nr. 946
09-02-1896

|5d|

De bepaling van den diensttijd der ouderlingen historisch eenigszins toegelicht

III.

 

Eene tweede afwijking van de vaste ordening der Nederlandsche Gereformeerde kerken heeft zich tijdelijk voorgedaan in Noord-Holland. Toen de kerken aldaar sedert 1572, onder bescherming der overheid, tot reformatie kwamen, en daarbij, voor zooveel het haar aan geschikt personeel niet ten eenenmale ontbrak, ook ouderlingen en diakenen in dienst stelden, geschiedde dit aanvankelijk, althans bij de meeste dier kerken, zonder bepaling van aftreding. En gedurende eenige jaren is men aan die regeling blijven vasthouden.

Dit blijkt o.a. uit de Acta van hare particuliere Synoden (openbaar gemaakt door Dr. J. Reitsma en Dr. S.D. van Veen, in het eerste deel hunner uitgave van de „Acta der Provinciale en Particuliere Synoden, gehouden in de Noordelijke Nederlanden gedurende de jaren 1572-1620”) in welke met betrekking tot dit punt het volgende voorkomt.

Het eerst is er over gehandeld op de particuliere Synode van Edam in Juli 1574. Pas tevoren, in Juni, was de bekende Provinciale Synode van Holland en Zeeland te Dordrecht gehouden. Tot deelneming aan die constitueerende vergadering hadden ook de kerken van Noord-Holland, op hare Particuliere Synode te Grootebroek in April 1574, deputaten benoemd en gevolmachtigd. Maar doordat niet lang daarna de Spaansche legermacht Noord-Holland geheel had afgesloten, Middel-Holland geheel had bezet, en zich ook in de buurt van Dordrecht had doen gelden (o.a door den predikant van Leerdam, die ook naar de Dordtsche Synode was afgevaardigd, gevangen te nemen en op te hangen), hadden de Noord-Hollandsche deputaten de reeds aangevangen reis niet kunnen voortzetten. Hiervan hadden zij aan de Synode een uitvoerig en gemotiveerd bericht gezonden, met bijvoeging: „Wij erbieden ons altyt na beter gelegentheyt geerne te comen ende wy vertrouwen den b. wel toe dat zij christelyck menen te handelen na den regel der Ch. vryheyt, gelyck men alle Adiaphora [d.i. middelmatige dingen] behoort te verhandelen tot gemene stichtingen. Den welcken, so gedaen zynde wy ons oock geerne onderwerpen. Ende hyer van b. sullen wy metten eersten u.l. andtwoordt verwachten”. En de Dordtsche Synode had toen „besloten dat men hun wederomme sal schryuen dat hare ontschuldiginghe van ons aenghenomen is. Men sal hun oock d’ Acten seynden ende bidden datse deseluighe in haren ghemeynten in ’t wercke stellen. Oock onsen dienst ende hulpe aenbieden, om iemanden aen hun te schicken,

|5e|

die hun in d’ opschickinge harer kercken helpen mochten, soo onse hulp begheerden („Acta van de Nederlandsche Synoden der 16de eeuw”, blz. 169; vergel. met den brief uit Noord-Holland, die aldaar is afgedrukt blz. 193 vg.). In het algemeen nu is aan dat verlangen der Dortsche Synode in Noord-Holland voldaan. Maar bij enkele artikelen harer Acta had de bovengenoemde Edamsche Synode bedenking.En zoo werd daar o.a. besloten (art. 2: „Acte der Provinciale en Particuliere Synoden”, Dl. I, blz. 26) : „Van die continuatie der ouderlingen ende diaconen. Tegens den 31 artickel des Suydthollantschen synodi is geseyt, dat men die continuatie der ouderlingen ende diaconen behouden sal, zooverre daer geen occasie om eenige te amoveren bevonden werde, hetwelcke bij die consistorien, alswaer sulx geschiet, geoordeelt sal worden”.

Twee jaren later was er in Noord-Holland blijkbaar aanleiding, om dit punt nog eens aan de orde te stellen; en toen werd op de Particuliere Synode van Hoorn in April 1576 wederom besloten (art. 8; a.w. blz. 40): „Van die continuatie der ouderlingen ende diaconen. Ten achtsten is daer besloten by die algemeyne broederen, dat die ouderlingen ende diaconen in haeren dienst gecontinueert zullen worden, ter tyt toe eenige opspraecke daerover soude moegen coemen ende int provinciale synodo anders bevonden zal worden”.

Desgelijks, hoewel minder positief, op de Particuliere Synode van Enkhuizen in April 1578 (art. 13; a.w. blz. 52) : „Van die jaerlycsche veranderinge der ouderlingen, lyckprekingen ende onordentlyck trouwen. Ten dertiensten op het voergeven Clementis Martini, dienaer des woerts tot Hoorn, van die jaerlycxsche veranderingen der ouderlingen ende dyakenen, van die lyckpredicatie ende onordentlyck trouwen, is geantwoert sulckes alles in synodo nationali sal afgehandelt wordden, daer een yegelyck classis in zyne byeencompst mach in zulcker voege van spreecken, als int artyckel hierboven uytgedruckt is” (n.l. in art. 1, dat handelt over het gereedmaken der gravamina voor de Nationale Synode van Juni 1578).

Toen in datzelfde jaar de Nationale Dordtsche Synode de periodieke aftreding had gehandhaafd, werd de uitzondering, waarvoor die Synode vrijheid had gelaten, op eene nog al zonderlinge wijze in Noord-Holland opgevat, en werd dienovereenkomstig op de Particuliere Synode van Amsterdam in September 1578 besloten (art. 7; a.w., blz. 56): „Aengaende het dertiende artyckel nationalis synodi Dordracensis ter plaetse van de beroepingen der dienaeren is by den broederen besloten is, dat, alzoo die continuatien ende vergaerderinge [lees: „veranderinge”, gelijk één handschrift ook heeft] van den ouderlingen ende diaconen in vryheyt is gestelt om daerinne te moegen naer gelegentheyt der gemeynten ende stichtingen vryelyck te handelen, dat die gemeynte alhier in desen quartier haer ouderlingen ende diaconen geduerichlycken [d.i. voortdurend] zonder veranderinge zullen houden, behoudelycken dat die kercke van Amsterdam in dese haer vryheyt sal hebben” (n.l. om te blijven bij de aldaar aanstonds ingevoerde periodieke aftreding).

En toen drie jaren later de Nationale Middelburgsche Synode de periodieke aftreding wederom bestendigd had, en de uitzondering zóó had geformuleerd, dat misverstand nu niet wel mogelijk was, geschiedde wel op de Particuliere Synode van Alkmaar in October 1581, wat in hare Acta aldus vermeld wordt (art. 17; a.w., blz. 87): „Is hiernae van den preside voergestelt, dat alle die dienaers des woerts ende ouderlingen tot bevestinghe der eendrachticheyt de acta synodalia des nationalis synodi behooren te onderteeckenen. Twelck voer goet bekent ende oyck alzoo geschiet is”. Maar toch komt nog voor in de Acta der Particuliere Synode van Hoorn in Mei 1584 (art. 4; a.w., blz. 126): „Tot versoeck der kercke Christi van Alcmaer om geresolveert te wordden, oft die ouderlingen ende diaconen der gemeenten continuelycken in haere diensten zullen blyven nae inhout van den synode, anno 78 binnen Amsterdam gehouden, dan oft zy volgens synodum Middelburgensem zullen moegen verandert wordden. is geresolveert, dat men die continuatie sal houden ende voerderen, daer se noch int gebruyck is, ende dat geen classis noch kerke, daaronder sorterende ende by den gebruyck zynde, tzelve gebruyck nyet en zal moegen veranderen sonder advys van den particulieren synoden ende dat vuyt crachte van onderwerpinge, in denselven synode tot Amsterdam gedaen”.

Uit dit laatste besluit laat zich echter opmaken, dat toen bij de kerken in Noord-Holland de „continuatie" reeds niet meer de regel was. Dwang is er te dien aanzien zeker niet op haar uitgeoefend. Daarvan is bij de andere Nederlandsche kerken zelfs nooit sprake geweest; ook niet op hare Generale Synoden. Deze hebben eenvoudig geduld geoefend, in de overtuiging, dat men in Noord-Holland zelf de zaak wel allengs anders zou gaan inzien. En ten slotte is dit laatste dan ook geschied. Toen de Nationale Haagsche Synode van 1586 het artikel der Kerkenordening over de aftreding van ouderlingen en diakenen geheel onveranderd gelaten had, hebben de Noord-Hollandsche kerken, op hare Particuliere Synode van Alkmaar in Mei 1587, hare vroegere besluiten door het volgende vervangen (art. 7; a.w. blz. 142): „Op die laetste vraege deses voorschreeven classis (nl. die van Alkmaar), oft die ouderlingen ende diaconen sullen voortaen geduirichlick (d.i. voortdurend) dienen oft ter contrarie alle jaer in het halve deel verandert ende andere in die plaetse gestelt sullen worden, is besloten, dat die kercken hierinne sullen naekomen den 25 artickel des generalen synodi in ’s Gravenhage, vermeldende dat het halve deel der ouderlingen ende diaconen alle jaer sal verandert worden, ten waere die gelegentheit ende profyt der

|6a|

kercken andere vereischeden”. En daarna schijnt er in Noord-Holland op dit punt geen noemenswaard verschil meer te zijn voorgekomen.

 

Daarentegen is eene andere uitzondering op den algemeenen regel van de Nederlandsche Gereformeerde kerken tot de 19de eeuw blijven voortduren; nl. bij de Gereformeerde kerk der stad Groningen.

Te dien aanzien vermeldt W.A. Bachiene in zijne „Kerkelijke geographie der Vereenigde Nederlanden” (Vierde Stuk, blz. 85):

„De ouderlingen (der stad Groningen) bestaan uit driërlij Standspersonen: naamlijk, vier uit Burgemeesters en Raadsheeren der Stad; vier uit de Geleerden, welke zijn, ’t zij Professoren der Akademie, ’t zij Gepromoveerden, tot de eene of andere Fakulteit; en, eindelijk, acht uit de Borgerij. En deze ouderlingen blijven in die bediening volharden, voor hun gansche leven; dus, geene nieuwe beroepinge geschied, dan door een tusschen komend sterfgeval, vertrek of dergelijk.
De diakenen (waartoe men gemeenlijk geene andere dan gehuwde persoonen, verkiest) volharden 4 jaren in dezen dienst en zij, die hunne jaren uitgediend hebben, zijn niet meer tot den diakendienst verkiesbaar: gelijk ook de diakonie-order geene vrijheid daartoe geeft; luidende: „Die tot diakenen verkoren worden, zullen hetzelve Ampt bedienen vier jaren; en niet meer”.”

Bij die kerk was zoodanige regeling van de overheid afkomstig. En het is er mede gegaan, als met andere soortgelijke regelingen, waarin de kerk der stad Groningen van de andere kerken onderscheiden was. Daar de kerk hierin van de overheid niet vrij was, en pogingen tot verandering toch wel niet gelukt zouden zijn, en die afwijkingen op zichzelf de kerk nog niet misvormden, heeft men ze aanvaard en eenvoudig laten voortbestaan.

F.L. Rutgers.