I-XVIII

|I|

Bij de heruitgave in het gedenkjaar van de synode van Emden, 1571.

 

I

Op de 21e oktober van het jaar 1889 droeg prof. dr. F.L. Rutgers het rectoraat van de toen nog jonge Vrije Universiteit te Amsterdam over aan prof. mr. D.P.D. Fabius, nadat hij een rede had uitgesproken over het onderwerp De geldigheid van de oude Kerkenordening der Nederlandsche gereformeerde kerken. Tegen het einde van de maand april van het volgende jaar verscheen de tekst van deze rede “met aantekeningen en aktenstukken” bij J.A. Wormser te Amsterdam.

In de maand oktober van het jaar, waarin deze inleidende opmerkingen worden geschreven, het jaar 1971, valt de herdenking van de eerste synode van de Nederlandse gereformeerde kerken van 4 tot 13 oktober 1571 in Emden gehouden.

Ter gelegenheid daarvan en als een bescheiden bijdrage in de herdenking van Emden verschijnt deze herdruk.

Ik wil graag in de mij vriendelijk door de uitgever ter beschikking gestelde ruimte de vraag beantwoorden: waarom bij deze gelegenheid een herdruk van deze studie van de hand van deze man?
Over “deze gelegenheid” spreek ik elders afzonderlijk 1) en als we de andere elementen van de vraag — “deze studie” en “deze man” —  onder ogen zien, is er nog wel gelegenheid het direct-noodzakelijke over “Emden” op te merken.

 

II

Waarom een heruitgave van deze studie?

Er is een voor de hand liggende reden. De geldigheid van de oude Kerkenordening is sinds lang alleen maar antiquarisch te verkrijgen en dan nog zó beperkt en tegen zúlke prijzen dat men een bezitter van de rede bijzonder gelukkig mag prijzen. Toch is het mijn overtuiging dat deze studie eigenlijk in de bibliotheek van geen enkele theoloog mag ontbreken, zeker niet als hij van gereformeerde confessie is. Rutgers’ Kerkelijke adviezen (twee delen) zijn, zo komt het mij voor, bij predikanten meer in trek dan zijn academische publicaties, en dat natuurlijk vanwege het belang van de Adviezen voor de kerkelijke praktijk.

Maar men leert de grond-overtuigingen van waaruit Rutgers zijn adviezen schreef eerst goed kennen door zich in zijn academische geschriften (weinig in getal, kostbaar van inhoud!) te verdiepen. Voor mijn deel heb ik het plan van de heruitgave van één van Rutgers’ rectorale oraties dus enthousiast begroet en er ook mijn medewerking aan gegeven.


1) Namelijk in Zó vonden wij elkaar, een uitgave van De Vuurbaak te Groningen.

|II|

Maar met het bovenstaande is natuurlijk nog niets gezegd over de vraag: waarom de heruitgave van deze studie bij deze gelegenheid?

Het antwoord ligt in de ontstaansgeschiedenis van De geldigheid der oude Kerkenordening, waarover Rutgers zelf aan het slot van zijn inleiding (pag. 9) enige informatie geeft.

In de loop van het jaar 1888 — de heftigste ‘Streitigkeiten’ in verband met de Doleantie van 1886, waarin Rutgers zo’n centrale plaats had ingenomen 2), waren toen achter de rug — nam Rutgers de draad van de geschiedvorsing weer op waar hij die in 1885 had moeten laten liggen. In het najaar van ’85 had hij namelijk de taak op zich genomen een uitgave te bezorgen van de Acta van de Nederlandse synoden in de zestiende eeuw. Het werk verscheen in 1889, Rutgers tekende het Naschrift op de 18e juni. Bij de verschijning antiqueerde deze documenten-verzameling in één keer iedere vroegere publicatie op dit gebied, maar na meer dan driekwart eeuw kunnen we constateren: het werk is zelf nog steeds niet geantiqueerd! Dat is een wèlsprekend getuigenis van de grote waarde van dit meesterwerk 3). De synoden van de zestiende eeuw, dat waren — na het convent van 1568 — allereerst Emden 1571 en dan vervolgens de synoden van Dordrecht 1574 (particulier) en 1578 (generaal), van Middelburg 1581 en ’s-Gravenhage 1586, die alle voortbouwden op het in Emden gelegde fundament.

Bij het tot stand brengen van deze verzameling van kerkelijke documenten mocht Rutgers natuurlijk niet meer doen dan de tekst van de stukken reproduceren. Hij schrijft zelf:

“De persoonlijkheid van den uitgever moest geheel op den achtergrond treden; en er moest slechts voor gezorgd worden, dat het den lezer zooveel mogelijk zijn zou alsof hij de archiefstukken zelven voor


2) In 1886 verzorgde Rutgers met Kuyper de beide drukken van de Contramemorie inzake het Amsterdamsch conflict. Eveneens uit dat bewogen jaar is de eerste druk van het samen met Jhr. Mr. A.F. de Savornin Lohman geschreven De rechtsbevoegdheid onzer plaatselijke kerken. In het volgend jaar, 1887, verscheen van deze studie een tweede “veel vermeerderde” uitgave “met volledige repliek aan Ds. César Segers, Dr. Kleyn, Prof. Gooszen, enz.” Met recht mocht van “veel vermeerderd” worden gesproken: de studie verdubbelde in omvang. Aan deze herdruk ging nog vooraf het referaat De Hiërarchie in haar kerkbedervend karakter, gehouden op het congres dat op 11 januari 1887 in “Frascati” werd gehouden. De rede kwam, gezamenlijk met de door Kuyper en De Savornin Lohman gehouden referaten uit in de bundel Het juk der tweede hiërarchie. Hier is dan alleen iets gememoreerd van de publicistische activiteiten van Rutgers uit de jaren 1886 en 1887. Daarnaast kan alleen maar gememoreerd worden dat het leeuwendeel van de adviserende arbeid op zijn schouders rustte; Kuyper heeft de Doleantie als journalist geleid, Rutgers heeft haar als adviseur gediend.
3) Daarmee is niet gezegd dat verder speurwerk niet op bepaalde punten enige aanvulling heeft gegeven en soms ook de mogelijkheid van enige correctie verschafte. Maar dat is niet op wezenlijke punten. Vergelijk bij wijze van voorbeeld het door J.P. van Dooren in Weseler Konvent 1568-1968. Eine Jubiläumschrift, Düsseldorf 1968, pag. 56, 57 opgemerkte naar aanleiding van Rutgers inleiding op de uitgave van De Artikelen van de samenkomst te Wezel, 3 november 1568 in Acta van de Nederlandse synoden der zestiende eeuw, ’s-Gravenhage 1889, pag. I.

|III|

zich had. Daarom heb ik eenerzijds alle historische aanteekeningen en gevolgtrekkingen achterwege gelaten, ook al was de verzoeking soms groot om uit deze stukken bekende berichten over personen of gebeurtenissen te verbeteren of aan te vullen. En om dezelfde reden heb ik andererzijds niet alleen de stukken onder zekere rubrieken gerangschikt, maar ook critische aanteekeningen daaraan toegevoegd, ten einde omtrent hun karakter en oorsprong en vroegere uitgaven den lezer behoorlijk in te lichten” 4).

Maar al had Rutgers door de publicatie van de Acta dan niet meer gedaan dan kostbare archiefstukken aan een breed publiek ter beschikking te stellen, hij werd zelf uit de aard van de zaak ook én als eerste geholpen door het beschikbaar komen van dit materiaal.

Wat was nu het resultaat van de synode van Emden 1571 en van de op haar volgende synoden? Natuurlijk, er waren ook allerlei “particuliere kwesties” behandeld, er waren geschillen beoordeeld en zo mogelijk beëindigd. Maar men had zich toch vóór alles bezig gehouden met de ordening van het kerkelijke leven. Men had, om het wat eenvoudiger te zeggen, een kerkorde ontworpen en vastgesteld (dat was Emden) en die kerkorde gehandhaafd, aangevuld, gesystematiseerd en soms op een enkel onderdeel gecorrigeerd (dat waren de volgende synoden).

Het is dus geen wonder dat Rutgers op de door hem zelf gelegde basis in de Acta verder wilde bouwen en dat hij, zodra zich daar een gelegenheid toe voordeed, een onderzoek deed naar de betekenis van die kerkorde die Emden en volgende synoden aan de kerken hadden gegeven. Rutgers formuleert het zelf aan het begin van zijn rectorale oratie aldus:

„In het laatste jaar had ik mij bijzonder bezig te houden met de Nederlandsche Synoden van de 16e eeuw; met die samenkomsten, die in vollen zin constitueerende vergaderingen waren, en bij welke een aanzienlijk deel van haar arbeid dus aan kerkelijke regeling was toegewijd. En omdat nu eene belangrijke vraag is, welke beteekenis aan die regeling toekomt, terwijl juist in onze tijd deze vraag ook belangstelling vindt, achtte ik het niet ondienstig, te dien aanzien eenige opmerkingen aan u voor te stellen, of m.a.w. u te bepalen bij de geldigheid van de oude Kerkenordening der Nederlandsche Gereformeerde Kerken5).

Daarmee is wel de noodzakelijke informatie gegeven ter beantwoording van de vraag: Waarom een heruitgave van deze studie in het gedenkjaar van Emden. Ik wil er nog graag aan toevoegen dat de vraag, die Rutgers stelde, niet alleen actualiteit in zijn dagen had. De kerkorde van Emden —


4) In het Naschrift op de Acta, pag. 645.
5) F.L. Rutgers, De geldigheid van de oude Kerkenordening, Amsterdam 1890, pag. 9.

|IV|

dat is ‘in substantie’ de kerkorde van Dordrecht 1618/1619. Het is de kerkorde die door de kerken van de Afscheiding van 1834 en de Doleantie van 1886 weer is aanvaard en dat tegenover het collegialistische kerkrecht van het Haagse Reglement van 1816. Het is ook de kerkorde, waarover in de Gereformeerde Kerken in Nederland in de veertiger jaren van deze eeuw diepgaande en scherpe conflicten zijn ontstaan, die allerminst tot het verleden behoren. Als dan Rutgers schrijft over de vóóronderstelling van (het doelmatig functioneren van) een gereformeerde kerkorde, namelijk de enigheid van het geloof, als hij schrijft over de aard van een kerkelijke orde (en daarmee over de aard van het kerkelijk recht) en over de wijze waarop een gereformeerde kerkorde functioneert en moet worden gehanteerd, dan is het óók vandaag de moeite meer dan waard naar deze stem te luisteren.

Over moeite gesproken, men veroorlove mij een kleine opmerking over de lectuur van deze studie: men late zich niet er door afschrikken dat juist in het begin van de rede er in de tekst nogal wat Latijn voorkomt. Het democratiseringsproces was toen nog niet zover gevorderd en had zeker nog niet de academische oratie bereikt! Hoewel — anderzijds moet ook genoteerd dat Rutgers de enkele latijnse volzinnen nauwkeurig in het Nederlands weergeeft in voetnoten. Hij had kennelijk een breder dan alleen een academisch doel voor ogen! Inderdaad: deze studie is voor hem een bijdrage geweest maar niet alleen tot het recht verstaan van de geschiedenis der kerk, maar minstens evenzeer een bijdrage aan de reformatie van het kerkrecht. Daarmee heeft de man op de katheder het kerkvolk gezocht: het waren de sterke dagen van de Vrije Universiteit. Deze heruitgave wil er ook dienstbaar aan zijn dat de stem van het gereformeerde kerkrecht wordt gehoord in een tijd, die naar een nieuw, een ‘oecumenisch’ kerkrecht zoekt, — en dat die stem wordt gehoord in de zuiverheid en de kracht waarmee Rutgers dit kerkrecht heeft geformuleerd.

Voor wat dit onderdeel betreft nog een tenslotte: heruitgave van deze studie wil niet suggereren dat dit werk onweersproken is gebleven. Dat is niet het geval, ook niet in de historische constateringen en conclusies. Kort na de verschijning van De geldigheid der oude Kerkenordening heeft bij voorbeeld Dr. B. van Meer in zijn proefschrift De synode te Emden 1571 op een onderdeel kritiek geoefend 6). Van groter importantie was het dat de grootmeester van de vaderlandse geschiedenis in de negentiende eeuw, Robert Fruin, een paar jaar later — in 1894, het jaar waarin hij zelf als actief hoogleraar terugtrad — een aanval lanceerde op één van de hoofdstellingen van Rutgers, dat namelijk het eigen karakter en de bevoegdheid van de synode van Emden wordt bepaald door het feit dat hier door middel


6) Vgl. B van Meer, De synode te Emden 1571, ’s-Gravenhage 1892, pag. 114 noot 1 met het door Rutgers opgemerkte over de bewilliging van de vluchtelingengemeenten in Engeland in het houden van een synode, pag. 15.

|V|

van afgevaardigden en gecommitteerden de kerken zelf aanwezig waren 7).

Maar al zijn de resultaten, waar Rutgers toe kwam, niet zonder meer aanvaard, dat neemt niet weg dat ook vandaag nog kennisneming van zijn studie een verrijking van ons kerkhistorisch en kerkrechtelijk inzicht kan betekenen. Niet alleen zijn de door Rutgers getrokken hoofdlijnen nog altijd actueel, maar ook zijn detail-opmerkingen bevatten een schat van gegevens die de studie van het Nederlandse gereformeerde kerkrecht kunnen stimuleren en een verrijking en verdieping van inzicht teweeg kunnen brengen.

 

III

Hierboven werd even gesproken over de Kerkelijke Adviezen van Rutgers. Ze zijn na zijn dood geordend en uitgegeven door zijn zoon H.C. Rutgers, die aan het eerste deel twee motto’s heeft meegegeven die beide aan de Adviezen zijn ontleend. Het tweede luidt aldus:

“Wanneer over enige zaak een gevoelen wordt uitgesproken, is het zeker niet onverschillig van wien dit afkomstig is. Maar tenslotte zijn het toch de gronden en motieven, die beslissen moeten”.

Deze uitspraak is te vinden in een betoog over het hoog belang goed kennis te nemen van de overtuigingen van Voetius, de grootmeester van het gereformeerde kerkrecht in de zeventiende eeuw. Voetius stond hoog, zeer hoog genoteerd bij Rutgers. In diens vierdelige Politica Ecclesiastica was hij als weinigen thuis en men kan over heel het werk van Rutgers heen de verwijzingen naar Voetius verspreid vinden. Temeer trekt het de aandacht dat voor Rutgers de verwijzing naar een autoriteit niet het laatste woord betekende. Een beslissing moet zakelijk verantwoord wezen. Maar dat betekent niet dat het onverschillig is door wie iets naar voren is gebracht. In hetzelfde verband zegt Rutgers daarvan het volgende:

“Maar dit (nl. dat de gereformeerden in Gods Woord alleen een onfeilbare regel erkennen en dat als afgeleide regeling op kerkelijk gebied zal gelden wat in belijdenis en kerkorde en in de besluiten van


7) In het opstel De voorbereiding in de ballingschap van de Gereformeerde Kerken van Holland, opgenomen in het tweede deel van de Verspreide Geschriften, pag. 235-275, vooral pag. 274 (noot): “De grond, door Rutgers als de eenige voor de bevoegdheid der Emdener synode genoemd, bestaat niet. Volgens mijn gevoelen berust het gezag der Emdener besluiten op gelijken grond als het gezag der Confessie. Door ongemachtigden of althans onvolledig gemachtigden zijn zij ontworpen, maar door de latere adhesie der belanghebbenden zijn zij naderhand gewettigd”. Zie echter reeds het Naschrift, a.w., pag. 275/276, waar Fruin zelf al een belangrijke restrictie maakt met betrekking tot de kerk van Antwerpen. Overigens is heel de historische reconstructie door Fruin in dit opstel geboden in de loop van de tijd aan fundamentele kritiek onderworpen, o.m. door Rutgers in diens Calvijns invloed op de reformatie in de Nederlanden enz., Leiden 1899. Fruins hoofdstelling dat in Emden de “preciesen” de overhand zouden hebben gehad boven de “rekkelijken” die het convent van Wezel gestempeld zouden hebben, behoort nu tot een achterhaald stadium in de discussie en daarmee dus ook zijn verklaring van het onderscheid tussen Wezel en Emden!

|VI|

kerkelijke vergaderingen wordt gevonden) neemt niet weg, dat het voor een recht verstand en eene juiste toepassing en eene eventueele verbetering van zulke regelingen, veelszins dienstig is, ook te letten, zowel op de kerkelijke practijk, vooral in den bloeitijd der kerken, als ook op de vertoogen van mannen, die door groote bekwaamheid, gepaard met zuiverheid van belijdenis en met vromen zin, uitnemende instrumenten waren, waarvan God zich bediend heeft om de kerken voor te lichten en te leiden.
In onzen tijd wil men daar wel eens niet van hooren.
Eenigszins onder den invloed van zeer revolutionaire theorieën is er, ook bij Christenen, wel eens een streven, om de menschen zooveel mogelijk aan elkander gelijk te maken, en dientengevolge, om niet goed te kunnen dulden, dat er toch zijn, die in talent en bekwaamheid boven anderen uitsteken. Men wil die dan zooveel mogelijk naar beneden trekken, of althans zoo min mogelijk naar hen hooren. Als het stoffelijke belangen geldt, wordt dan zeker eene uitzondering gemaakt, en wordt gaarne gebruik gemaakt van het beste dat men krijgen kan. Maar op hel gebied des geestes is dit wel eens anders, en wordt de Schriftuurlijke leering omtrent de eenvoudigheid, die voor het geloof vereischt wordt, en omtrent verwerpelijkheid van de wijsheid der wereld, wel eens opgevat en toegepast, alsof dat een vonnis was voor wijsheid en wetenschap in het algemeen. Toch is dat streven eigenlijk eene terzijdestelling van het allereerste geloofsartikel, eene miskenning van het werk der Voorzienigheid Gods, een verzet tegen zijn bestel en eene ongehoorzaamheid tegen zijne ordinantiën. Het is ook eene groote schade voor de kerken, waaraan gaven, die de Heere voor haar bestemd heeft, dan veel minder ten goede komen. En het is tevens eene overschatting van zichzelven, alsof men aan zijn eigen onderzoek en nadenken wel genoeg had, en alsof men daardoor alleen wel verder komen kon, dan wanneer men gebruik maakte van het licht, dat door anderen reeds ontstoken is. Wie geloovig en verstandig is, wacht zich daarvoor” 8).

Zoals Rutgers over Voetius spreekt, zo willen wij van onze kant graag over Rutgers spreken! Daarom is in het volgende getracht een karakteristiek van zijn persoon te geven 9).

Rutgers is te zien als leerling van Fruin, als collega van Kuyper, als leermeester van dr. J. van Lonkhuyzen en prof. dr. S. Greijdanus.


8) F.L. Rurgers, Kerkelijke Adviezen I, Kampen 1921, pag. 311/312.
9) De biografie van Rutgers is nog niet geschreven. Voorshands zijn we daarom nog aangewezen op de biografische schets die J.C. Rullmann gaf in zijn Dr. F.L. Rutgers in zijn leven en werken geschetst, Rotterdam 1918. Daarbij zijn ook de artikelen te noemen, waarin G.H.J.W.J. Geesink dit boek in De Heraut introduceerde in de maanden november, december 1918, Heraut no. 2128 tot en met no. 2133.

|VII|

Het kan wellicht — na wat in het tweede deel van deze inleiding over Fruins kritiek op De geldigheid der oude Kerkenordening is opgemerkt — enige verwondering wekken Rutgers getypeerd te zien als leerling van Fruin. Hij was het inderdaad niet in geestelijke zin. Fruin staat in het kamp van het negentiende eeuwse liberalisme, Rutgers in dat van het calvinisme.

Als er in dit opzicht van een leermeester-leerling verhouding gesproken moet worden, dan moet hier de naam van Calvijn worden genoemd. Weinigen zijn zó vertrouwd geweest met en zo gestempeld door de reformator van Genève als Rutgers.

Ook in academische zin was Rutgers niet Fruins leerling. Op 31 mei 1860 promoveerde Rutgers te Leiden tot doctor in de Godgeleerdheid op een theologisch-exegetische dissertatie en één dag later, 1 juni 1860, aanvaardde Fruin zijn hoogleraarschap met een rede over De onpartijdigheid van den geschiedschrijver.

Toch noemt Rutgers zich met erkentelijkheid „oud-leerling” van Fruin. Het is in zijn werk Calvijns invloed op de reformatie in de Nederlanden uit 1899. Als Rutgers zich dan zet tot kritiek op Fruins voorstelling over „De voorbereiding in de ballingschap van de Gereformeerde Kerken van Holland” merkt hij op dat het gewaagd kan schijnen van een voorstelling van zaken door Fruin gegeven te stellen dat deze “op de hoofdpunten zelve onjuist moet genoemd worden”. “Maar — zo gaat Rutgers verder — hijzelf, zoo hij thans nog leefde (Fruin was 29 jan. 1899 gestorven), zou het zeker niet wraken. Veeleer heeft hij schrijver dezes ... in een particulieren brief tot critiek aangemoedigd”. Men hoort: dit is de toon van reverentie die een leerling laat horen als hij de leermeester moet weerspreken! Dat wordt geheel duidelijk als we lezen dat Rutgers op de door ons opengelaten plaats de woorden “schrijver dezes” nog opmerkt: “zijn oud-leerling, reeds op het gymnasium waaraan hij docent was in de Geschiedenis” 10).
Wie zich nu realiseert dat Fruin als leraar aan het Leidse gymnasium maar niet alleen als apologeet van het Thorbeckiaanse liberalisme was opgetreden tegenover Groen van Prinsterer 11), maar in deze jaren ook naar voren trad als de grote historicus, die zodra hij optrad een onbetwist gezag genoot 12), zal verstaan dat de gymnasiast Frederik Lodewijk Rutgers de invloed van de jonge historicus Fruin heeft ondergaan. En toen Rutgers zich later tot de studie van de kerkgeschiedenis wendde, inzonderheid tot


10) F.L. Rutgers, Calvijns invloed op de reformatie in de Nederlanden enz., pag. 199.
11) Uit 1853 dateert zijn Het antirevolutionaire staatsrecht van Mr. Groen van Prinsterer ontvouwd en beoordeeld en uit 1854 zijn De antirevolutionaire bezwaren van Mr. Groen van Prinsterer tegen onzen staat en onze maatschappij overwogen (beide opstellen te vinden in het tiende deel van de Verspreide Geschriften).
12) De Tien jaren, het geschrift dat hem in één keer beroemd maakte en dat voorgoed zijn niveau bepaalde, verscheen merkwaardig genoeg in eerste druk, van 1857, als “Bijlage tot het Negentiende en Twintigste verslag aangaande den staat van het Stedelijk Gymnasium te Leyden”!

|VIII|

die van de zestiende en zeventiende eeuw, werd die invloed ook waarneembaar. Op hoeveel punten leermeester en leerling ook tegenover elkaar stonden, de leermeester is in de leerling nog altijd te herkennen in de strenge, historische methode, en vooral ook in de liefde tot het historische détail. Fruin werd de grootmeester van de vaderlandse geschiedenis, maar hij liet ons slechts “verspreide geschriften” na: korte artikelen, boekbeoordelingen, redevoeringen. Het is hem vaak als gebrek aangerekend dat hij zijn visie op de vaderlandse geschiedenis niet in één geheel heeft gegeven. Maar het is juist de eigenaardige kracht van Fruin dat hij bij de bespreking van een détail perspectief op het geheel opent. Bij Rutgers treft iets dergelijks. Het zou natuurlijk veel te ver gaan dit zonder meer op een leermeester- leerling verhouding terug te voeren. Er is hier allereerst sprake van structuren van persoonlijkheden. Dat neemt niet weg dat zich iets van de eerste leermeester op het veld van de geschiedenis terug laat vinden als we Rutgers bezig zien de kleinste feiten en de waarde van de feiten te wikken en te wegen, terwijl hij dus doende een beeld van het gehéél voor ons oproept. Het historisch détail wordt nooit tot anecdote maar functioneert als een venster op een totaal. Men heeft zich ook ten aanzien van Rutgers beklaagd dat er zo weinig groot werk uit zijn handen is gekomen: niet zo veel meer dan enkel strijdschrift uit de dagen van de Doleantie en een aantal rectorale oraties. Vooral de vergelijking met Kuyper viel dan wel erg nadelig voor Rutgers uit! Maar het is de vraag of ook in dit geval de voordelen niet tegen de nadelen opwegen. In het geval van Rutgers geldt dit temeer omdat hij niet alleen (kerk-)historicus was, maar ook en vooral canonicus, de man van het “kerkrecht-van-de-doleantie”. Evenmin als hij ons een kerkhistorisch werk van groter omvang heeft nagelaten, zo ook geen systematische samenvatting van zijn kerkrechtelijke inzichten en overtuigingen. Maar we hebben wèl — zowel in zijn kerkrechtelijk-kerkhistorische studies als in de postuum verschenen Adviezen en in de gedeeltelijke kommentaar op de kerkorde 13) — de behandeling van tal van kerkrechtelijke vraagstukken.


13) Verklaring van de Kerkenordening van de Nationale Synode van Dordrecht 1618-1619. College-voordrachten van Prof. Dr. F.L. Rutgers over Gereformeerd Kerkrecht, bewerkt en uitgegeven door Dr. J. de Jong, IV, artikelen 71-86. Van de Censuur en Kerkelijke Vermaning, Rotterdam 1918. Het werk werd door H.H. Kuyper in De Heraut van 14 april 1918, no. 2099 aangekondigd en aanbevolen. Wèl wees Kuyper er op dat “dictaten voor een college gegeven... nooit hetzelfde (zijn) als een wetenschappelijk studiewerk voor het grote publiek bestemd”. In De Heraut van 29 september 1919, no. 2123 komt Kuyper op de zaak van de heruitgave van de overige dictaten terug en nu blijkt (mee omdat men zijn waarschuwing als een stukje anti-propaganda tegen de uitgave van de college-dictaten had opgevat!) de uitgave met stopzetting bedreigd te worden vanwege te weinig belangstelling. Kuyper betreurt dat zeer en beveelt de voortzetting van dit werk in de belangstelling van alle lezers aan. Maar het is toch tot verdere uitgave niet meer gekomen. Nu zijn er slechts enkele exemplaren van de volledige college-dictaten in omloop, waarvan de bibliotheek der Theol. Hogeschool een getypt exemplaar bezit. Het afbreken van deze ➝

|IX|

Ook hier weer hetzelfde: het concrete geval verliest geen ogenblik de aandacht van Rutgers, maar aan zo’n geval wordt steeds weer duidelijk gemaakt wat inhoud en aard van de gereformeerde kerkregering is: we hebben hier casuïstiek van de edelste soort! Van de kerkhistoricus en de canonicus geldt het woord van de oude Kuyper: “groot in ’t kleine te zijn (bleef) tot het laatst toe het kenmerk van Rutgers’ optreden” 14).

 

Maar, zoals vanzelf spreekt, méér dan leerling van Fruin is Rutgers collega van Kuyper geweest. De oude Kuyper schreef over Rutgers bij diens overlijden artikelen in De Standaard van 20 maart 1917 en in De Heraut van 25 maart 1917 onder de sprekende titel Het afsterven van mijn trouwen vriend Rutgers. In de almanak van het studentencorps aan de Vrije Universiteit van het jaar 1918 volgde nog een opstel van dezelfde hand: Vir clarissimus F.L. Rutgers 15).

Het valt inzonderheid in het Heraut-artikel op hoe veel moeite Kuyper zich geeft om de warme en diepe collegialiteit tussen Rutgers en hem weer te geven: “We waren in letterlijke zin een tweespan”, en “Zoo stond Rutgers al deze veertig jaren onder alle vrienden en geestverwanten mij het naast” en verderop nog weer: “Voor mij is Rutgers de rijkste steun in mijn levensstrijd geweest”. Maar kenmerkend is vooral begin en slot van dit artikel. Dit is het begin:

“Rutgers is in den feilen strijd, die voor het weer-opleven van het Calvinisme gevoerd moest worden, althans op Kerkelijk gebied, in den vollen zin des woords mijn alter ego geworden”.

En het slot luidt zo:

“In mijn hart ligt Rutgers als mijn alter ego besloten tot de ure komt, dat ook ik hem volgen mag”.

Rutgers van zijn kant had al veel eerder Kuyper zijn “kerkelijke tweelingbroeder” genoemd, namelijk op 17 juni 1892, toen hij tijdens de eerste zitting van de verenigde synoden der Christelijke Gereformeerde Kerk en der Nederduitse Gereformeerde Kerken het woord voerde om uiting aan zijn vreugde te geven 16).

Hoe waar — in de volle zin van dit woord — al deze typeringen voor de


➝ onderneming kan niet genoeg worden betreurd. Want het is wel duidelijk dat in verschillende “korte” verklaringen van de Kerkorde een goed gebruik van deze dictaten is gemaakt (zo in de Korte Verklaring van Joh. Jansen, eerste druk van 1923 en in Idzerd Van Dellen en Martin Monsma, The Church Order Commentary, derde druk, Grand Rapids 1954). Maar nog steeds zou komplete uitgave van deze dictaten van grote betekenis geacht moeten worden. Rutgers heeft in bondige vorm op college een bijzonder waardevolle kommentaar op de kerkorde gegeven.
14) Heraut 25 maart 1917, no. 2044.
15) Almanak van het studentencorps aan de Vrije Universiteit, 1918, pag. 49-56, door J.C. Rullmann in het derde deel van de Kuyper-bibliographie overgenomen, pag. 452-457.
16) Zie Heraut 26 juni 1892, no. 757.

|X|

verhouding Kuyper-Rutgers zijn, kan ieder weten die hen beiden de tien jaar van 1878, het jaar waarin op 22 oktober de Vereeniging voor Hooger Onderwijs op Gereformeerden grondslag werd gesticht, tot 1888, toen op 25 juni de eerste voorlopige synode van Nederduitse Gereformeerde Kerken te Utrecht bijeenkwam, heeft gadegeslagen.

Het was Kuyper die de idee van een vrije universiteit greep en gestalte gaf. Het was Rutgers die het geduldswerk volbracht van de organisatie van deze universiteit. Kuyper trad als de apologeet van deze stichting op. Maar Rutgers leverde aan hem veel van het historisch materiaal. Het was in deze tijd dat Kuyper aan Rutgers schreef: “Het werk zal niet mislukken, als wij persoonlijk maar bereid zijn er bij onder te gaan”. Het was Kuyper die aan de gereformeerden in de Hervormde Kerk de weg wees in het conflict met de Haagse synode in de jaren 1885, 1886. Het was Rutgers die tot in ieder détail toe de ‘mannen-broeders’ met kerkrechtelijk advies terzijde stond.

Hierbij moet juist in onze tijd er de nadruk op worden gelegd dat het vooral Rutgers is geweest die zeer bewust in de jaren van de stichting van de Vrije Universiteit in gereformeerde richting koers heeft gezet en koers heeft gehouden. Inzonderheid met het oog op hem is het onjuist te stellen dat de gereformeerde grondslag van de Vrije Universiteit maar een noodoplossing zou zijn geweest die als een noodoplossing eerst aan bod kon komen toen het plan van een christelijke universiteit, die van heel de toenmalige ‘orthodoxie’, inclusief de ethischen, uit zou gaan door de onwil van anderen schipbreuk had geleden. Die onwil is er zeker geweest en de plannen in de richting van een christelijke universiteit ook, maar dan moet tegelijk gezegd worden dat het Rutgers was die in 1878 met betrekking tot het wetenschappelijk onderwijs betoogde dat een principiële samenwerking tussen ethischen en gereformeerden onmogelijk was: “Wij sluiten niemand uit, maar we spreken ons beginsel duidelijk uit; en wie op een anderen grondslag staat, kan niet meedoen” 17). Het was dan ook meer op Rutgers dan op Kuyper dat soms de gramschap zich richtte van hen, die een onhoudbare eenheid wilden bewaren: "In u, zo voegt dr. Bronsveld Rutgers toe, in u, meer nog dan in Dr. Kuyper, zie ik op dit oogenblik den man, die de breuke tusschen broeders onheelbaar tracht te maken” 18). En


17) Aldus in een discussie met dr. A.W. Bronsveld in de Stemmen voor Waarheid en vrede van 1879, geciteerd door Rullmann, Rutgers, pag. 75.
18) Rullmann, a.w., pag. 76. Vgl. ook de uitspraak van Hoedemaker uit 1889: mijn invloed op Kuyper nam af “naarmate die van Prof. Rutgers... toenam”, zie mijn Op zoek naar de belijdende volkskerk, Groningen 1967, pag. 6.

|XI|

Kuyper zijnerzijds wist hoeveel hij juist op het punt van de ‘beginselvastheid’ aan zijn vriend Rutgers verschuldigd was 19).

En zoals in de strijd om de stichting en de uitbouw van de Vrije Universiteit het aandeel van Rutgers zeker niet minder dan dat van Kuyper is geweest, zo is het ook met de Doleantie van 1886. Het is weer Kuyper zelf die in een terugblik op die gemeenschappelijke worsteling aandacht vraagt voor het meesterwerk dat Rutgers samen met De Savornin Lohman schreef De rechtsbevoegdheid onzer plaatselijke kerken en dan zegt: “ge zult van bladzijde tot bladzijde bespeuren, hoeveel rijker zijn aandeel in de lange worsteling was dan het mijne” 20).

Maar — Rutgers was de man die op de achtergrond bleef, zoals typerend uitkwam bij de opening van de Vrije Universiteit op 20 oktober 1880. De Universiteit begon, zoals men weet, uiterst klein: de theologische faculteit telde bij de opening drie hoogleraren: Kuyper, Rutgers en Hoedemaker; de juridische faculteit één: mr. Fabius en de “litterarische faculteit” ook één, dr. F.W.J. Dilloo, die al spoedig weer vertrok. Vijf hoogleraren — van wie Kuyper en Rutgers, de eerst-benoemden, ook de zwaarste last van het begin hebben gedragen. Welnu: Hoedemaker hield op de vooravond van de opening een “wijdingsrede”; Kuyper hield de volgende dag de openingsrede: Souvereiniteit in eigen kring; Fabius inaugureerde de dag daarop als juridisch hoogleraar met een rede over Het goddelijk karakter van het recht, maar — zo schrijft Rullmann terecht — “Dr. Rutgers, de stichter bij uitnemendheid hield ... zich stil” 21).

In het tweespan Kuyper-Rutgers trad de eerste op de voorgrond, was de tweede de man die diensten verleende. Het is één van de meest-boeiende trekken van Rutgers en dan komen we weer bij Kuypers karakteristiek: de man die groot was in het kleine.

Er is hier niet meer dan een enkel aspect van het wapenbroederschap tussen Kuyper en Rutgers belicht en dan nog niet meer dan: enigszins. Zou er volledigheid zijn betracht, dan had minstens ook nog gesproken moeten worden over de gemeenschappelijke arbeid van beiden voor de Vereniging van 1892 tussen de kerken die in de weg van de Afscheiding en die in de weg van de Doleantie vrij waren komen te staan van het genootschap der Nederlandse Hervormde Kerk, zoals het in 1816 was gereglementeerd. Dan zou ook het werk van beiden in de verenigde kerken besproken moeten zijn, waarbij inzonderheid de organisatie van de kerkelijke zending de aandacht had moeten ontvangen. Er ligt nog een breed terrein braak voor


19) Rullmann doet Kuyper op het vijfentwintig-jarig jubileum van De Standaard in 1897 zeggen, dat hij “aan zichzelf overgelaten, licht geneigd was om op het stuk der beginselen iets toe te geven, wanneer hij daardoor de gemeenschap met al de broederen behouden kon. Maar dan was het voornamelijk zijn “niet genoeg te waarderen vriend” Dr. Rutgers, die hem in zoo hachelijk oogenblik ontnuchterde”, a.w., pag. 76, 77. In het Gedenkboek-1897 wordt de naam van Rutgers niet genoemd. Kuyper spreekt dan meer in het algemeen: “En indien er niet van Gods wege steeds broederen om mij heen waren geweest, die in zoo hachelijk oogenblik mij ontnuchterd hebben, — ik zeg waarlijk niet dat mijn voet altoos vast op den weg had gestaan”, pag. 74. Maar zonder twijfel heeft Kuyper hier in de eerste plaats aan Rutgers gedacht.
20) Heraut van 25 maart 1917, no. 2044.
21) Rullmann, a.w., pag. 93.

|XII|

de biograaf van Rutgers, die er ook niet aan voorbij zal kunnen gaan dat Rutgers, inzonderheid in de positie-keuze tegenover de Theologische School te Kampen, als mede in het conflict met De Savornin Lohman, de ‘Seinpost-affaire’ 22), óók deelt in de schaduwen die over de figuur van Kuyper vallen!

 

Maar met het oog op de heruitgave van De geldigheid van de oude Kerkenordening hebben wij wellicht reeds al te lang stil gestaan bij de verbondenheid tussen Kuyper en Rutgers.

Hij behoort nu inzonderheid onze aandacht te hebben als kerkrechtelijk leermeester. De collega van Kuyper en diens medestrijder uit de dagen van de Doleantie heeft zijn meest-vérreikende invloed als leermeester geoefend. Ik noemde hem de leermeester van dr. J. van Lonkhuyzen en van prof. dr. S. Greijdanus.

 

Wie met beide theologen iets nader bekend is, weet hoe nauw zij zich aan Rutgers verbonden hebben geweten.

In de studeerkamer van Greijdanus waren “geen beeltenissen van zijn professoren” te vinden, “zelfs niet een afbeelding van den door hem zo hoog gewaardeerde Bavinck; het enige portret, dat tegenover zijn zitplaats den wand sierde, was dat van Dr. F.L. Rutgers” 23).

En voor wat Van Lonkhuyzen betreft — als hij herinneringen aan zijn studietijd aan de Vrije Universiteit ophaalt, tekent hij ons na Kuyper ook Rutgers in de collegezaal:

“Ah, die fijnbelijnde kop, dat gearticuleerde, gelijkmatige woord! En zoo recht als de zinnen, waren ook de lijnen van het kerkrecht dat hij ons leerde. Opdiepende uit de Schrift en de oude kerkenordeningen en Voetius — en we zagen het, dat was ons kerkrecht, ons Geref. kerkrecht! Zóó was het en niet anders! En ook van dat college gingen we gesterkt in den geest heen (...) En ik weet, dat er studenten naar huis gegaan zijn die thuis hun knie gebogen en God


22) Op de jaarvergadering van 1895 in Seinpost te Scheveningen gehouden dienden 35 leden van de Vereeniging van Hooger Onderwijs op Gereformeerden grondslag een aanklacht tegen de hoogleraar Lohman in. Het einde was dat Lohman ontslag als hoogleraar nam, nadat een enquête-commissie onder voorzitterschap van H. Bavinck had uitgesproken dat de Gereformeerde beginselen bij het onderwijs van prof. Lohman niet tot hun recht kwamen. De aanklacht was formeel van 35 leden der Vereeniging, maar de aanklagers handelden in overleg met Kuyper en Rutgers “en het heeft Lohman vooral gekwetst, dat zijn beide ambtgenoten hem geheel onkundig hadden gelaten, zodat deze publieke aanval voor hem geheel onverwacht kwam”. Dr. Roelink, aan wiens geschiedenis van de Vrije Universiteit ik dit ontleen, acht de aanklacht tegen Lohman op zichzelf terecht, maar noemt die tegelijk: een doorgestoken kaart. “Achter dit alles zaten Kuyper en Rutgers”, J. Roelink, Vijf en zeventig jaar Vrije Universiteit 1880/1955. Gedenkboek bij het vijf en zeventig-jarig bestaan der Vrije Universiteit te Amsterdam, Kampen 1955, pag. 111-113.
23) P. Deddens in De Reformatie XXIII, pag. 303.

|XIII|

gedankt hebben, dat ze studenten van Kuyper en Rutgers mochten zijn en zóó klaar de waarheid mochten inzien!” 24)

Uit dit citaat kan reeds blijken dat het hier om iets anders en iets meer gaat dan louter een persoonlijke verbondenheid. Nee, Van Lonkhuyzen wist zich in geestelijke zin de leerling van Rutgers en datzelfde geldt voor Greijdanus.

Heeft Rutgers dan soms maar twee leerlingen in deze zin van het woord gehad, waarvan er één Van Lonkhuyzen ook nog zó vergeten is, dat er in de tweede druk van de Christelijke Encyclopedie nog geen twintig jaar na zijn dood geen artikel over hem is te vinden met biografische gegevens 25) (Eerst vijfentwintig jaar na zijn overlijden verscheen in Nederland een In memoriam dat deze lacune opvult 26)? Nee, er zouden meer namen, ook van zeer begaafde leerlingen zijn te noemen. Maar we kunnen ons in deze korte karakteristiek toch tot déze twee beperken. Want Van Lonkhuyzen is inzonderheid die leerling van Rutgers geweest die reeds in de jaren twintig van onze eeuw de wacht betrok bij het kerkrecht, zoals Rutgers het had onderwezen, het kerkrecht van de Doleantie, toen de gezaghebbende canonici in de Gereformeerde Kerken in principe de overgang maakten van dit kerkrecht naar een nieuw kerkrecht; die overgang werd door Van Lonkhuyzen eens gekarakteriseerd als “een overlopen naar het Hervormde kerkrecht” 27). Jarenlang leek Van Lonkhuyzen toen een veldheer zonder collega’s en met weinig duidelijke aanhang, een legertje van bijzonder bescheiden proporties 28). Maar als het in de jaren dertig blijkt dat het “nieuwe kerkrecht” aan de Vrije Universiteit systematisch wordt onderwezen en gepropageerd, komt Greijdanus ook als kerkrechtelijk publicist naast Van Lonkhuyzen staan “om onze kerken te houden in het spoor van het door Rutgers gewezen kerkrecht” 29).

Van Lonkhuyzen en Greijdanus — leerlingen van de canonicus Rutgers, — dat betekent in geen enkel opzicht dat Rutgers voor hen de laatste en


24) Gereformeerd Theologisch Tijdschrift XXXII, pag. 402.
25) De naam van Van Lonkhuyzen wordt wel genoemd in het vijfde deel van deze druk van de Christelijke Encyclopedie, Kampen 1960, s.v. Oud en nieuw kerkrecht, waar D. Nauta een zeer summier overzicht geeft van de kerkrechtelijke controvers sinds 1926 in Nederland en in Noord-Amerika. Het is evenwel opvallend dat bij de opgave van de litteratuur alleen de tegenstanders van het “oude kerkrecht”, door Van Lonkhuyzen verdedigd, aan het woord komen. Het is een hinderlijke omissie dat zelfs zijn brochure Is het nieuwe Kerkrecht niet een ernstige dwaling, Franeker 1939 hier niet wordt vermeld.
26) D. Deddens, Canonicus magna cum laude. In memoriam dr. J. van Lonkhuyzen, overleden 29 december 1942, De Reformatie XLIII, pag. 97-99.
27) J. van Lonkhuyzen, Is het nieuwe kerkrecht niet een ernstige dwaling, pag. 38.
28) Zo D. Deddens in a. art., pag. 97.
29) Zo K. Schilder in zijn rede uitgesproken ter gelegenheid van de zeventigste verjaardag van prof. Greijdanus, opgenomen in het Handboek ten dienste van de Gereformeerde Kerken in Nederland, 1947, pag. 132-167. Het citaat te vinden op pag. 164.

|XIV|

beslissende autoriteit zou zijn geweest. Dat zou al heel weinig van een geestelijk discipelschap van deze hoogleraar getuigen, die zijn colleges over de gereformeerde kerkregering heeft ingezet met de belijdenis dat Jezus Christus de enige “overheid” der kerk is 30). Voor zijn autoriteit moet iedere andere wijken! Artikel 7 van de Nederlandse Geloofsbelijdenis, waarin ontkend wordt dat men enige “mensen schriften” gelijk mag stellen met de goddelijke Schriftuur stond voor hem ook in het kerkrecht centraal 31). Zo heeft hij in het hart van zijn leerlingen het zaad van de zelfstandigheid gezaaid, waardoor in de christelijke gemeenschap de leerling zich definitief van de epigoon onderscheidt! Van Van Lonkhuyzen kan worden getuigd dat hij het kerkrecht, waarin Rutgers hem onderwees, niet alleen heeft verdedigd en gehandhaafd. Hij heeft het óók verder gebracht. Daarbij kan als eerste punt worden genoteerd: “Met betrekking tot de zaken in geding heeft hij sterker dan in de Doleantietijd was gebeurd de Schrift laten spreken” 32). En van Greijdanus is aangetoond dat hij reeds als predikant en redacteur van een provinciaal kerkelijk orgaan op oneffenheden in een kerkrechtelijk betoog van Rutgers heeft gewezen en concrete correcties heeft voorgesteld 33).

Wanneer Rutgers hier als leermeester van Van Lonkhuyzen en Greijdanus wordt getypeerd, dan gebeurt dat dus niet omdat deze beiden zulke geslaagde imitatoren van Rutgers zouden geweest zijn. Maar het gebeurt wèl omdat zij de canonicus Rutgers in zijn geloofsstrijd zijn blijven kennen, ook toen velen déze strijd verloochenden. Het is niet moeilijk vast te stellen waarom het Rutgers in die geloofsstrijd is gegaan! Wanneer hij in 1882 — vier jaar vóór de Doleantie! — voor de eerste keer wordt geroepen het rectoraat van de Vrije Universiteit over te dragen, doet hij dat met een rede over het kerkverband van de gereformeerde kerken 34). Het is dan zijn eerste zorg aan te tonen van hoe eminente betekenis deze zaak voor de kerk van Christus is:

“In den tijd der Hervorming stond die quaestie van het kerkverband op den voorgrond. Maar zoo is het ook later gebleven in den strijd tegen Rome. En zoo was het niet minder in den strijd tegen het


30) “... in het kerkelijke zijn niet Synoden, classes en kerkeraden overheid, ook niet de burgerlijke Overheid, maar Overheid is de Koning der kerk, d.i. Jezus Christus”, getypt college-verslag cursus 1892-1893, pag. 3, vergelijk ook De geldigheid van de oude Kerkenordening, pag. 28.
31) Rechtsbevoegdheid, tweede druk, pag. 36, 37.
32) D. Deddens in a. art., pag. 97.
33) D. Deddens in de Almanak van het studentencorps aan de Theologische Hogeschool, 1948 (de zgn. Greijdanus-almanak) in het artikel Prof. Dr. S. Greijdanus en het Gereformeerd Kerkrecht, pag. 185-223, vooral pag. 193 v.v.
34) F.L. Rutgers, Het kerkverband der Nederlandsche Gereformeerde Kerken, gelijk dat gekend wordt uit de handelingen van den Amsterdamschen Kerkeraad in den aanvang der 17e eeuw, Amsterdam 1882.

|XV|

beginsel der Revolutie. En zoo is het ook nu nog in onzen tijd, en bepaaldelijk in ons vaderland” 35).

Even verderop werkt de redenaar dit dan als volgt nog verder uit:

“Het is waarlijk geen quaestie, die maar zoo naar willekeur kan gemaakt of geweerd worden. Zij hangt samen met de diepste geloofsovertuiging, die nu eenmaal niet werkeloos zijn kan. Wie gelooft, dat de Christus, en Hij alleen, in zijne kerk Souverein is, en dan daarbij inziet, wat er uit die waarheid rechtstreeks volgt, die kan nooit berusten in een toestand, waarbij dat geloof gekrenkt wordt. Hij kan des te minder zwijgen, als hij mag behooren tot een kerkverband, dat reeds voor drie eeuwen door de werking van dat geloof gereformeerd is, en dat in zijn eigen recht van bestaan met de handhaving van die waarheid staat of valt. En vanzelf vloeit dan voort uit dat alles, gelijk nu ook bij vernieuwing hier te lande het geval is, dat de daar genoemde quaestie zich hoe langer hoe sterker doet gelden, en zelfs tot op zekere hoogte den toestand beheerscht. Of men het betreurt dan wel toejuicht, of men het bevorderen dan wel keeren wil: aan de orde is nu eenmaal de vraag naar den aard van het kerkverband der Gereformeerde kerken” 36).

De aard van het kerkverband” — dát was de inzet van het grote geding in de strijd tegen het Reglement van 1816. Tegenover het genootschapskerkrecht, waardoor de kerken opgesmolten werden in de éne landskerk met aan de top een bestuur dat de naam synode hield, maar dat in werkelijkheid de opperkerkeraad was, heeft Rutgers in bond met Abraham Kuyper 37) teruggegrepen op het klassiek-gereformeerde kerkrecht uit de zestiende en de zeventiende eeuw. Vandaar ook de grote autoriteit die Gijsbertus Voetius bij Rutgers genoot. Hij is voor hem de aartsvijand van alle hiërarchie. En het is de hiërarchie die de samenleving van de christelijke kerken in de enigheid van het ware geloof uit kracht van de christelijke liefde en onder


35) F.L. Rutgers, a.w., pag. 8.
36) F.L. Rutgers, a.w., pag. 8, 9.
37) Kuyper heeft in vele vlugschriften en in talloze Heraut-artikelen het genootschapskerkrecht bestreden en een samenvatting en fundering van zijn kerkrechtelijke inzichten en polemiek gegeven in zijn Tractaat van de reformatie der kerken aan de zonen der Reformatie hier te lande op Luthers vierde eeuwfeest aangeboden, Amsterdam 1884. Veel meer dan bij Rutgers staan bij Kuyper echter sommige van zijn kerkrechtelijke opvattingen onder de vigeur van zijn speculatieve kerkidee. Men kan dit ook nagaan in zijn college-dictaten over de kerk, Dictaten Dogmatiek, Locus de Salute, Ecclesia, Sacramentis, tweede druk, Kampen z.j., pag. 173 v.v., 252 v.v., en in zijn Separatie en Doleantie, Amsterdam 1890. Tegen deze speculatieve kerk-idee en de doorwerking daarvan in kerkrechtelijk opzicht heeft vooral F.M. ten Hoor een waardevolle bijdrage geleverd in zijn artikelen in het maandschrift De Vrije Kerk en in de afzonderlijke publicaties Afscheiding en Doleantie in verband met het Kerkbegrip, Leiden 1890 en Afscheiding of Doleantie, Een woord tot Verdediging en nadere Toelichting, Leiden 1891. Het moet betreurd worden dat Kuyper zich niet in een serieuze gedachtenwisseling met deze bekwame kritikus heeft begeven, vgl. voor een korte samenvatting van Ten Hoors kritiek, P.A. van Leeuwen, Het kerkbegrip in de theologie van Abraham Kuyper, Franeker 1946, pag. 223-225.

|XVI|

de exclusieve hoogheidsrechten van het Woord Gods heeft gecorrumpeerd. De verbreking van die hiërarchie door de reformatie kon daarom na de véle middeleeuwen weer het oog openen voor het Schriftuurlijke kerkverband: het confoederatieve samenleven van die kerken die alleen plaatselijk van haar Zaligmaker en Koning een ambtelijke institutie hebben ontvangen.

Toen in het begin van de negentiende eeuw het collegialisme andermaal (de twééde hiërarchie!) het kerkverband gedeformeerd had, was uit de aard van de zaak de eerste aandacht van Rutgers historisch gericht: hoe was vóór de paleisrevolutie van het collegialisme het samenleven der tot reformatie gekomen kerken geregeld? Daarom zijn bij hem kerkrecht en nederlandse kerkgeschiedenis zo nauw verstrengeld: het verloren terrein moest allereerst herwonnen worden. Zo is hij als leermeester werkzaam geweest op die kerkhistorische en kerkrechtelijke katheder aan de Vrije Universiteit. Zo heeft hij zijn leerlingen de eerbied en de liefde bijgebracht voor het historisch-gereformeerde kerkrecht, waarbij — ook in kerkrechtelijk opzicht — achter Voetius voor hem de figuur van Calvijn oprijst 38).

Maar is nu op deze wijze Rutgers plaats als leermeester bepaald, dan is het ook mogelijk scherper zicht te krijgen op de verhouding van Van Lonkhuyzen en Greijdanus tot hun leermeester, waar hierboven reeds even aandacht aan werd gegeven.

Men heeft het klassiek-gereformeerde kerkrecht, zoals het door Rutgers weer onder het stof vandaan was gehaald, binnen de Gereformeerde Kerken in de twintig jaren tussen 1926 en 1946 principieel van karakter willen veranderen door met veronachtzaming van de historische hoofdlijnen, door Rutgers getrokken het spoor te leiden op een centralistisch en hiërarchisch kerkrecht. Daarbij maakte men in de eerste plaats gebruik van de gedienstigheden der praktijk, waartoe de gereformeerden in vorige eeuwen zich hadden laten verleiden en in de tweede plaats sloot men aan bij centralistische en landskerkelijke momenten die in het frans-gereformeerde en presbyteriale kerkrecht werden gevonden. Dusdoende werd aan de plaatselijke kerk met een beroep op de historie, dat door historisme werd gestempeld, haar recht en haar vrijheid langzaam aan weer ontnomen. Een vergelijking van de verschillende drukken van de Korte Verklaring van de Kerkenordening door ds. Joh. Jansen geschreven is hier bijzonder illustratief 39).

Tegenover deze dreiging van een dérde hiërarchie moest nu in de eerste plaats weer de eigen aard van het klassiek-gereformeerde kerkrecht worden


38) Hierbij is vooral te denken aan zijn reeds gememoreerde studie over Calvijns invloed op de reformatie in de Nederlanden, en eveneens aan zijn laatste rectorale oratie De beteekenis der gemeenteleden ah zoodanig, volgens de beginselen, die Calvijn, toen hij openlijk optrad, heeft ontwikkeld, toegepast, Amsterdam 1906.
39) De eerste druk dateert van 1923, de tweede van 1937, de derde van 1951. De eerste druk is nog geheel door het onderwijs van Rutgers gestempeld. De tweede dateert ➝

|XVII|

aangewezen, waarbij de oppositie Van Lonkhuyzen en Greijdanus heeft genoodzaakt dieper in te gaan op de interpretatie van Voetius en scherper de verschillen aan te geven tussen de Nederlands-gereformeerde en de (in de historische zin van het woord) presbyteriale kerkregering.

Maar tegenover het historisme moesten vervolgens ook de “Schriftbeginselen van het kerkrecht” 40) scherper in het licht worden gesteld en breder worden ontvouwd dan het Rutgers mogelijk was geweest. Hierbij is ook te denken aan heel de voortgang van de studie van de Heilige Schrift in exegetische arbeid en in het naspeuren van de geschiedenis der Godsopenbaring, waardoor het meer dan te voren mogelijk werd scherp het verschil in het oog te krijgen tussen de centrale, oudtestamentische tempeldient èn de gedecentraliseerde eredienst en kerkvergadering in het Nieuwe Verbond en waardoor ook meer licht is gevallen op de roeping en verantwoordelijkheid van alle gelovigen in de bedéling van Pinksteren.

Met deze bijdrage hebben de leerlingen het ons niet alleen mogelijk gemaakt in eigen tijd stand van zaken op te nemen en positie te kiezen, maar ze hebben ons ook hun leermeester Rutgers dichterbij gebracht. Ze hebben dat gedaan door voor zijn onderwijs in de bres te springen en de hoofdstellingen van zijn kerkrecht te vindiceren. Maar ze hebben het óók gedaan door wars van epigonisme de lijnen dóór te trekken of te corrigeren al naar dat nodig was. Want de epigonen vervreemden een volgend geslacht van de boven mate vereerde voorganger. Het is, helaas, met Abraham Kuyper in dogmaticis gebeurd. Terwijl de epigonen de historische afstand — en de roeping die daarin tot vrije christenen komt — in feite ontkennen, scheppen ze voor allen die gedwongen worden door hun bril te zien een gevoel van diepe vervreemding. Het derde geslacht is altijd het slachtoffer, wanneer het tweede geslacht deze dwaalweg is ingeslagen. Maar waar de epigonen een band willen forceren, maar daardoor juist banden doorsnijden, daar hebben de leerlingen, die het zaad van de zelfstandigheid door de leermeester gestrooid niet schuwen, voor de volgende generatie een weg geopend om de leermeester te verstaan. Want het is “in zijn tijd” geweest


➝ van na de zwenking van 1926 en heeft in het “voorbericht” dan ook deze onthullende mededeling: “De verdere studie van ons Gereformeerde kerkrecht sinds de vorige uitgave vorderde, dat ze bij de voornaamste artikelen eenige verandering en uitbreiding onderging”. Het “voornaamste” werd door mij gecursiveerd. Het “enige” in “enige verandering” is wèl miniserend! De derde druk tenslotte is na de vrijmaking van 1944 verschenen en heeft de zwenking voltooid en geradicaliseerd.
40) Vgl. S. Greijdanus, Schriftbeginselen van kerkrecht inzake meerdere vergaderingen, Enschede z.j. Dankbaar is hier ook nota te nemen van het juist ten tijde van de kerkrechtelijke zwenking van H.H. Kuyper c.s. verschenen proefschrift van D. Jacobs, De verhouding tusschen de Plaatselijke en de Algemeene Kerk in de eerste drie eeuwen, door Van Lonkhuyzen kritisch, maar over het algemeen met grote instemming besproken in zijn opstel. Een belangrijk boek, enz. in Gereformeerd Theologisch Tijdschrift, XXXI, pag. 406 v.v.

|XVIII|

en “voor zijn geslacht” dat hij de raad Gods heeft gediend 41). Daarmee is ongetwijfeld een beperktheid gegeven: ieder leeft binnen de horizon van zijn eigen tijd en stemt zijn woord af op zijn geslacht. Maar die beperktheid heft de mogelijkheid van de gemeenschapsoefening niet op: het is de raad van God, die al Zijn knechten, die zijn kinderen mogen zijn, hun plaats toewijst en hun roeping toedeelt, maar hen ook verbindt over alle tijden heen, zodat het “samen mèt alle heiligen” 42) geen lege klank is, maar in diepe dankbaarheid ervaren wordt in de gemeenschap van het geloof.

 

Hiermee wordt dit werk van prof. F.L. Rutgers in het gedenkjaar van Emden, 1571 aan het publiek aangeboden. Daarbij wordt de wens uitgesproken dat deze studie (vrucht èn onderdeel van de reformatorische bezinning uit de negentiende eeuw) over de reformatie van het kerkverband in de zestiende eeuw dienstbaar moge zijn aan de gehoorzame en dankbare oefening van dit verband door de kerken in de twintigste eeuw.

 

Kampen, 11 augustus 1971.

J. Kamphuis.


41) Hand. 13: 36. De Staten-vertaling heeft “in zijn tijd”, de vertaling van het Nederlands Bijbelgenootschap “voor zijn geslacht”.
42) Ef. 3: 17, 18, 19 “Geworteld en gegrond in de liefde, zult gij dan, samen met alle heiligen in staat zijn te vatten, hoe groot de breedte en lengte en hoogte en diepte is, en te kennen de liefde van Christus, die de kennis te boven gaat, opdat gij vervuld wordt tot alle volheid Gods”.