nr. 882
18-11-1894

|2c|

Amsterdam, 16 November 1894

 

Doop van kinderen, die de eerste kindsheid reeds ontwassen zijn

 

Onder de quaesties, waarvoor kerkeraden telkens gesteld worden, en waarbij zij dan toch vaak eenigszins onzeker zijn over de te nemen beslissing, behoort ook de vraag: hoe te handelen, wanneer de H. Doop gevraagd wordt voor kinderen, die nog geenszins als geheel volwassen te beschouwen zijn, maar die toch ook niet meer tot de kinderkens kunnen gerekend worden.

Niet alleen in groote, maar ook in kleine kerken, nu hier dan daar, doet zich het bedoelde geval telkens voor; b.v. wanneer een Doopsgezind huisgezin zich bij de Gereformeerde kerk komt aansluiten, of wanneer de ouders met betrekking tot den Doop vroeger Doopersche gevoelens waren toegedaan, of wanneer zij langen tijd weinig gelegenheid hadden om eene zuivere Doopsbediening te verkrijgen, of wanneer tot dusver door onverschilligheid, achteloosheid enz. de aanbieding tot den Doop was verzuimd. En dat dan vaak de beslissing niet gemakkelijk geacht wordt, blijkt genoegzaam uit het aantal gevallen, waarin dan advies wordt gevraagd.

Natuurlijk is er geenerlei moeielijkheid of bezwaar, wanneer de ongedoopte reeds geheel volwassen is. Ieder weet, dat alsdan de leeftijd geheel onverschillig is, en dat voor de toelating tot den Doop wordt vereischt: eene voldoende geloofsbelijdenis met kerkelijke stipulatie, en een met die belijdenis overeenstemmende levenswandel. En twijfel is er ook niet, wanneer men te doen heeft met kinderen, die nog betrekkelijk klein zijn, b.v. beneden de 6 à 7 jaar. Ieder begrijpt wel, dat dezulken dan nog geheel als kinderkens te behandelen zijn.

Kan dit laatste echter ook nog, wanneer de kinderen reeds ouder zijn? En tot welken leeftijd kan er dan nog sprake zijn van kinderdoop? En zou ongeoorloofd zijn, een Doop te bedienen, die eenerzijds niet meer een kinderdoop is, maar wel degelijk door eenige geloofsbelijdenis wordt voorafgegaan, en die anderzijds toch nog niet medebrengt, dat men reeds in de volle gemeenschap der kerk wordt opgenomen, met alle de daaraan verbonden verplichtingen en bevoegdheden.

 

De omstandigheden, die in onzen tijd tot deze vragen aanleiding geven, waren, zooals licht te begrijpen is, ook in vroeger eeuwen gedurig aanwezig. Daardoor heeft men met die vragen reeds vanouds te doen gehad; ook in de Gereformeerde kerken hier te lande. In de zestiende eeuw was er, evenals thans nog, velerlei Doopersche neiging; en er was ook wel onverschilligheid, die den Doop deed verwaarloozen. En terzelfder tijd, althans sedert de Gereformeerde kerken, met uitsluiting van alle andere, door de overheid erkend werden, was er nog meer reden dan thans, om toch later den Doop nog te vragen, vooral omdat een ongedoopte niet tot de gewone huwelijksbevestiging kon worden toegelaten. De genoemde vragen moesten dus wel telkens voorkomen. En omdat er eenheid van belijden was, kon het wel niet anders, of er moest ook overeenstemming komen in de kerkelijke practijk.

Op één punt is zelfs van den aanvang af bijna in het geheel geen verschil geweest, nl. in de bepaling van den leeftijd, boven welken geen kinderdoop meer bestaan kan. Wanneer van dien leeftijd sprake is, dan wordt daarvoor altijd het 15e levensjaar aangegeven. Bij sommige kinderen, die bijzonder ontwikkeld waren, werd de grens wel eens vroeger gesteld; maar later toch nooit.

Dat men op dit punt zoo eenstemmig was, is ook zeker geen wonder. Men deed eigenlijk niet anders, dan eene overoude kerkelijke usantie bestendigen. En die usantie was geheel in overeenstemming met hetgeen de natuur zelve aanwijst, en met hetgeen op burgerlijk en maatschappelijk gebied reeds sedert vele eeuwen als recht gegolden had. Algemeen was aangenomen, dat de kindsheid duurt tot het 7e levensjaar; daarna de onmondigheid tot het 14e; maar dat dan het tijdperk komt van de mondigheid (die natuurlijk van de meerderjarigheid wel te onderscheiden is).

Daaruit volgt nu wel niet, wat men in de zestiende eeuw er uit afleidde en wat in de Luthersche kerk ook thans nog geldt: nl. dat bij de kinderen der gemeente de geloofsbelijdenis en de daaraan verbonden toelating tot het H. Avondmaal met het 15e levensjaar moet geschied zijn. Ook al is er veel, waardoor die practijk wordt aanbevolen, als een algemeene regel kan zij toch wel niet gesteld worden; en de oudste kerkenordening, die voor Nederlandsche Gereformeerden gemaakt is, ging zeer zeker te ver, toen zij met betrekking tot kinderen, die op hun 15e jaar nog niet tot het Avondmaal waren toegelaten, kerkelijke censuur noodzakelijk achtte. Maar wel moet erkend worden, dat alsdan de leeftijd op zichzelf de geloofsbelijdenis niet onmogelijk maakt. Men heeft dan niet meer te doen met „jonge kinderen”, die als zoodanig uit den aard der zaak „deze dingen niet verstaan”. En dus kan de kerk hen alsdan tot den Doop slechts toelaten op dezelfde wijze waarop in het algemeen volwassenen worden aangenomen.

 

Met betrekking tot dit laatste kan nu echter gevraagd worden, of zoodanige toelating tot den Doop ook tevens eene toelating is tot het Avondmaal, en of dus die

|2d|

gedoopten ook geroepen zijn daaraan deel te nemen.

Op dit punt was er na de Reformatie in het eerst nog wel eenige onzekerheid, althans bij de kerken in Holland. Zeker wel het meest ten gevolge der omstandigheid, dat de Doop vaak gevraagd werd, ook door dezulken die tot het Avondmaal niet wilden of niet konden worden toegelaten, en dat weigering van den Doop dan tevens de gewone huwelijksbevestiging onmogelijk zou maken. Althans, het was altijd in verband met die huwelijksbevestiging, dat de quaestie aan de orde kwam, en de kerken voelden zich dan blijkbaar niet geheel vrij om te weigeren. En misschien werkte ook wel mede, dat men gaarne geheel Holland Gereformeerd wilde maken, en dus (om het zoo eens uit te drukken) een voorportaal van de kerk wilde openstellen voor degenen die in haar binnenste nog niet komen konden.

Daaruit verklaren zich onderscheiden besluiten, die in de zestiende eeuw door Particuliere Synoden van Noord- en Zuid-Holland genomen zijn; als namelijk:

„Wert gevraecht, oft yemant, die tot zynen jaeren gecoemen is, den cristelycken doop versoeckende, doch en can hem der cristelycke discipline noch nyet onderwerpen noch totten heyligen avontmael begeven, moegen totten doop toegelaeten worden. Wert geantwoort in genere, dat wanneer yemant waere, die den heyligen doop van herten, sonder superstitie begeert ende bekent die leere voor recht, wert oyck bevonden eenes stichtelycken wandels, dat men soedanigen den doop nyet sal weygeren, al ist dat hy uyt swacheyt het gebruyck des nachtmaels noch nyet can beloven noch hem der cristelycken discipline can onderwerpen” (Acta v.d. Noord-Holl. Synode te Edam, 1586, Art. 32).

„Is voordere van denselven classe [Enkhuizen] geproponeert, overmits het somwylen gebuert, dat jongelieden van 15, 16 oft 17 jaren, ongedoopt synde, versoecken gedoopt te werden sonder nochtans te hebben eenich fondement in den geloove ende niet te verwilligen om totten avontmael te gaen, wort gevraecht, off men soodanigen doopen sal oft niet. Waerover de resolutie des synodi is: alhoewel de meeste stemmen der classes medebrengen, dat men niemant en sal doopen, dan die voorgaande beloften doen haer meteenen totten avontmael te begeven, nochtans om sekere redenen ende voorvallende omstandicheden, diet synodus heeft ingesien, is goet gevonden, dat sulckx door den gedeputeerden werde gecommuniceert meteen synodo van Suythollant, opdat gelyckelyck daerin by provisie mach werden geraemt naert behooren” (Acta v.d. Noord-Holl. Synode te Amsterdam, 1595, Art. 43).

„Is voorgestelt van den persoonen, die tot haeren jaren gekomen zyn ende 18 of 20 jaren oudt zyn ende eerst gedoopt worden, of dieselve oock behooren tot den aventmale te komen. Heeft de vergaderinge geacht te behooren, dat sulcke gedoopt worden met voorgaende belijdenisse des gheloofs, ende die alsoo tot haeren jaren, als voorseydt is, gekomen ende gedoopt zyn, sullen vermaent worden hen oock met den tyt bequamelick ende ordentelick tot den aventmale te begheven. Maer of sy terstont daerin gehouden zyn, is gerefereert ad synodum nationalem” (Acta v.d. Zuid-Holl. Synode te Delft, 1587, Art. 17).

„Wt oorsaecke vant voorgaende [maatregelen om door politieke verordening het trouwen van ongedoopten te beletten] is questie gemoveert van eenigen classen, indien oude luyden, zynde roeckeloos van leven, versoecken souden om gedoopt zynde, waerinne alreede swaricheyt was gevallen, alsoo men verstaet ende dat men wel vermoedet van alsulcke, dat se haer totten avontmael des Heeren nyet lichtelycken begeven sullen, hoe at men in dese zaecke doen sal. Is raedtsaem gevonden ende geresolveert, dat men hem den doope nyet en sal weygern midts voorgaende bekentenisse des gelooffs, thyen geboden ende Vader Onse, met belofte van beteringe des levens. Ende want sommige versoecken gedoopt te worden wt oorsaeke van houwelyck aan te gaen, sal men haer affvragen, oft haer nyet leet en zy, dat zy den doop zoo lange heb uytgestelt, ende dat zy niet om houwelycx maer om des verbonts ende instellinge Christi wille begeeren gedoopt te worden. Ende eyndelycken sullen de dienaeren alsulcke vermaenen, dat sy achtervolgende op haere bekentenisse, haer ter gelegener tyt totten avontmael des Heeren begeven. Het sal oock stichtelyck zyn, dat de dienaren int particulier alsulcke voorhenen van de verborgentheyt des doops onderwysen, ende dit alles by provisie totten naesten generalen synodum” (Acta v.d. Zuid-Holl. Synode te Leiden, 1592, Art. 7).

„Opt voerstellen van den gedeputeerden des Noorthollantschen Synodi wt last derselver, te weten oft men jongeluyden van 15, 16, 17 jaeren, ongedoopt synde ende sonder eenich fundament in den geloove te hebben ende sondere te verwilligen ten avontmaele te gaen den heyligen doop versoeckende sal mogen doopen, is geantwoert: neen, alsoo men acht, dat tselve nyet wt christelycke affectie maer om eenich particulier insien versocht wordt. Maer op de voorder vraege, hoe men handelen sal metten voersz. jongeluyden, indyen sy wel int geloove naer haer gelegenheyt tamentlyck onderricht zyn, maer noch nyet en beloven haer totten avontmaele te begeven, dat men soodanige behoort te vermanen ende met goede redenen te onderwysen, dat haere professie, die sy met het doopsel aennemen, oock medebrenght, dat se haer oock in de wtterlycke gemeenschap der kercken mits gaende ten avondtmael behooren te begeven, ende soecken alsoo met alle manieren haer daertoe te bewilligen, maer indyen sy wt scrupuleusheyt oft andersints haer

|2e|

voeralsnoch beswaert vonden tselve te beloven, daervan nyettemin goede hope gevende, dat men denselven evenwel den doop nyet en sal onthouden, mits naderhandt deselve in goede opsicht houdende ende totten aventmaele vermanende” (Acta v.d. Zuid-Holl. Synode te Gorinchem, 1595, Art. 34).

 

De quaestie, waarover in alle die besluiten gehandeld wordt, moest dus, gelijk uit die besluiten zelve wel duidelijk is, op eene Generale Synode definitief beslist worden. En in verband daarmede zou diezelfde Synode dan ook een liturgisch formulier hebben op te stellen. Over de provisioneele vaststelling van zulk een formulier was in de Hollandsche Synoden wel gesproken (Acta v.d. Noord-Holl. Synode te Amsterdam 1589, Art. 3; te Hoorn, 1602, Part. Vragen, Art. 12; te Edam, 1604, Art. 19; te Enkhuizen, Gravamina Alkmaar, Art. 8); maar het was er toch niet toe gekomen. De Hollandsche kerken hebben niet gedaan, als de Zeeuwsche, die, toen eene Generale Synode reeds 24 jaren lang niet had kunnen gehouden worden, op hare Provinciale Synode te Veere, in 1610 het besluit namen: „Men zal het oude formulier des doops met de minste verandering die mogelick is accommoderen op de volwassene” (Acta, Cap. VI, Art. 3); en die toen in diezelfde Synode een formulier daarvoor vaststelden.

Daar de kennis van dit formulier veelszins bijdraagt, om het latere besluit van de Dordtsche Synode van 1618 des te beter te begrijpen, volge hier eene opgave van den inhoud.

„Forme om den H. doop aen de volwassene te bedienen.
1º. Eerstelick zal de hooftsomme der leere des H. doops in drye stucken begrepen alzoo sy voorgestelt wordt in forme vande bedieninge des kinderdoops voorgelezen werden.
2º. Daernaer de anticipatie ofte voorcomminghe naer het verclaers van de leere des doops volgende ende beginnende met dese woorden: Ende hoewel onze kinderen niet en verstaen etc.; sal aldus verandert worden: Ende hoewel de kinderen der Christenen, sonder deze dingen te verstaen, uyt crachte des verbondts moeten gedoopt worden, zoo en ist nochtans niet geoorloft volwassene te doopen tensy de selve alvooren het evangelium gehoort ende gelooft hebben, want hierom ist dat Jesus Christus synen Appostelen bevolen heeft alle volcken te leeren, ende de selve te doopen in den name des Vaders, ende des Soons ende des H. Geestes, voegende oock dese belofte daerby, dat degene die gelooven zal, ende gedoopt sal syn, zal zalich worden, naer welcken regel de Appostelen sich altydts in het doopen van de volwassene gericht hebben; blyckende by de menichvuldige exempelen, dewelcke daervan in het boeck vande Handelinge der Appostelen te lesen syn. Dewyle dan de Appostelen naer het bevel Christi geen andere volwassene en hebben gedoopt, dan degene die het evangelium gelooft ende haer geloove met den monde beleden hebben, soo en mach men oock als nu aen geen andere volwassene den doop bedienen dan degene die de verborgentheyt des doops uijt de verkondinghe des H. Evangelii hebben leereen verstaen, ende daervan door belydenisse des mondts goede rekenschap geven.
3º. Het eerste gebedt sal geheel blyven ende over de volwassene als over de kinderen gebruyckt worden, behoudens dat men voor: kindt ofte knderen, segge: persoone ofte persoonen.
4º. Voor de stipulatie zal den dienaer de persoone die gedoopt moet worden op dese maniere toespreken: Christelicke broeder ofte suster, ghy hebt gehoort dat den doop eene ordeninge Godts is, om ons ende onsen zade syn verbondt te verzegelen; ende soo voort, gelyck int formulier van den doop der kinderen volcht.
5º. De stipulatien ofte affvraegingen sullen aldus geschieden: 1. Hoewel ghy in sonden ontfangen ende geboren syt, ende daarom allerande ellende jae de verdoemenisse zelver onderworpen, oft gij niet en bekent dat ghy in Christo geheylicht syt, ende daerom als een lidtmaet syner gemeynte behoort gedoopt te wezen? 2. Oft ghy de leere die int oude ende nieuwe testament ende inde articulen onses Christelicken geloofs begrepen is, ende dienvolgende inde Christelicke kercke geleert wort, niet en bekent de ware ende volcommen leere der zalicheyt te wezen, belovende door des Heeren genade de selve te beleven ende by de suyvere belydenisse, daervan totten eynde uwes levens te volherden.
6º. Int tweede gebedt sullen inde plaetse deser woorden: „Wy bidden u oock, door denzelven uwen lieven Soone, dat gy dit kindt met uwen H. Geest altyts wilt regeren opdat het Christelick ende Godtsalichlick opgevoet worde, gebruyckt syn dese woorden: Wy bidden u oock, door denselven uwen lieven Soone, dat ghy dese persoone met uwen H. Geest altyts wilt regeren opdat hy Christelick ende Godtsalichlick wandele ende inden Heere Jesu Christo, etc.; ende soo voorts in hetselve gebedt is volgende” (Aanhangsel van de Acta der Prov. Synode te Veere, 1610).

 

De Generale Synode, die eindelijk in 1618 te Dordrecht kon samenkomen, vond nu onder de ingebrachte gravamina ook het punt van „de bedieninge des doops aen bejaerde personen” en van „de daeromtrent te houden eenparigheyt”.

Met betrekking tot dien Doop zelven maakte zij een einde aan alle toegeeflijkheid, waarmede tot nog toe in Holland wel eens was toegestaan, dat de alzoo gedoopte dan toch nog van het Avondmaal terugbleef. Zulke toegeeflijkheid, ofschoon later door Voetius (Pol. Eccl., Vol. I, pag. 670) nog eenigszins in bescherming genomen, was ook inderdaad niet te verdedigen. Immers,

|3a|

indien geloofsbelijdenis en wandel onvoldoende waren om tot het Avondmaal te worden toegelaten, dan waren zij ook onvoldoende voor de toelating tot den Doop; daar toch het eene Sacrament niet minder omvattend of minder heilig is dan het andere. En indien zij voldoende waren, dan gold ook het bevel van Christus, dat de leden zijner gemeente zijn Avondmaal zouden vieren, en dan had niemand het recht, als het ware dispensatie te geven van aan dat bevel te gehoorzamen. Daarom was het besluit der Dordtsche Synode, in hare 162e Sessie: „De bejaerde worden door den Doop der Christelicke Gemeente inghelijft, ende zijn daerom schuldich het Avontmael des Heeren oock te ghebruycken, ’t welck sy by haren Doop sullen beloven te doen”. Welk besluit daarna, als art. 59, in de bestaande Kerkenordening werd ingelascht.

Dat met dit besluit inderdaad niets anders bedoeld werd, dan om op het uit Holland ingekomen gravamen eene beslissing te geven, blijkt o.a. met volkomen duidelijkheid uit het rapport dat van de Generale Synode op de eerstvolgende particuliere Synode van Noord-Holland werd ingebracht; waarvan in de Acta dezer Synode het laatste punt aldus luidt: „Op tgene int synodo Amsteldamensi ao 1595 was vuytgestelt tot het synodus nationael, hoe men handelen zal met jongheluyden van 15, 16, 17 jaren, dewelcke versoecken gedoopt te werden zonder haer ten avontmael te begeven, is ingebracht, dat het synodus nationael daerop heeft gestelt den 59 artyckel in de kerckenordenynge, die aldus luydt: De bejaerde werden door den doop de christelycke gemeynte ingelyft ende voor ledematen der gemeynte aengenomen ende zyn daerom schuldich het avontmael des Heeren oock te gebruycken, twelck zy by haren doop beloven zullen te doen” (Acta v.d. Noord-Holl. Synode te Edam, 1619, Art. 4, aan het einde).

De geschiedenis van dit artikel toont ook duidelijk, dat het woord „bejaarden” hier te verstaan is, niet in den zin dien het oudtijds had, nl. dien van personen die tot hun jaren, d.i. tot de jaren des onderscheids, gekomen waren, of m.a.w. die boven de 15 jaren oud waren. Daarom staat dan ook in het besluit van de Dordtsche Synode, waarbij het formulier voor hun Doop werd vastgesteld, en desgelijks in dat Doopformulier zelf, voor het Hollandsche woord „bejaarden” in den oorspronkelijken Latijnschen tekst het woord „adultiores”, d.i. grooteren, ouderen, in tegenstelling met de „parvuli”, d.i. de kinderkens.

 

Met betrekking tot dat Doopformulier valt nog op te merken, dat bij zijne samenstelling blijkbaar het hierboven medegedeelde Zeeuwsche formulier als model heeft gediend; zij het ook, dat de vragen daaruit niet zijn overgenomen, maar door de Dordtsche Synode, in hare 175e Sessie, veelszins zijn uitgebreid en vermeerderd.

In het algemeen is voor onze gansche Liturgie de arbeid der Prov. Zeeuwsche Synode van 1610 van een overwegend gewicht geweest. Het resultaat van dien arbeid was opgenomen in de uitgave, die in 1611 bij Richard Schilders het licht zag; en deze uitgave was zóó nauwkeurig, dat zij door de Dordtsche Synode als standaardeditie werd aangenomen. Slechts op enkele punten werd eene kleine wijziging noodig geacht. Te dien einde werd in de 178e Sessie eene commissie benoemd van tien leden (uit elke provincie één, met één der Leidsche hoogleeraren), om de geheele Nederlandsche Liturgie te herzien, en alzoo te zorgen voor een officieelen en authentieken tekst. En deze commissie heeft haar werk zóó verricht, dat zij in haar rapport de reeds genoemde Zeeuwsche uitgave als de voortaan te volgen uitgave aanwees, slechts met verandering van de vragen in het Formulier van den Doop van bejaarden, en met eenige kleine wijzigingen in de redactie en in de volgorde van de andere Formulieren. Haar rapport staat in de Acta der Zuid-Hollandsche Synoden vermeld in art. 20 van de Acta der Synode te Rotterdam, in 1621, aldus luidende: „Om te onderhouden eenparicheijt in het Doopen, in de Liturgie ende in het Trouwen, heeft D. Assessor [nl. Festus Hommius, dezelfde die in de Dordtsche Synode scriba geweest was] de vergaderinge overgelevert t’geen tot conciliatie der Formulieren in den Sijnodo Nationali bij de Broederen daer toe gestelt, was geconcipieert, waer naer alle kercken-dienaeren haer voortaen sullen hebben te reguleeren”. En in aansluiting aan dat artikel bevat een aanhangsel van de Acta dier Synode de „Copije der Conciliatie van de formulieren etc., waervan wort gementioneert in den XXen Art. der voorgaender Acten”, onder het opschrift: „Animadversa in Liturgiam Ecclesiae volgende het Exemplaer in Quarto, in Zeelandt gedruckt.” Dat geheele rapport nu bevat slechts een twintigtal regels. Zóó weinig had men in de Zeeuwsche uitgave te veranderen gevonden.

Het is zeer te betreuren, dat toen geen deskundige voor een goeden druk van de Liturgie gezorgd heeft. Dit bleef aan de uitgevers overgelaten; en deze waren, gelijk licht te begrijpen is, niet op de hoogte van de waarde of onwaarde der vele bestaande uitgaven, noch ook van de eindredactie der Deputaten van de Dordtsche Synode. Daardoor hebben onze kerken eigenlijk nooit eene wezenlijk goede en nauwkeurige uitgave gekregen. En wel hebben later de Zuid-Hollandsche kerken in de jaren 1732 tot 1736 over zulk eene, ook toen zeer noodige, uitgave gehandeld; de Classe van Dordrecht aangewezen, om daarvoor te zorgen; en goedgekeurd, dat de door die Classe daarvoor aangewezen predikanten hun werk uit haren naam zouden uitgeven. Maar ook die poging is mislukt, door de bijna ongelooflijke

|3b|

slordigheid en onnauwkeurigheid, waarmede de bedoelde twee predikanten, niettegenstaande zij de stukken die hun den weg konden wijzen vóór zich hadden, bij hunne uitgave zijn te werk gegaan.

Met name het Formulier voor den doop van bejaarden heeft daaronder geleden. De Dordtsche Synode, die het Zeeuwsche Formulier van 1610 vóór zich had en daarin alleenlijk de toespraak en de vragen wilde wijzigen, maakte dus ook in haar besluit (in de 175e Sessie) enkel hiervan melding. En toen zijn de uitgevers gaan denken, dat dit nu het geheele Doopformulier was. Er werd niet gedacht aan de Zeeuwsche uitgave, die nog heel wat meer bevatte. Er werd niet begrepen, dat men dan een formulier kreeg, waarin over de beteekenis van het Sacrament zelfs geen enkel woord te vinden was en waaraan ook alle gebed ontbrak. Er werd uit het oog verloren, dat de Dordtsche Synode zelve, in hare 162e Sessie, haar later besluit uitdrukkelijk qualificeerde als een „Formulier van vragen den bejaarden in haeren doop voor te houden”. En er werd ook niet op gelet, dat dit Doopformulier dan een uiterst zonderling, afgebroken, begin had; dat in den eersten volzin: „ende alhowel de kinderen der Christenen, oonaengesien zy dit niet en verstaen”, enz., het voornaamwoord „dit” niets had om op terug te slaan; en dat in het algemeen een formulier toch niet met het voegwoordje „en” koon beginnen. Men drukte maar gedachteloos af; en wie dan nog even nadacht, liet dat voegwoordje eenvoudig weg. Wel hebben Kerken en Godgeleerde schrijvers tegen die foutieve uitgave telkens geijverd. Zoo b.v. B. de Moor, in zijn Comm. perp. in Joh. Marckii Compendium, Pars V, pag. 475 sq. En reeds vroeger hadden de Zuid-Hollandsche kerken, in hare Synoden van 1752 (Acta, Art. 21) en 1753 (Acta, Art. 24) bepaald, dat bij ieder Classicaal examen aan de Candidaten zou worden voorgehouden, wat de geheele inhoud was van genoemd Formulier. Maar ook dit ging buiten de uitgevers om. En oook thans nog is er onder de tallooze uitgaven onzer Liturgie misschien geene enkele, waarin de bedoelde fout is verbeterd. Toch is waarlijk niet aan twijfel onderhevig, hoe het zijn moet. Evenmin als het twijfelachtig zijn kan, dat de Dordtsche Synode door „bejaarden” verstaan heeft: personen van 15 jaar en daarboven.

 

Na het 15e levensjaar kan dus geen Doop meer worden toegediend, zonder dat de gewone geloofsbelijdenis daaraan voorafgaat, en zonder dat de toelating tot het Avondmaal daarmede gepaard gaat; en wanneer tegen dit een en ander nog bezwaar is, dan moet de Doop wachten, totdat dit bezwaar is vervallen.

Maar hoe nu te handelen met kinderen, die jonger zijn, en die toch reeds de eerste kindsheid te boven zijn?

Te dien aanzien is in onze kerken altijd aangenomen, dat de leeftijd op zichzelf nooit eene reden mag zijn, waarom kinderen des verbonds van den Doop zouden worden uitgesloten. Integendeel, de Doop moet hun zelfs zoo spoedig mogelijk bediend worden. En wanneer dit reeds eenige jaren is uitgesteld, dan is er des te meer reden, om nu toch niet langer te wachten.

Daarom werden zulke kinderen hier te lande dan ook altijd toegelaten om gedoopt te worden, geheel op denzelfden voet als de pasgeborenen. Alleenlijk werd dan vaak bij de eenigszins oudere kinderen vooraf onderzocht, of zij reeds eenige Godsdienstige kennis hadden; b.v. of zij de Tien Geboden, de Twaalf Geloofsartikelen en het Onze Vader, of wel iets daarvan, reeds van buiten kenden. Zonder twijfel, opdat blijken zou, dat de noodige waarborg voor eene Christelijke opvoeding niet geheel ontbrak, en dat er bij het kind zelf geen bepaald verzet was tegen de waarheid; ’t geen bij kinderen wel zeldzaam, maar toch niet geheel ondenkbaar is. Toch geschiedde dit niet altijd. B. de Moor, t.a.p. blz. 474, bericht, ook met verwijzing naar andere bronnen: „Personen, die tusschen de kindsheid en den volwassen leeftijd in staan, worden gedoopt, soms na een klein weinigje voorafgaand onderwijs en belijdenis van de eerste beginselen van het Christendom, soms zóó, dat zij beschouwd worden als kinderkens, die zonder eenige voorafgaande belijdenis door den Doop in de kerk worden ingelijfd.” En hij geeft dan verder eenige mededeelingen omtrent een vijftal gevallen van kinderen tusschen de 10 en 15 jaren, welke hem tijdens zijnen dienst in de kerk van Enkhuizen waren voorgekomen.

Voor het overige spreekt wel vanzelf, dat, wanneer zulke gevallen zich voordoen, niet de predikant alleen, maar de geheele kerkeraad de te volgen gedragslijn bepalen moet; ook met name ten aanzien van de vraag, of en hoe degenen, die den Doop van het kind verzuimd hebben, te bestraffen zijn; zoomede of en hoe er nadere waarborgen te verlangen zijn voor de Christelijke opvoeding.

F.L. Rutgers.