nr. 944
26-01-1896

|3a|

De bepaling van den diensttijd der ouderlingen historisch eenigszins toegelicht

I.

 

Met betrekking tot den diensttijd, waarvoor ouderlingen benoemd worden, heeft de Kerkenordening der Nederlandsche Gereformeerde Kerken de aan ieder bekende bepaling (in de thans nog geldende redactie art. 27): „De ouderlingen en diakenen zullen twee jaren dienen, en alle jaar zal het halve deel veranderd en anderen in de

|3b|

plaats gesteld worden, ten ware dat de gelegenheid en het profijt van eenige Kerken anders vereischte”.

Over deze bepaling is in den laatsten tijd bij herhaling gehandeld, in kerkelijke bladen en ook op kerkelijke samenkomsten. Daarbij is, gelijk in den aard der zaak ligt, vooral de geschiedenis van zoodanige tijdsbepaling ter sprake gekomen. En naar aanleiding van die historische beschouwingen krijgt nu de ondergeteekende herhaaldelijk brieven, waarin hem gevraagd wordt: 1º. of het waar is, gelijk beweerd wordt, dat de Kerk van Genève in den tijd van Calvijn zulke periodieke aftreding niet kende, maar integendeel voor ouderlingen, evenals voor predikanten, een levenslangen dienst bepaald had; en 2º. hoe onze Nederlandsche Gereformeerde Kerken aan zulke periodieke aftreding gekomen zijn, en of daarover in die Kerken ook reeds vroeger wel eens gehandeld is.

Daar nu deze vragen wel wat veelomvattend zijn, om aan een aantal correspondenten afzonderlijk beantwoord te worden, schiet er wel niet anders over, dan hun allen een gemeenschappelijk antwoord te doen toekomen, en daarvoor de tusschenkomst van de Heraut in te roepen.

Niet, om door zulke openbare behandeling te bevorderen, dat aan de vele gewichtige quaestiën, die in onze Kerken thans aanhangig zijn, ook nog dit, betrekkelijk minder gewichtige, punt worde toegevoegd. Eerder, om zulks zooveel mogelijk te helpen voorkomen. En voorts, omdat altijd zaak ik, wanneer bij eenige quaestie de geschiedenis wordt te hulp geroepen, dat men zooveel mogelijk afga, niet op onvolledige en onjuiste voorlichting, of op voorstellingen waaraan geen genoegzaam onderzoek ten grondslag ligt, maar op de gegevens en berichten van de bronnen zelve, voor zooveel die thans voor ieder geopend zijn.

 

Aanleiding, om te waarschuwen tegen onjuiste voorstellingen, is er wel inzonderheid met betrekking tot de eerste vraag.

Het gevoelen van Calvijn, den geestelijken vader van bijna alle Gereformeerde belijdenissen en kerkenordeningen, en het voorbeeld van de Kerk, op wier inrichting hij een overwegenden invloed had, hebben in Gereformeerde Kerken terecht altijd veel gewicht in de schaal gelegd. Het is dan ook alleszins begrijpelijk, dat men zich daarop gaarne beroept. Maar ten aanzien van het hier bedoelde punt kan dit zeker niet geschieden door degenen, die eene periodieke aftreding van ouderlingen afkeuren.

Het zou inderdaad ook vreemd zijn, wanneer dit van Calvijn en van de Kerk, waaraan hij verbonden was, moest worden aangenomen.

Eenigszins reeds zou dit vreemd zijn, omdat destijds in Genève op burgerlijk gebied aan ambten en bedieningen in het algemeen slechts een tijdelijk karakter werd toegekend. Op zichzelf kan een ambt natuurlijk evengoed levenslang als tijdelijk zijn. Dat hangt af van den inhoud der opdracht. In Genève nu had men voor de Overheid deze regeling, dat in alle colleges en voor alle ambten vaste jaarlijksche aftreding was. En zoo lag het meest voor de hand, die ook voor den dienst der ouderlingen aan te nemen; vooral omdat, door de te Genève bestaande betrekking tusschen Kerk en Staat, de benoeming van ouderlingen, althans nominaal en formeel, door een zelf telkens wisselend Overheidscollege geschiedde.

Nog een ander feit, dat niet minder bekend is, mag hier ook in aanmerking komen. Op de kerken, die in Frankrijk en in Nederland tot reformatie kwamen en zich als Gereformeerde kerken constitueerden, heeft Calvijn een overwegenden, bijna onbeperkten, invloed geoefend; deels persoonlijk en rechtstreeks, deels door middel van zijne leerlingen. En nu hebben juist die Kerken (gelijk trouwens ook in andere landen wel geschiedde) van den aanvang af in hare kerkenordeningen opgenomen, dat de dienst van ouderlingen niet voortdurend zijn zou, maar met vaste jaarlijksche aftreding. Dit zou wel onverklaarbaar zijn, wanneer Calvijn zelf van een ander gevoelen geweest was, en wanneer de Kerk van Genève een geheel ander voorbeeld had gegeven.

En, om nog iets te noemen, het is evenzeer van algemeene bekendheid, dat Calvijn voortdurend gestreden heeft tegen alle hierarchie en clericalisme. Hij heeft telkens in het licht gesteld, hoe de oude Christelijke Kerk door de werking van dien zuurdeesem was bedorven. Hij heeft de Gereformeerde Kerken gedurig tegen dat gevaar gewaarschuwd. En hij heeft ook in Genève zelf gedaan wat in zijn vermogen was, om het recht der gemeente te handhaven en om haar tegen overheersching van menschen te beveiligen. Daarmede nu zou wel niet te rijmen zijn, dat hij de periodieke aftreding van ouderlingen, het beste en misschien noodzakelijke middel tegen wederinsluiping van clericalisme, zou hebben ter zijde gesteld of zelfs afgekeurd.

Intusschen, we hebben deze en dergelijke overwegingen hier niet eens noodig; want er is ook rechtstreeksch getuigenis. En dan een getuigenis, dat zóó duidelijk is en ook zóó bekend, dat er over het bedoelde punt eigenlijk zelfs geen quaestie of verschil bestaan kan.

Immers, deze zaak was geregeld in de kerkenordening, die in het najaar van 1541, terstond na Calvijns terugkeur uit de ballingschap, op zijn voorstel en met zijn advies voor de Kerk van Genève was vastgesteld (gedrukt o.a. in de compleete, d.i. in de Brunswijksche uitgave van Calvijns Werken, Vol. X, pagg. 15 vgg.). En die regeling van den diensttijd der ouderlingen was van dezen inhoud (a.w., blz. 23): „Au bout de lan, apres avour esleu le conseil, quilz se presentent a la seygneurie, affin quilz regardent silz les debveront continuer ou changer. Combien quil ne seroit expedient de les

|3c|

changer souvent sans cause, quand jlz se acquiteront de leur debvoir fidellement”; d.i : „Als het jaar om is na de Raadsverkiezing [d.i. nadat de overheidscolleges door de periodieke aftreding en door de volkskeuzen vernieuwd zijn], zullen de ouderlingen voor de Overheid verschijnen, opdat deze beoordeele [nl. met advies der predikanten], of men hen zal continueeren of door anderen doen vervangen. Hoewel het niet dienstig zijn zou, hen dikwijls zonder reden te doen vervangen, wanneer zij zich getrouwelijk van hunnen plicht kwijten”. Bij de eerste instelling van eenen kerkeraad werd dit zoo bepaald. En bij de herziening en uitbreiding van de kerkenordening in 1560 en 1561 werd dit artikel onveranderd, zelfs woordelijk, overgenomen (a.w. blz. 101).

In Genève was de zaak dus zóó geregeld, dat, evenals de Overheidspersonen, zoo ook de 12 ouderlingen ieder jaar, in Februari, benoemd werden, en dan telkens voor den tijd van één jaar, na welks afloop hun mandaat weder ter beschikking was. Dus eene vaste jaarlijksche aftreding. En natuurlijk wordt dit feit niet veranderd, of zelfs ongedaan gemaakt, door de omstandigheid, dat ouderlingen, die goed gediend hadden (hetgeen destijds in Genève nog al wat inhield), konden gecontinueerd worden, noch ook door de bijvoeging, dat het niet goed zou zijn, hen dan toch maar altijd door anderen te vervangen. In Gereformeerde Kerken is wel altijd en door ieder erkend, dat het niet geraden is, allerminst in groote Kerken, telkens, en zelfs ieder jaar, een geheel nieuw stel ouderlingen te doen optreden. Maar in die erkenning kan natuurlijk nooit zijn opgesloten, dat men dus in het geheel geene periodieke aftreding aanneemt. En dit wordt zelfs ganschelijk uitgesloten, wanneer zulke aftreding tevens genoemd wordt, en zelfs duidelijk en uitdrukkelijk wordt bepaald. Om het nog eens op te helderen met een voorbeeld uit den tegenwoordigen tijd: wanneer iemand thans een ambt heeft, dat een tijdelijk karakter draagt, b.v. dat van burgemeester of van ouderling, dan zal dikwijls wenschelijk zijn, dat hij, als zijn diensttijd om is, herbenoemd of gecontinueerd worde; maar al zou dit ook telkens geschieden, de bepaling van aftreding is dan daardoor toch niet weggevallen; ook al zou hij metterdaad zijn geheele leven dienen, hij was toch benoemd voor een dienst, die niet levenslang was, maar waarvan de opdracht geschiedde voor den van tevoren bepaalden tijd.

Vraagt men, hoe het dan toch mogelijk is, dat men aan de Gereformeerde Kerkenordening juist het tegendeel toeschrijft van hetgeen er uitdrukkelijk in staat, dan is de verklaring van dit verschijnsel denkelijk hierin te vinden, dat men voor de geschiedenis van de inrichting der Gereformeerde Kerken wel eens wat te veel afgaat op het bekende werk van Dr. G.V. Lechler, „Geschichte der Presbyteral- und Synodalverfassung seit der Reformation” (in 1854 verschenen als bekroond antwoord op eene prijsvraag van „het Haagsche Genootschap tot verdediging van den Christelijken godsdienst”). Een boek, waaruit zonder twijfel veel is te leeren, maar dat, zooals ieder die den schrijver wel eens gecontroleerd heeft bij ervaring weet, toch volstrekt niet kan beschouwd en behandeld worden alsof het in alle opzichten een betrouwbare gids was. Het geeft zeker heel wat meer, dan men van een Duitscher, uit de Luthersche Kerk, kon verwachten. Maar wie zelf Gereformeerd is, kan toch de Gereformeerde Kerken vaak beter begrijpen. En voorts zijn de laatste vijftig jaren juist bijzonder vruchtbaar geweest voor historische studiën, ook met name voor de geschiedenis der Gereformeerde Kerken; zoodat veel, dat Lechler nog niet weten kon daar het in archieven verborgen was, thans van algemeene bekendheid is geworden.

Lechler nu begint wel, met goed op te geven wat de bepaling was der Geneefsche Kerkenordening (blz. 43), maar concludeert daaruit dan aanstonds: „somit ist nicht Wechsel, sondern Lebenslänglichkeit die Regel”; en na dit later nog eens herhaald te hebben (blz. 48), wordt in het dan volgende van die mogelijke wisseling niet eens meer gesproken, en in de quaestie van „Lebenslänglichkeit” of „Nichtlebenslänglichkeit der Aeltesten” Calvijn en Genève geheel en beslist aan de zijde der voorstanders der „Lebenslänglichkeit” geplaatst (blz. 61, 101, 152). Het is deze voorstelling, die door velen eenvoudig is overgenomen, en waaruit ook nu nog veel misverstand volgt.

Dat zij gansch onjuist is, moest eigenlijk reeds in het oog vallen, door de eigen bepaling der Geneefsche Kerkenordening. Maar in onzen tijd heeft men nog veel meer, nu in de compleete uitgave van Calvijns werken een groot gedeelte van de notulen der Geneefsche Overheidscolleges is uitgegeven (Vol. XXXI, pag. 181 vgg.), en nu ieder daaruit zien kan, hoe de genoemde bepaling bedoeld was en toegepast werd. Volgens het onwraakbaar getuigenis van die notulen was het waarlijk niet de regel, dat wie eenmaal tot ouderling gekozen was, als zoodanig eenvoudig in dienst bleef. Dat geschiedde zelfs nooit. Jaar op jaar werd de bepaling over aftreding en benoeming van ouderlingen stiptelijk in practijk gebracht. En de wijze, waarop men daarbij te werk ging, was zelfs even formeel en even plechtig, als bij de verkiezing van burgemeesters enz. gebruikelijk was. Aan de laatstgenoemde verkiezingen ging altijd vooraf, dat Calvijn werd uitgenoodigd en toegelaten, eerst in den kleinen Raad, een paar dagen later in den Raad der Tweehonderd, en wederom een paar dagen later in den Algemeenen Raad (de volksvergadering van alle burgers), om in alle die vergaderingen, met het oog op de aanstaande verkiezingen, eene „exhortation” of religieus-politieke toespraak te houden. En wanneer dan die verkiezingen waren

|3d|

afgeloopen, moest hij nog eenmaal in den Raad verschijnen, om de benoeming van ouderlingen wederom in te leiden door eene daarop toepasselijke vermaning. Hierop volgde de benoeming zelve. En deze bestond dan, deels in continuatie, wederom voor den tijd van één jaar, (waarbij zeker wel nooit is voorgekomen, dat allen zonder onderscheid gecontinueerd werden), deels in vervanging van de aftredenden door nieuw-gekozenen. In de laatste jaren van Calvijns werkzaamheid, toen er in Genève eindelijk eene overheid was, die hem niet meer zooveel mogelijk tegenwerkte, heeft hij te dien aanzien nog gedaan gekregen, dat er voor de benoeming der ouderlingen ruimer keuze zou zijn, dat de gezamenlijke predikanten ieder jaar over die benoeming zouden adviseeren, en dat zelfs eene voordracht door hen zou gedaan worden van de broeders, wier verkiezing zij wenschelijk achtten.

Ten bewijze volgen hier eenige uittreksels uit de bovenbedoelde „Régistres du Conseil”. Zij zijn wel wat lang om ze alle te vertalen; maar voor velen zal het Fransch wel geen bezwaar opleveren; en de hoofdinhoud is ook in het bovenstaande reeds vermeld.

„Jeudi 11 Février 1552. Par lorgane de M. Calvin sont faictes remonstrances de avoyr bon advis sus lelection des Sgrs. assistans au Consistoire. Est a este advise et faicte election des Sgrs. du consistoire: oultre ceux du conseil ordinaire de lannee passee qui sont demores sont esluez: le Sr. Sindique Philippin, Claude de Letra”, enz. (in het geheel 12 namen),

„Mercredi 12 Février 1556. Election des Srs. auditeurs du consistoire. Icy suyvant la coustume est appelle M. Calvin pour suyvre a lelection du consistoire, lequel a fait bon raport des Seigneurs qui y sont este lannee passee, requerant totesfois en procedant a lelection avoir regard a ceux que ayent la crainte du seigneur pour ediffier tousiours de plus en plus: parquoy est suyvy et procede (Sont élus le Syndic Migerandi et douze autres membres. L'élection est ratifiée le lendemain par les Deux-cents).

„Jeudi 11 Février 1557. Icy suyvant la coustume a este ouy M. Calvin es remonstrances sainctes faictes pour lelection quest a faire du Consistoire et notamment que dautant le gouvernement de ceste cite despend de Dieu que aussi on advise quil soit honore et pource que le Consistoire est pour reprendre et veiler sur les vices que on aye regard a choisir gens de bonne vie creignans Dieu affin quilz soient exemple aux autres et soient tant plus voluntaires a faire honorer Dieu. Quant a ceux de lannee passee que on ne sen pourroit pas autrement plaindre: toteffois quil seroit a desirer que le tout allast tousiours mieux. Parquoy conclut que on advise que ceux qui seront esleus souient qualifiez comme il a dit affin que Dieu notre protecteur soit honore.

„Mardi 8 Février 1558. Election du Consistoire. Icy est entre le Sr. Calvin en ses chrestiennes remonstrances de bien proveoir en ceste audience etc.

„Mardi 30 Janvier 1560. Calvin et Viret ministres . . . . ont propose quil y a plusieurs gens de bien qui desireroient que la poliice ecclesiastique tochant le Consistoire soit mieux separee de la iuridiction temporelle comme au temps de lancienne eglise il en estoit: mesme que autrefois au commencement de la reformation on ne lentendoit pas ainsi comme aussi les edictz ne le portent pas expressement: parquoy puis quil se faut confermere plus prez quon peult de chrestiente il seroit bon de suyvre de plus prez les traces de sa parolle et ainsin quil ne fut pas restreint aux citoiens mais quon eslise ceux qui seront les propres de leglise veu que ce ne sont offices questueux ny de pratique, [d.i. aangezien het ouderlingschap niet behoort tot de ambten, die gesalarieerd worden of die iemands beroep of bedrijf zijn]. Au reste il y a une chose contenue au editz qui ne sobserve pas cest quon doibve appeller et comminiquer avec les ministres et toteffois au lieu de cela on lappelle luy (Calvin) tout seul comme sil estoit les ministres. Aussi seroit bon quil y heubt ung poinct des editz que les ministres par bon advys presentassent ceux quon voudroit eslire lesquelz Messieurs pourroient reveoir et seroit sans estre preiudique a la liberte de Messieurs . . . . A este arreste quon leur demande lesdictes chotes par escript affin quon y puisse tant mieux adviser sil est possible ceste semaine.

Jeudi 1 Février 1560. Editz de reformation du Consistoire. Icy a este advise sus la proposite et requeste dernierement faite par les ministres tochant la reformation du consistoire et iuridiction ecclesiastique. Et premierement sus le premier point par eulx requys cest que en lelection du consistoire on ayt liberte deslire de tout le conseil des deux cens sans distinction des citoyens et bourgeois: veu mesmement que quant on voudroit suyvre la parolle de Dieu il faudroit avoir liberte deslire de tout le peuple les plus propres: A este arrestepuis que ledit duquel a este icy faite lecture porte que lesdits anciens soient choisis de tout le conseil des deux cens que cela soit pratique sans distinetion des citoyens aux bourgeois veu aussi quelle nest pas faite es editz. Et quant a ce quilz ont requys dadviser que le Sr. Sindique qui est la y soit tellement que la iuridiction temporelle soit distinguee davec la spirituelle: veu aussi que les editz nen font point mention quil doibve presider ou tenir iuridiction a este arreste que on le pratique ainsin tellement que le Sindique qui y sera ne porte pas son bas ton mais soit comme ung des autres anciens. Sus ce quilz ont requys que en lelection quant elle se fera soient appellez tous les ministres comme le portent les editz: Arreste puys que ledit le porte quil soit aussi ainsin pratique. Quant a ce quilz ont requys

|3e|

pratiquer que les ministres esleus soient proposez an peuple et annuncez affin que sil y a quelcung qui y puise contredire ou arguer lesleu dincapacite quil soit ouy: a este arreste que cella soit fait. Quant a ce quilz ont requys que tout ainsin que lesdits ministres seront presentez au peuple que le semblable soit fait des anciens du consistoire affin que si quelcung les peut arguer dincapacite le face aussi: Arreste que il soit fait aussi et mys en deux cens et si le deux cens ne le veut passer quon y appelle les ministres pour les ouyr”.

Uit dit alles blijkt wel duidelijk, hoe het in Genève toeging. Alleen zou men nu ten slotte nog kunnen vragen, of niet mogelijk is, dat zulke periodieke aftreding en verkiezing van ouderlingen toch eigenlijk door Calvijn niet is goedgekeurd; of niet mogelijk is, dat hij te dien aanzien om des vredes wille aan anderen wat heeft toegegeven, en dat hij er eigenlijk zelf anders over dacht. Op zichzelf nu zou dit zeker zeer mogelijk zijn. In de kerk van Genève was menige regeling, die Calvijn, zoo het slechts aan hem gestaan had, geheel anders zou gemaakt hebben. Hij was onverzettelijk op het stuk van beginselen, en wanneer de eere Gods bij de zaak betrokken was; maar wanneer Gods Woord hem niet dwong, kon hij toegeven, en verdraagzaam zijn, en geduld nebben. Waar hij misstanden zag, die het fundament niet raakten, en die moeielijk opeens konden worden weggenomen, wachtte hij zich wel, om dan daarvoor de geheele kerk in gevaar te stellen; zachtjes aan leidde hij dan tot verbetering, door getuigenis, onderwijs en betoog; en inmiddels schikte hij zich naar anderen. Intusschen, in zulke gevallen blijkt dan ook wel iets van zijn eigen gevoelen; vooral omdat hij heel wat geschreven heeft: in de uitgave zijner werken, die nu bijna voltooid is, zal het bijna zestig deelen in quarto zijn. En nu heeft hij nergens getoond, tegen de bedoelde regeling in de kerk van Genève bezwaren te hebben. Ook is, gelijk reeds boven vermeld werd, in de Gereformeerde kerken, die onder zijne leiding in Frankrijk en elders zich constitueerden, periodieke aftreding van ouderlingen aanstonds aangenomen. En wat op zichzelf reeds afdoende is, hij heeft deze in Genève bestaande regeling ook opzettelijk en uitdrukkelijk aan anderen ten voorbeeld gesteld. Zoo b.v. in een brief aan den bekenden Calvinistischen Hervormer Caspar Olevianus, d.d. 5 November 1560, in welken hij dezen zijnen leerling, die hem inzake kerkinrichting om raad gevraagd had, voor dit punt, evenals voor andere, de Geneefsche regeling voorstelde en aanbeval.

De regeling, die in art. 27 onzer Kerkenordening voorkomt, is dus zonder twijfel van Calvijn en Genève afkomstig. En er is slechts dit onderscheid, dat men in Genève wat meer nadruk legde op het herbenoemen van geschikte ouderlingen, en dat in de Nederlandsche kerken het tijdelijke der benoeming op den voorgrond stond. Maar dit kleine onderscheid is slechts bijzaak. Te meer, omdat het geheel uit de omstandigheden te verklaren is; hieruit n.l., dat in Genève de diensttijd slechts één enkel jaar was, terwijl men bovendien op burgerlijk gebied aan jaarlijksche verandering gewoon was, en dat hier te lande de diensttijd langer was, terwijl men op burgerlijk gebied veel minder wisseling had.

Met dit resultaat is de zaak nu zeer zeker nog volstrekt niet beslist. Calvijn en de zijnen hebben een gebruik, waarvan tot op zekere hoogte kon gezegd worden, dat het de oudheid voor zich had, door een ander vervangen; en datzelfde kan natuurlijk later met de Calvinistische regeling ook weer geschieden. Maar dan niet zonder gewichtige redenen. Wie op eenig punt van reformatie van Calvijn verschilt, mag wel eerst beginnen, met zichzelven te wantrouwen. En voorts, wie zich op hem beroept, legde het gewicht van zijn naam niet in de verkeerde, maar in de rechte schaal.

F.L. Rutgers.