerust voor en aleer zij hun tegenstanders uit de kerk hadden verdreven. De Dordtsche Synode scheen niet als bijzonder navolgenswaardig voor oogen te staan. Maar vooral de voortgang der denkbeelden, der wetenschap en beschaving in de 18e eeuw heeft veel bijgedragen om de twisten over de „ware” leer te doen verstommen. De tijden veranderden!

Niet zoo streng meer als vroeger werd door de kerkbesturen die leer gehandhaafd tegenover degenen die afwijkende gevoelens niet alleen koesterden, maar ook openlijk uitspraken.

Totdat de Fransche Revolutie als een storm over Europa los­ brak en de heerschende Calvinistische kerk in de Nederlanden vernietigde voor goed.

Uit dezen storm van Revolutie en wat daarop gevolgd is onder de heerschappij van Napoleon, is de Hervormde kerk wel weder­om opgestaan, maar niet onveranderd.

De Ned. Herv. kerk zooals zij op dit oogenblik nog in ons vader­land bestaat, is geboren in 1816

En deze kerk heeft tot den dag van heden van geen harer leeraren en dienaren gevraagd de onderteekening en ondubbel­zinnige instemming met de formulieren van de Dordtsche Synode.

Wij leven heden ten dage in deze kerk gelukkig onder een andere en betere kerkorde.

Nadat Art. 4 der confessie alle „Kanonijke Boeken der heilige Schriftuur” heeft opgesomd gaat art. 5 voort: „Alle deze Boeken alleen ontvangen wij voor Heilig en kanonijk, om ons geloof naar dezelve te regelen, daarop te gronden en daarmede te bevestigen; en gelooven, zonder eenige twijfeling al wat in dezelve begrepen is”.

Bij deze laatste, gecursiveerde zinsnede vraag ik: hoevele leden der Ned. Herv. kerk zouden er wezen, die, nauwgezet kennis genomen hebbende van den inhoud van „alle deze boeken” en niet geheel en al vreemdelingen in datgene, wat het

|23|

wetenschappelijk onderzoek van onze dagen weet te vertellen aangaande oorsprong, samenstelling en geschiedenis dezer boeken, met een volkomen eerlijk geweten dit kunnen nazeggen n.l. „zonder eenige twijfeling te gelooven al wat in dezelve begrepen is”!?

Ik kan mij haast niet voorstellen dat er één predikant in de Ned. Herv. kerk gevonden kan worden, die, van dit alles ernstig kennis genomen hebbende, voor God en zijn geweten rondweg ja en amen durft zweren op deze zinsnede uit art. 5 der Dordtsche geloofsbelijdenis. 

Hoe ’t zij, een menigte hoogleeraren, predikanten, kerkbestuurders en gemeenteleden komen er wel telkens weer rond voor uit in hun boeken, preeken en gesprekken, dat zij dit Artikel 5 onmogelijk kunnen onderschrijven. De hoogleeraren Valeton en Wildeboer, leden der Ned. Herv. kerk, hoewel zich onder de zoogenaamd „orthodoxen” scharende, bestrijden toch in hunne geschriften over ’t Oude Testament met alle macht dit artikel 5 der Confessie en zij hebben een groote menigte medestanders, die gelijke opvat­ tingen huldigen en toch ook leden zijn der Ned. Herv. kerk.

Wilde men de Dordtsche belijdenis handhaven dan zouden deze allen onrechtzinnig moeten heeten; de Dordtsche Synode had hen allen, evengoed als zij de Remonstranten deed, uit de kerk gezet.

Toch is Artikel 5 niet te handhaven in het aangezicht van de resultaten van het godgeleerd onderzoek.

Genesis, Exodus, Leviticus, Numeri en Deuteronomium zijn niet door Mozes geschreven.

De grondtekst van de boeken zoowel van O.T. als van N.T. zijn ons niet geheel zuiver zonder fouten en vergissingen en ver­schrijvingen, uit de hand der oorspronkelijke opstellers overge­leverd; wie dat durft staande houden en de feiten kent, doet de waarheid geweld aan en spreekt niet, wat het geweten hem te spreken beveelt

Aan het onomstootbaar feit, dat de grondtekst des Bijbels niet zuiver en zonder fout is overgeleverd, kan geen mensch ter wereld tornen; het staat als een paal boven water; een kerk, welke van hare leden dit feit te ontkennen vraagt kan evengoed vragen, dat hare leden zullen moeten erkennen dat 2 + 2 = 7. Dan hebben wij een kerk, die de gewetens verkracht! Zoover kan ’t gezag van een kerk op Protestantsch terrein nooit gaan, zonder haar karakter te verloochenen; zelfs de oude opsteller van Art. V spreekt

|24|

’t uit: dat niet „de kerk” de Schrift voor onfeilbaar had te verklaren, maar het getuigenis des Heiligen Geestes in des menschen hart. Het getuigenis van het Gode gewijde geweten!

 

„De Paus en de Conciliën kunnen en hebben vaak gedwaald en elkaar tegen gesproken”, riep Luther op den rijksdag te Worms — „het is niet geraden en veilig iets tegen het geweten te doen”.

Hier sprak de groote Hervormer ’t echte Protestantsche beginsel uit van vrij onderzoek en gebondenheid, niet aan ’t gezag van kerkvergaderingen, maar aan het geweten alleen.

Dat in Genesis I 26 en 27 en in Gen. III 22 alsook in 1 Joh. 5, 7 een bewijs van de Drieëenheid Gods ligt opgesloten, zullen maar zeer weinig godgeleerden in onze dagen toegeven, al behooren zij ook tot de Ned. Herv. kerk; toch wordt ’t in art. 9 der confessie geleerd.

Voor „orthodox” of te wel rechtzinnig willen nog wel velen in de Ned. Herv. kerk doorgaan, maar op de schaal der Dordtsche leerregelen gewogen zullen de meesten te licht worden bevonden.

Maar nu, zoo de Dordtsche maatstaf van rechtzinnigheid gaat ontvallen, welke zal er dan aangelegd moeten worden? Om dit vast te stellen zou men tot een herhaling van de Dordtsche Synode moeten komen en een nieuw leersysteem als ’t eenig ware proclameeren, hetgeen in onzen tijd, toestand van richtingen en wetenschappen in aanmerking genomen, een volslagen hopeloos pogen moet genoemd worden.

Prof. Scholten in zijn „Leer der Herv. kerk” heeft m.i. zoo overtuigend mogelijk aangewezen hoeveel er hapert aan de zoo­genaamde rechtzinnigheid zelfs van diegenen, die zich zelf voor zoo bij uitstek rechtzinnig uitgeven en ijveren voor rechtzinnig­heid in de leer.

Ook de zoogenoemd Confessioneelen kunnen ’t heden ten dage niet streng meer met de Confessie nemen, welke zij niettemin zeggen te willen zien gehandhaafd.

Hoevelen onder de leerdrijvers staan onbewimpeld voor en gelooven precies, wat Art. XVI der Dordtsche Confessie zegt over de eeuwige Verkiezing!?

Dit leerstuk wordt immers tegenwoordig vrijwel verzwegen, men hoort ’t op de kansels weinig meer. Zelfs zegt Dr. Vos in ’t tweede deel van zijn „Groen van Prinsterer en zijn tijd” p. 262:

|25|

„Van het Praedestianisme had hij (Groen) om méér dan ééne reden een diepen afkeer, zelfs de gezonde praedestinatie-leer liet hij bereidvaardig ongebruikt”. Een orthodox theoloog noemde deze leer: „heidensch fatalisme!” Art. XVI der Confessie = heidensch fatalisme!!

Zoo zien wij welk een groote dwaasheid en onredelijkheid het wezen zou, van allen die tot de Ned. Herv. kerk zullen behooren te eischen een onderschrijven d.w.z. instemming met alles, wat de Dordsche Confessie in die bekende 37 artikelen alzoo leert. Deze confessie hadden zelfs Groen van Prinsterer en Da Costa met een eerlijk geweten niet kunnen onderschrijven — immers zij stemden niet met alles in. Zij spraken dan ook van een onbekrompene instemming met den grondslag der kerk in haar belijdenis geschriften neergelegd. Daarom heeft ook Da Costa in een zijner brieven geschreven: „Men vergete niet, dat zelfs op de Dordtsche Synode de formulieren van eenigheid stellig en opzettelijk de novo (opnieuw) onderzocht en gerevideerd zijn. Hoeveel te billijker en noodiger ware dit niet thans na meer dan 200 jaren!”

In aansluiting hiermede schreef Da Costa nog verder: „mij drong de overtuiging, dat de zuivere Hervormde leer telkens opnieuw geplaatst moet worden op haar echt Protestantsche basis . . . .
Nimmer mag worden verzuimd een overgeleverde kerkelijke leer met den Bijbel alleen te handhaven en te verdedigen. Mij dreef de bewustheid, dat onder protestatie van alleen Gods woord als bron en gezag te erkennen, bij velen, ja zeer velen onder de welgezinden die Bijbel in den grond beschouwd wordt als een wass(ch)en neus (zooals de Roomschen het uitdrukken) terwijl de ware kracht der leer in de formulieren wordt gezocht.
Ik weet er, die het onbewimpeld ook zoo zeggen en langs dien weg in plaats van Protestantsch eigenlijk Roomsch rechtzinnig zouden worden”.

 

„Roomsch rechtzinnig”! inderdaad daarheen leidt leerdwang; op zuiver Protestantschen bodem is deze niet te dulden.

Zelfs de Dordtsche Synode van 1618/19, welke al heel aardig op een Roomsch concilie begon te gelijken, heeft de mogelijk­heid van toekomstige herziening der belijdenis opengelaten door te bepalen dat elke 3 jaren een Nationale Synode diende gehouden

|26|

te worden ook met ’t oog op revisie der leer. Zulk een Synode is er echter nimmer-meer gehouden!!

Alleen bij een Roomsch-katholieke opvatting kan men denken en zich de illusie voorspiegelen dat er zoo iets op deze aarde bestaat als: („quod ubique, quod semper, quod ab omnibus creditum est” —) wat overal, ten allen tijde en door allen is geloofd.

Wie ook maar oppervlakkig bekend is met de geschiedenis van den Christelijken godsdienst en der Roomsch Katholieke kerk weet, dat van zoo iets nooit sprake is geweest.

Wie de Dogmengeschiedenis gelezen heeft, weet dat geen enkel van de nu door sommigen fundamenteel geachte leerstukken der kerk is tot stand gekomen dan na uitwerpen en verdrukken van de leden dier kerk, die tegenovergestelde en strijdige gevoelens waagden voor te staan.

Het dogma is dus immer geweest en is dat heden ten dage nog het gevoelen van de bovendrijvende partij. De sterkere partij bracht de zwakkere tot zwijgen en decreteerde haar gevoelen als de onfeilbare leer der kerk.

Zoo is ’t ook gegaan bij den geheelen opbouw van het Roomsch-katholieke leerstelsel tot 1870. Om te komen op het standpunt, waarop toen in 1870, met de onfeilbaar-verklaring van den Paus, de R.-katholieke kerk is gearriveerd, zijn ontelbare kerkvergade­ringen gehouden, op vele waarvan het zelfs schandelijk en mis­dadig is toe gegaan.

De minderheid, al was zij nog zoo aanzienlijk en eerbiedwaardig, heeft moeten zwijgen waar de meerderheid gebood.

Nog in 1870 is het niet anders gebeurd. Niettegenstaande de aartsbisschoppen van Keulen, Kamerijk, Parijs, Breslau en Weenen tot de tegenstemmers behoorden, is des Pausen onfeilbaarheid toch als kerkleer vastgesteld.

Daarom is er in de Roomsche kerk ook geen vrijheid van onderzoek mogelijk; komt iemand bij zijn wetenschappelijk navorschen tot resultaten strijdig met de kerkleer, dan mag hij dat niet uitspreken op straffe van aanstonds van de kerk te worden afgesneden.

De geschiedenis van de zoogenaamde „Modernisten” in de huidige Roomsche kerk, tragisch en aandoenlijk als zij is, legt wederom als voor onze oogen open, waartoe een onfeilbare kerk met een onfeilbare leer leidt: zij leidt tot onvrijheid,

|27|

verkrachting van den waarheidszin in den mensch tot huichelarij, schijnvroomheid, geestdrijverij, ketterjagen, afschuwelijke ondeug­den al te gader, met den geest van het Christendom en het Protestantisme in lijnrechten strijd.

Wie een kerk wil met een bepaald en nauwkeurig afgewerkt leersysteem, diegene behoort niet bij ’t Protestantisme, hij behoort bij de Roomsch katholieke kerk thuis.

Op echt Protestantsch terrein behoort gebroken te worden met het Roomsche kerkbegrip.

De Roomsch-katholiek zegt: „de kerk is eene stichting Gods”. — „De Paus”, haar hoofd, is de stedehouder Gods, „hij is in ’t bezit der onfeilbare waarheid”.

Maar de Protestant, die zijn beginsel goed begrijpt en door­dacht heeft, weet van geen onfeilbare kerk, noch van een onfeil­bare leer; de kerk is hem niet stichting Gods maar een stichting des menschen.

In de kerk denkt en spreekt niet God, maar de mensch; de kerk is eene vereeniging van menschen die hetzelfde bedoelen, n.l. aanbidding Gods, aankweeken van godsdienstig denken en ge­voelen, bevorderen van godsdienstig leven en streven boven-al.

Alle ander kerkbegrip leidt naar Rome’s heilsinstituut.

Een kerk kan dwalen, zooals al het menschelijke vatbaar is voor dwalen.

De geschiedenis der onderscheidene kerken is ook eene geschie­denis van hare dwalingen, soms ontzettende dwalingen, — zooals de Inquisitie met hare brandstapels en gewetensverkrachting, zoo­ als de leerdrijverij met hare ontketening van menschelijke harts­tochten — met haar grijpen naar macht en geweld.

De Dordtsche Synode noemen wij een donkere bladzijde in de historie der Ned. Herv. kerk.

Gelukkig, driewerf gelukkig, dat de Ned. Herv. kerk heden dat verderfelijke standpunt dier Synode te boven is gekomen en een ruimeren en vrijeren geest ademt, — het nu althans mogelijk maakt, dat binnen hare muren de echt protestantsche beginselen van vrijheid van geweten en onderzoek tot haar volle recht kunnen komen.

Dit te hebben bewerkt is de zegen der nieuwere tijden.

Als art. 5 der Dortsche confessie, inhoudende, dat de Ned. Hervormde gehouden is alles te gelooven wat in den Bijbel staat,

|28|

heden in onze Ned. Herv. kerk nog van bindende kracht ware, dan was ’t onmogelijk geweest, dat een achtbare reeks van Ned. Herv. geleerden, een sieraad en zegen dier kerk, ons geschonken hadden die onwaardeerbare studiën over den Bijbel, waardoor dat heerlijk boek nu zooveel, zoo oneindig veel, beter verstaanbaar is geworden.

In de Roomsche kerk zouden dergelijke mannen als onze hoog­ leeraren Valeton, Wildeboer, Oort, De la Saussaye e.a. om hunne studiën terstond zijn uitgeworpen (gelijk Rome de Moder­nisten doet) en als de Dordtsche leer in de Ned. Herv. kerk van bindende kracht was, zouden zij allen moeten heengaan, zouden zij allen tot deze kerk niet kunnen behooren. Gelukkig dat zij ’t wel kunnen, kunnen met volkomen vrij geweten, zonder hunne beloften, eenmaal als proponenten afgelegd, te schenden, . . . zonder zooals een zekere partij laat verluiden, „die kerk af te breken”.

Een kerk, eene vereeniging van menschen, kan natuurlijk niet, zooals geen enkele vereeniging dat kan, zonder een bestuur wezen, zonder bepalingen en reglementen, zonder omschrijving van doel en beginselen; een kerk moet belijden wat zij wil en bedoelt. In dien zin schreef dan ook Prof. Scholten in zijn beroemd boek over de leer der Hervormde kerk: (p. 16 4e dr.) „Geen kerk zonder belijdenis”.

Deze uitspraak wordt door vele Confessioneelen in verkeerden zin aangehaald, waar zij pleiten voor de handhaving der leer 1). Want immers heel ’t boek van Prof. Scholten is één door­ loopend betoog tegen een geijkt leerstelsel — maar voor beginselen.

„Zij zullen, naar ik vertrouw, (zoo zegt hij in de voorrede), uit ons onderzoek zien, hoe de hervormde leeraar, getrouw aan de verklaring door hem afgelegd, de leer kan zijn toegedaan, die in haren aard en geest het wezen en hoofdzaak der gereformeerde belijdenis uitmaakt, behoudens de vrije ontwikkeling der wetenschap, en dat het geheel iets anders is, de letter der belijdenisschriften met angstvalligheid te huldigen, iets anders den geest en de be­ginselen der gereformeerde kerk van harte te zijn toegedaan en op den evangelischen grondslag, door onze vaderen gelegd, met ijver voort te bouwen, zonder zich te laten afschrikken door het geroep van onrechtzinnigheid van de zijde eener partij, die zoo


1) Vos, Groen van Pr. en zijn tijd. Los. „Troffel en zwaard” 1909 blz. 119.

|29|

gaarne den Christelijken geest op nieuw zou willen kluisteren in den knellenden band van geloofsvormen, waarbij de letter van het kerkelijk dogma gehuldigd, maar de geest niet zelden jammer­lijk miskend wordt”.
„Menigeen toch waant in onze dagen gereformeerd te zijn en veroorlooft zich harde oordeelvellingen over de rechtzinnigheid zijner mede-christenen, die, zelf op de schaal der kerkelijke recht­ zinnigheid gewogen, te licht bevonden wordt”.

Algeheele leervrijheid bedoelde Prof. Scholten zoo min als wie ook, die met hart en ziel de Ned. Herv. kerk is toegedaan; zoo iets is immers ook onbestaanbaar en ongerijmd. Of wat te denken van iemand die zich aansluit bij een Christelijk-Protestantsche kerk en in zijn hart streng Joodsch is of een Buddhist of ook Roomsch-katholiek!?

Zoo iemand is in de Ned. Herv. kerk immers niet op zijn plaats.

Als Dr. Bähler, over wien men zoo groot rumoer gemaakt heeft, werkelijk een volslagen Buddhist is en dus met eerlijk ge­weten niet meer zou kunnen instemmen met de belofte door hem afgelegd als proponent van een Christelijk-Protestantsch genoot­schap, (wat hij immers verklaarde wel te kunnen doen), dan diende hij dat genootschap te verlaten, zoo goed als iemand die vleesch eet zijn lidmaatschap van den Vegetarischen bond dient te verbreken.

De kerk is eene vereeniging, met statuten, doel en beginsel­verklaringen, welke niemand met voeten vertreden mag. Maar het is onprotestantsch de Statuten van eene vereeniging voor onver­anderlijk en onfeilbaar te verklaren. Er moet in elke vereeniging ruimte gelaten worden voor ontwikkeling en opbouw, voor groei en vooruitgang. Daarom gezegend duizendvoudig de Protestantsche boven de Roomsche kerk!

Gezegend deze huidige Ned. Herv. kerk; want al is zij niet volmaakt en laat veel in haar te wenschen over, één ding is er zeker groot en goed: er heerscht Protestantsche vrijheid in haar boezem, een kleinood van onschatbare waarde.

De stemmen van vrij onderzoek en vrije wetenschappelijke ont­ wikkeling behoeven in de Ned. Herv. kerk heden niet te zwijgen voor het gezag van een aantal als „onfeilbare leer” gedecreteerde dogmata.

Het Christelijk leven kan zich alleen in de vrijheid ontplooien

|30|

en wij durven de stelling verdedigen „dat in de Ned. Herv. kerk hier te lande meer, oneindig veel meer Christelijk leven gevonden wordt dan in de verdogmatiseerde Roomsch-katholieke.

De Christelijke geest, zooals de groote Stichter van onzen gods­dienst dien ingedragen heeft in de wereld, laat zich niet vast­ leggen en versteenen in „knellende banden van geloofsvormen”.

De Christelijke geest is een geest van vrijheid, van een „aanbidden van God in Geest en in Waarheid alleen”. (Joh. 4, 24). „Staat dan in de vrijheid” (Galaten 5, 1); „onderzoekt alle dingen en behoudt het goede” (Thess. 5, 21). 

Jezus Christus is niet met de 37 artikelen van de Dordtsche leer als de alleen zaligmakende opgetreden in de wereld. Hij heeft geenerlei kerk gesticht, noch de Roomsche, noch de Protestantsche. Aan vaste kerk noch leer-vormen heeft hij zijn volgelingen gebonden.

Jezus Christus heeft beginselen uitgesproken, groote machtige beginselen, verdragend en met wijde uitzichten. Niet omdat wij een vast omschreven leerstelsel huldigen, maar omdat wij deze beginselen willen belijden en zoover onze zwakke menschelijkheid het gedoogt willen beleven, noemen wij ons Christenen. En daarom hebben wij de Ned. Herv. kerk lief: omdat de geest van vrijheid, welke in haar woont, ’t ons mogelijk maakt naar eigen beste weten deze beginselen voor te staan en te verkondigen. Rome ducht ’t vrij-wetenschappelijk onderzoek naar den oorsprong en de geschiedenis van Bijbel, leerstellingen en kerkinrichtingen; zij op haar standpunt moet wel uitdrijven hen, wier resultaten van onderzoek strijden met wat zij heden ten dage als hare onfeilbare dogmata heeft gedecreteerd.

Maar de Ned. Herv. kerk staat gelukkig op een gansch ander standpunt: zij heeft niets te duchten van dat vrij-wetenschappelijk onderzoek niet alleen, zij kan vrijelijk dergelijk onderzoek aan­ moedigen en met de resultaten haar voordeel doen, tot verdieping, vermeerdering, verbreiding van de Christelijke waarheden, van welke zij de draagster is.

Moge dat in de Ned. Herv. kerk zoo blijven, opdat zij zich op den grondslag van het Christelijk Evangelie vrij en breed ont­ wikkelen kan.

Moge dat zoo blijven en steeds meer worden en moge nooit een zekere partij, de partij der confessiemannen, erin slagen, die

|31|

kerk weer terug te brengen naar het overwonnen standpunt der Dordtsche Synode; allen die vrijheid en waarheid liefhebben moeten zich tegen dat streven ten krachtigste weren.

Op dit oogenblik is het onmogelijk een bepaalde leer ’t zij Dordtsche of andere in de Ned. Herv. kerk als de eenig ware leer te handhaven; een breede schaar van „ethischen”, „evangelischen” en „modernen” willen geen leerstelsel in de Ned. Herv. kerk als het eenig mogelijke en ware officieel vastgesteld en gehandhaafd hebben. Het verschil van richtingen in de kerk, welke geen neiging vertoonen te verminderen maar eer te ver­ meerderen, zal het wel voor immer onmogelijk maken bepaalde leervormen voor te schrijven aan allen.

Wie de vrijheid en den geest van het Christendom liefheeft zal zich niet bedroeven over dat bonte verschil van meeningen en opvattingen in den boezem der zelfde kerk, het zal hem een teeken van leven en zelfstandig nadenken en onderzoek wezen, waarvan de beste vruchten voor het Christelijk geloof mogen worden verwacht.

Het Christelijk geloof is niet aan één bepaalden vorm gebonden: het laat verscheidenheid van gaven en inzichten toe; gelukkig de kerk, welke dat begrijpt.

Eénheid van leer moge naar buiten sterker en machtiger schijnen, het is de vastheid van een starre doode rots. („Te duur gekochte zekerheid van den clericaal”. Busken Huet). Wat leeft toont verscheidenheid, schakeering, nuanceering, duizendvoud; aan een levenden boom zijn wel duizenden bladeren, maar er zijn geen twee in alles aan elkander gelijk.

Laat de kerk geen onveranderlijke, levenlooze, dorre rots (petra) wezen, laat haar zijn een levenskrachtige boom, welke zijn takken en bladeren zegenend uitbreidt over de menschenwereld, rijpe en weldadige vruchten uitstrooit in de maatschappij, waarin hij wortelt.

Leerheiligheid leidt tot onverdraagzaamheid en uitsluiting van anders denkenden, leidt tot partijzucht en partijgeest, welke het Christelijk leven niet bevorderen, maar schaden.

Wij maken aanspraak op den naam Christen al willen „leer­stellige Christenen” ons dien naam betwisten, als wij zeggen: in een waarlijk Christelijke kerk behoort geen bepaald leersysteem (’t zij Dordtsch of wat ook) al ’t andere te overheerschen en

|32|

uit te bannen, in een Christelijke kerk dient te heerschen een Christelijke geest van echte „geloof, hoop, liefde”, vertrouwen op God, broederzin, verdraagzaamheid, vrijheid.

Wie de Dordtsche artikelen wil hebben gehandhaafd en onder­teekend, doemt de ontwikkeling der kerk tot stilstand, neen — zet haar achteruit!

De roeping der Ned. Herv. kerk in onze dagen is niet meer één bepaald leerstelsel te herstellen of van nieuws vast te stellen, die roeping is grooter, die roeping is: de twijfelende, sceptische menschheid van ’t heden te doordringen van den echt Christelijken geest van onwrikbaar Gods-vertrouwen.

Die roeping is Christelijk geloof in menschenharten aan te kweeken, tegen de aanbidding van de stof te stellen aanbidding Gods in geest en in waarheid; Christelijke vrede en blijdschap over de aarde te doen schijnen, Christelijke barmhartigheid te betrachten, maatschappelijke nooden te lenigen, godsdienstige kennis aan te kweeken, Christelijke zeden te bevorderen.

De Christelijke geest ten allen tijde, sedert hij de wereld binnen­ drong, was in staat rust en vrede te schenken aan ’t menschenhart; dat menschenhart te troosten en te bemoedigen, te midden van alle harde teleurstellingen en ontgoochelingen in de wereld van alledaagschheid en kleinheid, van zonde en goddeloosheid.

De Christelijke geest zegt aan het menschenhart, dat het van Gods geslachte is, dat het op de eeuwigheid is aangelegd, en doet in stille berusting bidden: Onze Vader, die in de Hemelen zijt, Uw wil geschiede, Uw koninkrijk kome!!

De taak van de Hervormde kerk hier te lande en elders is: „het Evangelie van Jezus Christus te verkondigen, de belangen van het Godsrijk te behartigen”. Wie dat schoone doel wil voor­ staan met alle krachten, dat hij zich aansluite bij deze kerk, haar gezegenden invloed in de wereld helpe vergrooten, haar echt Christelijken geest in Protestantsche Vrijheid helpe handhaven en verbreiden.

Het Christendom is geen bepaald leerstelsel — het is levend geloof.

D. Mulder.