67
3,169-193
01-09-1967

|169|

Is er een ambt van de gelovigen?

 

Het vraagteken in de formulering van het onderwerp zegt al genoeg. Het zegt in ieder geval, dat ik deze verhandeling wil gebruiken, om te vermanen tot grondige bezinning op de vragen, die men tegenwoordig allerwegen aan de orde stelt en met een verbluffende zelfverzekerdheid en vanzelfsprekendheid beantwoord acht. Allerlei kreten en ook allerlei theorieën zijn goed. Dat wil zeggen: het is goed, dat ze er zijn. Maar het is toch dringend gewenst, dat zij doordacht worden, ten eerste in hun wijdst mogelijke samenhangen en ten tweede tot op hun eigen grond.

Zo kan men wel kolossaal hameren op dat ene aambeeld van de leek: hij is de eigenlijke kerk, hij moet het eigenlijke werk doen, hij verkeert in de wereld, hij draagt het „vergeten ambt”. Maar bij zo veel enthousiasme is het nuttig, zich af te vragen: is het eigenlijk wel een ambt te noemen, wat de leek draagt? En zo ja, in welke zin is dat een ambt te noemen? En vooral: welke repercussies heeft het, bijvoorbeeld in de ecclesiologie en niet minder in de anthropologie, waar voor (gecastreerde) kerk krijgen we en wat voor (verwrongen) mensbeeld, als we gaan spreken — de paradox krast hartverscheurend! — van (N.B.!) het àmbt van de léék? Zit er niet ook een fata morgana in, waarmee we ons troosten, nu we zo zwoegen door de woestijn van het kerkzijn in de moderne tijd? En zit er niet ook iets in, wat velen diep verdrietig maakt, die hun leven in trouwe, concrete arbeid in de traditionele kerk geven, maar telkens moeten horen, dat alles natuurlijk totaal anders zou moeten?

Het zal er in het volgende nu en dan op lijken, dat ik niet meer bezig ben met m’n onderwerp. Maar ik zie geen kans, antwoord op m’n vraag te geven, zonder een aantal schijnbare omwegen te maken. Ik stel daarom de volgende vijf thema’s aan de orde:

I. De gelovige in de wereld.
II. De apartheid van de kerk.
III. De bijzonderheid van de ambten.

|170|

IV. De gelovige in de kerk.
V. Nogmaals: de gelovige in de wereld.

 

I. De gelovige in de wereld

Dat het „eigenlijke” waar het op aankomt, bij de leken ligt, is naar het mij voorkomt altijd reeds gezegd. Dat is niet een inzicht van de laatste tijd. Het „ambt van de leek” is, als men de kerkgeschiedenis kent, helemaal niet een „vergeten ambt” te noemen. Het methodisme hamerde er op vanaf de achttiende eeuw tot in de preken en toespraken, die ik in m’n jeugd hoorde. Het piëtisme, zowel het gereformeerde als het lutherse, streefde niets anders na. Calvijn met zijn strenge tucht dacht het hele aardse leven te styleren tot het rijk van God. En ook in de Middeleeuwen en de Oude Kerk heeft men er uit den treure de nadruk op gelegd, dat het op het leven aankomt. Het eigenlijke in het geloof is de orthopraxie, niet de orthodoxie. Dat is een onvervreemdbaar israëlitisch ferment in het christelijke geloof.

Met de orthodoxie heeft men reeds een vorm van de kerk, in haar apartheid en gestaltelijkheid, Het is de kerkvorm van de belijdenis, het dogma. Het is een van de vele vormen, die tezamen het hele kerkzijn uitmaken. Maar het is iets uit de kerk.

Met de orthopraxie zijn we in de wereld. In welke zin komt het daarop aan? In welke zin zijn het leven en de daad van de gelovige in de wereld het eigenlijke? Daarop kan men verschillend antwoorden. Men kan zeggen: de goede werken zijn verdienstelijk, daarmee moet men de hemel verdienen, althans zijn steentje daartoe bijdragen. Men kan ook zeggen: krachtens de ordening van God zijn de goede werken, is het leven van de heiliging nu eenmaal het pad naar het eeuwige leven, in de perseverantia sanctórum (men spreekt niet van perseverantia electorum of fidelium) wandelt men vanzelfsprekend en volhardend daarover. Men kan ook zeggen: het geloof incarneert zich pas in het doen, sport staalt spieren, al doende wordt men zeker van zijn geloof, van zijn verkiezing en van zijn eeuwige zaligheid. Men kan ook zeggen: het leven van de gelovige in de wereld is niet maar het bewijs van de echtheid van zijn geloof, het is de scopus; hij is opgenomen in de beweging van Gods barmhartigheid naar de wereld; om die wereld is het God te doen. Waarbij het dan nog de vraag is, in welke zin het God te doen is om die wereld: gaat het Hem om de mensen in die wereld, dat die in de hemel komen en zalig worden of gaat het Hem om de wereld

|171|

in de zin van het historische cultuurproces, dus daarom dat het sociale ideaal bereikt wordt?

Persoonlijk neig ik tot dit laatste antwoord. Dan weet ik tenminste christelijk raad met de grondstellingen van het communisme. Maar dan moeten we ons er toch voor hoeden, niet zo burgerlijk te worden als de communisten. De gelovige leeft en handelt in de wereld. Maar heeft hij niet op de een of andere manier zijn zwaartepunt buiten de wereld — en als afspiegeling daarvan ook in de kerk — liggen? Bijvoorbeeld in de hemel of in de visio dei of in het eschaton of in de eeuwige raad van God? Als de eeuwigheid totaal weg is uit het bestaan, is alles verloren. Dan is ook het bestaan weg. Want dat is een verhouding tot de eeuwigheid. Het gaat om de vroomheid en om de deugd. Anders gezegd: het gaat om de stylering van het leven in de tijd door de verhouding tot de eeuwigheid. Dat is het enige, wat ons redt van de burgerlijkheid, met name ook van de grootste en meest urgente burgerlijkheid van nu, die van het communisme — dat denkt, met een revolutie in het eschaton te springen of door een evolutie er in te glijden.

Dat brengt ook met zich mee, dat we er niet zijn met de simpele bewering, dat het eigenlijke ligt in het leven van de gelovige in de wereld. Het gaat om de orthopraxie. Maar die clausule orthopraxie stelt reeds een probleem. Er kan heel verschillend geleefd worden. De wereld kan op duizend manieren beleefd worden. En niet alle manieren zijn even goed. D!e gedachte „als er maar geleefd wordt, fel en authentiek” is goddeloos. Er moet op de rechte manier geleefd worden. Het gaat om de orthopraxie. In Christus — daaromheen: in Israël — is de enige ware zijnswijze ontsloten, Daarom is de authenticiteit niet een laatste criterium. Het is nauwelijks een eigen zelfstandig criterium. Daarvoor moet het zijn in Christus, de messianiteit van het leven in de plaats gesteld worden. Het gaat in het leven van de gelovige in de wereld om de heiliging, de kerstening, de israëlitisering. De hoofdzaak daarin is, dat hij moed heeft voor de wereld, dat hij de zin van het historische proces ziet, hij weet de wil van God, hij heeft de Geest ontvangen om de wil van God te doen, hij is bezig met de realisering van het sociale ideaal, hij werkt aan een betere wereld en aan de vooruitgang — naar het klare voorbeeld dat op de berg (de Sinaï, Golgotha, de historische openbaring) getoond is, niet naar de visioenen, die uit het troebele hart oprijzen.

|172|

Vanwege dit kritische karakter van de orthopraxie zal men wel moeten spreken van een ambt van de gelovige in de wereld. Want door al de genoemde bepalingen aangaande die orthiciteit van deze praxie is en doet de gelovige anders dan de anderen. Er zijn mensen, die niet in Christus zijn. De gelovige staat tegenover de niet-gelovenden, Dat tegenover is de essentie van het ambt. De gelovige is niet puur, in authenticiteit, zichzelf. Hij vertegenwoordigt Christus. Hij is instrument van God in Christus. Hij wordt gebruikt, door God, om het werk van God in de wereld te verrichten. Dat is volop ambt.

Dat ambtelijke vinden we natuurlijk niet alleen bij de gelovige als zodanig. Wij vinden het ook bij de mens als mens. Hij staat in een tegenover met het niet-menselijke van de dieren, de planten en de dingen. Dit alles vat hij aan en zet het om. Wij noemen dat cultuur. In de culturele positie van de mens schuilt ook ambtelijkheid. Men kan op deze lijn nog één stap verder gaan. Moet men niet zeggen, dat het zijn als zodanig, het zijn van alles, ook iets ambtelijks heeft, namelijk tegenover het niet-zijn, tegenover het niets? Het is door God gewild, geponeerd, in het aanzijn geroepen. De schepping als zodanig heeft iets ambtelijks.

Maar hier moeten we toch niet alle ambtelijkheid in elkaar laten vervloeien. De christianitas heeft iets ambtelijks. De humanitas ook. Maar ze zijn niet identiek. De nieuwe zijnswijze, die in Israël en in Christus ontsloten is, is niet identiek, zeker niet met de humanitas van de zondaar en de heiden, maar ook niet met de humanitas als zodanig. De vader van de gelovigen, Abraham, en de mens Jezus Christus vertonen niet puur de ware humaniteit, de pure medemenselijkheid, het alleroudste en het meest oorspronkelijke. De dekaloog is niet helemaal gelijk aan de lex naturalis. Christus is dat helemaal niet. Van puur christomonisme dreigen we tegenwoordig door dergelijke identificaties in de meest baarlijke natuurlijke theologie terecht te komen. Nu is natuurlijke theologie een goede zaak. Maar in de situatie van de zonde hebben we er helaas niet genoeg aan.

Daarom komen we er niet, wanneer we, nadenkende over het leven van de gelovige in de wereld, alleen spreken over solidariteit, medemenselijkheid, beschikbaarheid, présence au monde, onbaatzuchtige dienstbaarheid, selbstloser Dienst. Het is niet genoeg, de wereld alleen maar te helpen. Want dan helpen we haar alleen maar, verloren te gaan. De wereld moet verlost worden. En de wedergeboorte is een nog veel zwaardere verlossing dan de

|173|

geboorte. Daarom is de christen meer dan alleen diaken. Hij is getuige. Hij getuigt van de waarheid. Die ligt alleen in Israël en in Christus. Die lag niet eens — althans niet als waarheid aangaande het heil — in de schepping, laat staan dat ze in de zonde of het heidendom zou liggen. Daarheen, naar deze waarheid in Israël en in Christus, naar het zo aangebroken rijk, verwijst de christen. Tot in het martelaarschap toe. Wie in de wereld voor de waarheid opkomt, komt in de katakomben en in de arena terecht.

Hoe zou een christen ooit martelaar worden, als hij in het geheel niet lastig, als hij alleen maar prettig, alleen maar begrijpend, solidair en dienstbaar zou zijn? In zijn ambtsdrager zijn in de wereld moet daarom ook een sterk ferment van kritiek, oppositie en agressie — en dat niet alleen tegenover de heidens-conservatieve, maar evenzeer tegenover de met minder heidens-revolutionaire mentaliteit — zitten. Hij fungeert ook als spelbreker. Natuurlijk doet hij ook een hele massa gewone dingen. Er is nog veel goeds in de wereld. Dat ligt misschien aan de gemene gratie. Maar als hij iets gewoons doet, bijvoorbeeld rural reconstruction of medische verzorging of goed onderwijs of daadwerkelijke hulp aan ontwikkelingslanden, zal hij er toch op de een of andere manier bij moeten zeggen, dat hij het om Christus’ wil doet. De naam van Jezus moet niet helemaal onder de tafel raken. Want hij is onze heiland. In hem is werkelijk alles geschonken. Hij is God de Zoon in het menselijke vlees. Zoiets moet je niet verzwijgen. Ook niet uit solidariteit met en bewogenheid over de mens in de naaste, die dat allemaal maar bakerpraatjes en vroom gekwezel vindt. Het zegje, dat tegenwoordig zoveel opgeld doet, dat het er bij christelijke arbeid in de wereld in het geheel niet om gaat, zieltjes te winnen, is of een erbarmelijk misverstand van de christenen met zichzelf of gewoon ordinair boerenbedrog. Het is niet de hoofdzaak, dat de mensen tot Christus en dus tot het christelijke geloof en de kerk gebracht worden. Dat is niet het doel. Maar het is wel een onmisbaar middel.

In al deze overwegingen liet ik nog een zeer fundamenteel gegeven buiten beschouwing. Ik bedoel dat van de gemeenschappelijkheid. De gelovige leeft en werkt in de wereld. Maar hij doet dat in de verbanden, de structuren en de instituten, die er zijn. Om te beginnen moet hij die aanvaarden. En dat met een bin-nenpretje. Het is een teken van onvolwassenheid, daar niet, als zelf slechts moment, in te willen staan en daar alleen maar in oppositie tegen te willen leven. Maar de gelovige wil er ook wat

|174|

mee. Hij staat niet alleen maar getuigend in de wereld in de zin van evangeliserend. Er zijn belangrijker dingen te doen, dan enkele mensen met Christus in aanraking te brengen, boe belangrijk dat op zichzelf ook is. Maar het is pervers, daarvoor alleen de sociale, culturele en politieke verbanden te willen gebruiken. Die verbanden zelf zijn, als gestalten van de gemeenschappelijkheid van het menszijn, ook heilig. En de getuige-martelaar wil daar ook wat mee. Het meest illustere voorbeeld daarvan is datgene, wat de eerste christenen drie eeuwen lang met het keizerschap gewild hebben. Is de nieuwe zijnswijze, die in Israël en in Christus is ontsloten, niet van een dergelijke katholieke capaciteit, dat ook de structuren van de gezamenlijkheid van daaruit gemodelleerd kunnen worden?

Een ander, niet minder belangrijk, aspect van dit vraagstuk ligt in de vraag, hoe het ambt van de gelovige in de wereld vervuld kan worden met gebruikmaking van dat typische verschijnsel van de moderne geest: de vereniging, de partij, het genootschap — als vrije organisatie van mondige burgers in het hele bestel van het leven. Naar mijn inzicht is over de essentie van dit moderne gegeven nog zo weinig grondig nagedacht, dat de meeste discussies over christelijke of algemene organisaties wel zo onvruchtbaar moeten blijven, als ze in de regel zijn. Ik steek op dit ogenblik dan ook zelfs geen vinger in dit wespennest. Het zou een geheel aparte verhandeling vragen.

Een andere kwestie is dat denkbeeld, dat door Kraemer is opgeworpen, De laity is niet een aantal losse gelovige enkelingen. Ze is een groep, een geheel van groepen, een corpus, Helaas heeft Kraemer aan dit belangrijke gezichtspunt weinig uitwerking gegeven. Maar het lijkt me belangrijk. Waar moeten we aan denken? Toch met alleen aan bijbelkringen en huisgemeenten? Die zijn er in menigte. Moeten we ook denken aan celvorming in de vijandige wereld, op de wijze van de communisten? Maar dan toch in ieder geval openlijker dan in het communistische gewroet pleegt te gebeuren. Of moeten we denken aan de ordoïde gemeenschap? Daarover wordt allersmakelijkst getheoretiseerd. Wanneer zal er eens door enige mensen concrete ernst mee gemaakt worden? Alleen: ze moeten zich dan wel realiseren, dat het dan zowel met alle Schöngeisterei als met alle kritikasterij radikaal uit moet zijn. Ze moeten zich concreet voor één ding inzetten. Daar moeten ze zich dan ook helemaal voor inzetten. En de vitale band met de rest van de christenheid, met name met

|175|

de empirische kerk (een andere kerk is er niet), moeten ze niet — in een dan spectaculair isolement — loslaten. Ze teren tenslotte, zowel geestelijk als organisatorisch als financieel, op de institutionele kerk.

 

II. De apartheid van de kerk

Het voorgaande ging over de gelovige in de wereld, We meenden daar de vraag, of er te spreken valt van een ambt van de gelovige, bevestigend te moeten beantwoorden, Een andere vraag is, of het gelovige-in-de-wereld-zijn daarin opgaat. Is hij als zodanig alleen maar ambtsdrager? Op die vraag kom ik aan het slot uitvoerig terug.

Eerst hebben we een paar andere vragen te bekijken. Zo bijvoorbeeld de vraag, of dit nu het enige is, zelfs of dit werkelijk het eigenlijke is: dat de gelovige in de wereld is. Is hij puur mens onder en met de mensen?

We kwamen zojuist al op de gedachte van de laity als corpus, Dat houdt dus in, dat er méér zulke zonderlingen zijn, die nog geloven, het met de God van Israël houden en de messias, die ook de middelaar is, belijden, Vormen zij alleen maar een ordoïde groep, een maatschappelijke cel, een bijbelkring, een huisgemeente?

Dat zijn zonder enige twijfel gewichtige verbijzonderingen. Maar zij hebben alle ook iets partieels en daarmee op zichzelf genomen iets sectarisch. Er zit, vanuit Israëls drang tot eenheid, meer katholiciteitsdrift en meer zucht tot zichtbaarheid in het christelijke geloof.

Daarom vormen àlle gelovigen tezamen, om alle verbijzonderingen heen, ook een gemeenschap. Die wil ook zichtbaar worden in de wereld. Deze zichtbaarheid wil zelfs een teken en een centrum hebben, hetzij dit in de kerkeraad en de synode, hetzij het in de bisschop en de paus gezocht wordt.

Maar daar kom ik aanstonds op, Nu gaat het om de gemeenschap van de gelovigen als zodanig. Zij vormen ook als geheelheid een volk. Het volk van God. Dat is typisch voor Jahwe. Hij wil gemeenschap. Die schept Hij om zich heen, mét dat Hij optreedt. Gemeenschap van de enkele mens met zich. Gemeenschap van de enkele mens met zijn naaste. Maar nog veel meer gemeenschap van de gemeenschap van het gehele volk als eenheid met zich en dan ook gemeenschap van de enkele mens met deze gemeenschap van zijn volk.

|176|

Het smartelijke daarbij is, dat men dit volk van God nu eenmaal in alle feitelijkheid niet kan vereenzelvigen met het menselijke geslacht als zodanig. Er zijn nu eenmaal massa’s mensen, die het niet met Jahwe houden en met zijn rijksbedoelingen met de wereld. In deze vrijheid om verloren te gaan worden zij gerespecteerd. Een mens moet het heil en de verlossing ook zelf weten en willen en doen. God komt niet als een huizenhoge zee of als een stoomwals over de mens. Zelfs tegenover de comprehensiviteit en de inclusiviteit van Christus en zijn werk moet men pneumatologische voorbehouden maken. Op dit punt staat niets minder dan de volle menselijkheid van de mens op het spel. Hij is of wordt althans (in verkiezing en verwerping) een volle partner en een vol tegenover van God. Daarom is deze niet-identiteit van de kerk en het menselijke geslacht niet alleen een smartelijke, maar in alle smartelijkheid ook een verrukkelijke zaak.

Een en ander geeft aan de kerk echter wel een duidelijke apartheid in de wereld. Zij is een volk temidden van de volkeren der aarde. Zij is een tempel van de Heilige Geest. Zij is een woonstede van God de Verlosser. Daar komt God tot rust, Daar komt trouwens ook de gelovige tot rust. Hij dwaalt en zwoegt niet alleen in de wereld. ’s Avonds keert hij naar huis terug, Daar slaapt hij, Daar doet hij nieuwe krachten op. Daar beleeft hij de ἀγάπη in haar volle reciprociteit. De kerk is zelfs méér dan hij op z’n eentje. Ook als verschijning in de wereld. De gelovige is echt niet alleen in de wereld. De kerk als geheel is er ook. Zij is ook een bepaalde tent op de kennis van het leven, naast de vele andere tenten als daar zijn; de schouwburg, de bioscoop, de tennisbaan, de universiteit, het ziekenhuis, de school, de fabriek en het huisgezin. Zij is het lichaam, dat de veelkleurige wijsheid van Christus uitstraalt in de wereld, tot in de kosmische machten toe.

Deze apartheid krijgt men er naar mijn inzicht nooit uit. Niet alleen vanwege het verschil tussen de mensen die wel en de mensen die niet geloven, wat de evangelisten en de apostelen beweren. Maar ook vanwege datgene, wat de evangelisten en de apostelen beweren; ze verkondigen Christus en Christus is een realiteit, die er bij gekomen is, bij de schepping, zoals Israël er uitgenomen was, uit de volkeren der aarde. De incarnatie van de Zoon is een nog veel eclatanter gebeurtenis dan de verkiezing van Israël. De naam van Jezus is uniek en aan deze uniciteit beantwoordt d apartheid van de kerk. Men moet misschien wel zeggen: die apartheid

|177|

van de kerk ligt niet alleen aan Jezus, maar ligt ook aan God. Hij valt niet helemaal samen met de wereld. Daarom is er altijd de aparte liturgie in de kerk, Die krijgt men nooit volledig op de straat. De beleving van de wereld is zonder enige twijfel beleving van God en toch wil God ook nog op ’n speciale wijze beleefd worden. Echte Religionslosigkeit ware castratie van het volle menszijn. Mens zijn is (ook) in een verhouding tot God staan en dat zo, dat deze verhouding ook een eigen plastische gestalte krijgt. Daarom kan men vragen, niet alleen of het leven van de gelovige in de wereld wel het enige is, maar zelfs of het wel het eigenlijke is. Is de creatuurlijke liturgie niet nog meer dan de sociale cultuur?

In ieder geval; de gelovige bevindt zich niet alleen in de wereld. Hij bevindt zich ook in de kerk. Met deze apartheid van de kerk gaat ook een zekere gestaltelijkheid gepaard. De kerk is echt niet alleen maar prediking. Dan wordt ze puur een snede in de ruimte, Een „theologie van het Woord” kan ontaarden in een transcendentaal panlogisme, dat ons voert tot een mythologisering van het begrip verkondiging, waarbij het „kerugma” alleen maar de vage rugdekking (vandaar m’n term „transcendentaal”) wordt van het handelen van de christen, in „menselijkheid”, in de wereld. Vanuit en — wat meer zegt — rondom de prediking is er ook de gemeenschap, de belijdenis, de liturgie, het sacrament en de duizend andere vormen van het kerkelijke leven. Dat alles is echt niet identiek met het geleefde leven in de wereld. Het is zelfs niet identiek met het op de rechte wijze geleefde leven in de wereld. Reeds het gemeenschappelijk en publiek zingen van een psalm in de eredienst is een zonderling corpus alienum in de gang van de dingen, om van zoiets vreemds als het gebed en het sacrament maar te zwijgen. Tegenover de orthopraxie heeft ook de orthodoxie (in de breedste zin van het woord: de „glorie” van de liturgie) haar plaats en betekenis.

De urgentie van deze betekenis van de kerk in haar apartheid en gestaltelijkheid ligt in de apartheid en gestaltelijkheid van Christus, God de Zoon in het menselijke vlees. Hij is een eigen instantie. Hij is een realiteit. Hij is in het geheel niet een chiffre, een ideogram — zoals het gewraakte transcendentale panlogisme maar al te gemakkelijk geneigd is te denken. Wij moeten in hem ingelijfd worden. Het moet komen tot praesentia realis Christi ipsius. Dat is een heel andere presentie dan onze présence au monde. Het moet ook komen tot unio mystica cum Christo. Dat

|178|

is een heel andere unio dan onze solidariteit met de mens en de wereld in nood, Het een hangt natuurlijk wel met het ander samen, Maar het is echt met een en hetzelfde.

Met andere woorden: we moeten als christenen zekere ascese betrachten, We moeten niet te veel anticiperen, Anticiperen doen we natuurlijk sowieso, mèt dat we er zijn, De schepping (niet pas de incarnatie of de opstanding) is reeds anticipatie op het eschaton, Maar we moeten dat niet te véél doen, De wereld en het leven zijn nog lang niet het rijk, Ook de confrontatie van de wereld en het rijk met elkaar is wel aan de gang, maar ze is nog lang niet voltooid. Dat geschiedt pas in het laatste oordeel. We moeten ons daarom een beetje terugtrekken, We moeten zelf geen laatste oordelen willen gaan spreken. We moeten ook niet denken, dat we al volledig in hèt laatste oordeel staan.

Dat is een belangrijk inzicht. Dat accent op de kèrk, in haar aparte gestaltelijkheid, is juist géén anticipatie op het eschaton, zoals het Protestantisme altijd weer aan Rome verwijt. Het is juist een radikaal ernst maken met het eschatologische voorbehoud, Dat geldt ook van een sacramentalistische en een institutionalistische denkwijze. Hoe ben ik het eeuwige leven en het eeuwige rijk deelachtig? In m’n geweten? In m’n bevindingen? In m’n existentie? In m'n medemenselijkheid? In m’n cultuurarbeid? In het grootse, ruige leven in de wereld? Ach neen: tenslotte slechts in een brokje brood en in een slokje wijn! Ik sta rondom een kerkeraad: daar is het gezag van Christus! Daar alleen in „vol ornaat” (het zwarte pak van de ouderling)! Dat alles is doortrokken van een schroom, een aarzeling, een verlangen — het hele sacramentele instituut van de kerk is één zich uitstrekken, in ernst en soberheid, naar de dag van Christus’ heerlijkheid!

Laat daarom de gelovige niet alleen rennen in de wereld, Laat hem ook wandelen in de kathedraal van de liefde, die er reeds is, Hele levens van mensen — ambtsdragers en leken — kunnen grotendeels gevuld worden doordat zij zich vermeien in en bezig zijn met de dingen in de kerk, al is het alleen maar met de paramenten van de liturgie of de finesses van de kerkorde, Dat is trouwens meer dan tijdverdrijf en kinderspel, al mag het dat ook zijn, Men komt in deze kathedraal van de liefde ook met bijzonder schone realiteiten in aanraking, welke nergens elders ter wereld te vinden zijn. Het gebed is schoner dan het kaatsspel, zelf een spel zijnde, waarin we het hele zijn heen en weer kaatsen tussen God en ons. De liturgie gaat nog boven het toneel uit, hoewel het zelf

|179|

ook een opvoering is (van een drama of een comedie, dat is nooit helemaal duidelijk), waarin we het hele heil en het hele zijn met elkaar en met God uit-spelen. Het kanonieke recht vertoont diepten, waar een jurist niet van droomt. De gemeenschap in het geloof is inniger dan de coitus van een man en zijn vrouw. Een echte preek is met niets ter wereld te vergelijken; zij is een puur apostolische realiteit, totaal er bij gekomen, bij alles wat is en geschiedt,

Een zeker narcisme, althans een zekere verliefde zelfbeschouwing is dan ook aan de kerk eigen. Dat begon al met Maria, Zij zei: van nu aan zullen alle geslachten mij zalig prijzen. Het is zelfs de vraag, hoe de kerk ooit volledig aan een zekere zelfvergoddelijking kan ontkomen. Zij is immers woonstede van God in de Geest. In ieder geval: veel gepraat over kerkelijke introvertie is van een barbaarse onbeschaafdheid, om niet te zeggen van een ongodvruchtige ondankbaarheid, waarover men niet gauw te verdrietig kan zijn. De kerk is een van de diepe mysteriën van het heil en van het zijn, Het gaat in haar om het realiteitsgehalte van de incarnatie van God de Zoon en van de inhabitatie van God de Heilige Geest. Een mens behoort daar kinderlijk blij mee te zijn en daarom in volle overtuiging lidmaat van de kerk te worden en domweg regelmatig naar de kerk te gaan. Doet hij dit alles niet, dan ontgaat hem — althans in de situatie van de zonde — het eigenlijke.

 

III. De bijzonderheid van de ambten

Zo staat de gelovige niet alleen in de universele wereld, Hij staat ook in de aparte kerk, Staat hij daar alléén in? Ik bedoel deze vraag in de zin van: is de gelovige of is de gemeenschap van de gelovigen het enige, wat de kerk constitueert?

Daarop valt te antwoorden, dat dat in zichzelf onmogelijk is. Het begrip gemeenschap is een begrip, dat in zichzelf boven zichzelf uitgrijpt. Daar zitten nooit alleen mensen in. Daar zitten per se altijd ook dingen — een vlag, een lied, een statuut, een project, een dronk, een maaltijd — in. Die constitueren mee de gemeenschap. Al was het alleen maar vanwege de noodzakelijkheid, dat een gemeenschap nu eenmaal een statuur en daarmee onder meer een organisatie nodig heeft.

Daarom vindt men in de kerk niet alleen gelovigen, maar ook ambten. Men vindt er nog veel meer, ook aan dingen. Maar dat laten we rusten. We hebben het nu over de vraag, of er een ambt

|180|

van de gelovige is. En dan zeggen we: in de wereld? Inderdaad! Maar in de kerk? Nee, in het geheel niet! — want daar vindt men behalve gelovigen ook ambten. Die zijn daar iets eigens.

Ligt dat alléén aan de dingelementen, welke bij het begrip gemeenschap als zodanig behoren? Dat zou ik niet graag beweren. De noodzakelijkheid van de bijzondere ambten in de kerk ligt veel dieper. Zij is niet slechts sociaal van aard, dus zuiver sociologisch te vatten, zij is religieus van aard, dus alleen theologisch ten volle te vatten.

Laat ik met de hoofdzaak beginnen: de zaak, waarom het in het gelovige- en dan ook in het kerk-zijn gaat, is véél te gróót. Zij bestaat uit een serie dingen, die allemaal stuk voor stuk onze capaciteit verre te boven gaan. Neem bijvoorbeeld de vergeving van de zonden. Dat is toch iets krankzinnigs! Kan ik dat werkelijk gelóven? Kan ik dat werkelijk praktiseren: mezelf als zondaar — in m’n schuldigheid en daarom in m’n eeuwige verlorenheid — ontwaren en dan nog mijzelf, in mijn schuldigheid, beamen? Of neem het artikel van het eeuwige leven, Jezus is door de dood heengegaan en aan gene zijde van de dood opgestaan, Hij leeft en ik zal met hem leven, Kan ik dat: tot op m’n sterfbed toe alleen maar mezelf en het leven, ook in m’n sterfelijkheid, beamen? Of neem dat grote centrum van het evangelie: dat het rijk van God in Christus en in de Geest is aangebroken op de aarde, dat de tijd dus vol is geworden, dat het historische proces z’n inhoud, z’n zin en z’n bestemming, in één woord z’n eschaton heeft gekregen, Kan ik dat: leven in dit geloof, dat exclusief geestdrift voor het zijn is? Kan ik dat echt; de wereld beleven als rijk van God?

In één woord gezegd: het gaat om het mysterie van de verlossing, om dit mysterie in z’n pleroma, dus om de verlossing van de wereld. De kerk is de vierende participatie aan dit mysterie in z’n pleroma, Maar daar is wel gezag voor nodig. Het is iets, wat steeds opnieuw gezegd en geschonken moet worden. Er is het volle gezag van evangelisten en apostelen voor nodig. Er is het ambt voor nodig. Want Christus is zelfs meer dan een nieuwe zijnswijze. Die zou desnoods in geloof en navolging door de mens gerealiseerd kunnen worden. Christus is de verlossing van de zonde, de dood en de duivel. Dat is iets, wat nooit helemaal in het vat van het geweten, de cultuur of de daad van de existentie is te vatten en vast te houden. Daar is het bijzondere ambt voor nodig.

Daar komen nog een paar overwegingen bij. Ik denk bijvoorbeeld aan de omstandigheid dat Christus en de verlossing in

|181|

hem historische realiteiten zijn, Daarvan wordt bericht en verhaald, maar in een estafetteloop vanaf de apostelen. De idee van de apostolische successie is naar mijn inzicht onontwijkbaar, zullen we tenminste niet de historische verworteling van het christelijke geloof kwijtraken. De Reformatie met haar enorme nadruk op het ἐφάπαξ van de verzoening in het offer van Golgotha heeft veel meer reden om te staan op de noodzakelijkheid van het bijzondere ambt dan Rome. Er ligt dan ook in die estafetteloop een bijzonder interessante variant van het oecumenische vraagstuk. Oecumenisch gaat het niet alleen om de vraag, of we één kerk zijn met alle kerken in de breedte van de ruimte, maar ook of we één kerk zijn met de kerk in de lengte van de tijd, tot op de apostelen. We moeten niet alleen apostolair zijn, maar ook apostolisch. En dat niet alleen in die zin, dat we het apostolische geloof, de apostolische inhoud hebben, maar ook in die zin, dat we het apostolische ambt, het apostolische gezag hebben.

Dat zijn dus twee motiveringen voor de bijzondere ambten: 1. het heil is te groot voor de capaciteit van de vormen van de menselijke existentie, zelfs als dit een wedergeboren existentie is; 2. het heil is een historische realiteit, welke in een legitieme traditie moet worden overgeleverd.

Ik voeg daar als derde overweging aan toe, dat het heil over de hele lengte en breedte gekenmerkt wordt door bijzonderheid en vreemdheid. Reeds het feit, dat ik een middelaar nodig heb, is vreemd: ik moest toch in mezelf voor God kunnen bestaan? En alles wat die middelaar doet, is ook vreemd: incarnatie van de Logos, menswording van God, plaatsvervanging, vernedering tot in de dood, opstanding uit het lege graf, opgeborgen worden in de hemel, overwinning van de machten, opheffing van het kwaad. Dat zijn allemaal dingen, die toegevoegd worden aan de oorspronkelijke existentie. Het zijn bovendien dingen, die allemaal — in hun vreemdheid — aan ons toegeëigend moeten worden, zó dat ze ons enigszins eigen worden — zoals wij omgekeerd niet meer ons eigen eigendom moeten blijven, maar het eigendom moeten worden van onze getrouwe God en Zaligmaker. Voor dit alles is ongehoord veel bemiddeling nodig. Dat is het werk van de Heilige Geest, Maar deze gebruikt daarvoor het werk van de bijzondere ambten.

Naast deze grootheid, historiciteit en vreemdheid zet ik in de vierde plaats de voorlopigheid van het heil, Daarover sprak ik reeds hij de apartheid en de gestaltelijkheid van de kerk. Er is

|182|

de ascese van het eschatologische voorbehoud. Ik kan het eschaton niet zo maar realiseren in mijn bestaan — dan zouden de wanden van het bestaan barsten. Ik moet het heil ook een beetje buiten mezelf en m’n geleefde leven houden. Daarin ga ik het verst, als ik het helemaal in een priester localiseer. Zo ver moeten we als reformatorische christenen niet gaan. Maar we moeten het wel een beetje in een dienaar van het Woord, in een ouderling en in een diaken localiseren. In die àmbten bewaren we het volle, historische, vreemde heil nog het best, in deze boze wereldtijd — tot op de jongste dag.

En dan nog een vijfde overweging. De kerk is meer dan een werkplaats, waar alleen maar efficiency heerst, zodat de kwestie van de bijzondere ambten alleen maar een kwestie zou zijn van de meest rationele arbeidsindeling. De kerk is geen mierenhoop of een zwerm bijen. De kerk is ook iets anders dan alleen maar een organisch pulserend levensgeheel, waarin alles puur biologisch vanzelf tevoorschijn komt, waaronder ook de bijzondere ambten. Deze twee opvattingen zijn te grof en te burgerlijk, De kerk is een symbolisch spel. Zij is de viering van het pleroma van het mysterion. In zo’n spel, in zo’n divina commedia krijgt alles z’n eigen plaats en rol. God zelf doet daarin ook mee, als God, evenzeer als de mens. Men ziet dat aan de sacramenten. Wat is een sacrament anders dan een symbolisch spel? Door wie wordt het gespeeld? Enerzijds door de gemeente, de gelovende en belijdende mensen. Anderzijds door de drieënige God, zoals Hij vertegenwoordigd is in de ambten. Achter de avondmaalstafel in het grote koor van de kerk staan de dominee, de ouderling en de diaken. Ik sta op van m’n plaats en ga daar naar toe! Het mysterie van de kerk is, dat de ambten en het volk, God en de mensen bij elkaar zijn. De kerk is minimaal een kudde en een kudde bestaat uit schapen én een herder (met z’n hond). Ze is een lichaam en een lichaam heeft altijd een skelet. Ze is een bouwwerk en een gebouw heeft altijd een gebinte.

Ook daarom ontwricht men het wezen van de kerk totaal, als men aan de ambten niet een mede-constitutieve plaats geeft in het wezen van de kerk. En dat evenzeer in het wezen van de organische als in dat van de institutaire kerk, De kerk als organisme is het lichaam van Christus. De ambten zijn niet het corset rondom dit lichaam. Ze zijn het skelet ervan. De kerk als instituut is de woonstede, het bouwwerk van God in de Geest. De ambten zijn niet een tijdelijk steigerwerk rondom dit gebouw.

|183|

Ze zijn het gebinte in dit gebouw. We worden kerkelijk opgebouwd in de goddelijke, historische realiteit van de liefde — door de prediking, de sacramenten en de liturgie.

 

IV. De gelovige in de kerk

Maar dan moeten we één ding niet vergeten: God, de drieënige God, God de Verlosser, is slechts mede-constitutief voor de kerk. Dat moet dus ook van de ambten worden gezegd. De mens is evenzeer mede-constitutief. Vandaar dat we nu ook moeten handelen over het thema: de gelovige in de kerk.

Bij dit thema komt er dan echter alles op aan, dat de mens als mèns mede-constitutief is in de kerk. Dan pas bereikt men de volle katholiciteit. Deze is er nog niet, als alleen God in de totale volheid van zijn drieënige, goddelijke wezen op het tapijt is, Dat is nog niet de volle katholiciteit. Dat is nog alleen maar God. Men komt zelfs nog niet tot de volle katholiciteit, als God in Christus, dus God tezamen met de aangenomen menselijke natuur op het tapijt is. Want daar gaat het alleen over de menselijke natuur en nog niet over de mens zei, Bovendien gaat het daar slechts over de menselijke natuur in een anhypostatische en enhypostatische zin, over de menselijke natuur in de unio personalis met de Zoon van God. Daarom is een ecclesiologie, die alleen vanuit de christologie wordt gestructureerd, nog typisch onkatholiek en diep sectarisch — hoe onmetelijk groot het mysterie van de unio personalis ook moge zijn. De volle katholiciteit bereikt men, als men in de kerk het samenzijn ontwaart van enerzijds de drieënige God zei in Christus (in de gestalte van de ambten) en anderzijds de mens zelf, in de gestalte van de gelovende en belijdende gemeente.

Het gaat dus om de gelovige in de kerk als gelóvige, als lid van het volk van God. Hij houdt het met God. Hij weet en wil en doet alles met God mee. Hij viert met Hem mee het volle pleroma van het volle mysterion, dat is de verlossing van de wereld, ja — daar bovenuit — het geheel van Gods oorspronkelijke en uiteindelijke bedoelingen met zijn schepping.

De mens is daarbij echt en ten volle en alleen maar mens. Hij is het tegenover van God. Hij is zijn partner. Hij is Israël, strijder met God, die zich vorstelijk gedraagt. Hij staat niet aan Gods zijde. Hij is niet zijn instrument. Dan is alle muziek er uit. Er moet diviniteit zijn: als God er niet is, dan is alle muziek er óók uit, ook uit de humaniteit. Maar er moet ook humaniteit zijn. In

|184|

Christus is er wel een vereniging van die twee, zodat de diviniteit misschien het gehalte van de humaniteit en de humaniteit de gestalte van de diviniteit te noemen is. Maar dat is slechts een mediatorische realiteit. Van den beginne is het alzo niet geweest. Oorspronkelijk en uiteindelijk moet de humaniteit alleen maar humaniteit zijn, het klare tegenover van de diviniteit, het beeld van God. Door de Geest gaat het, na Christus, daar al weer aardig op aan.

De mens is, als mens, in zekere zin zelfs einddoel te noemen. Op hem is alles tot op zekere hoogte gericht. Op hem loopt alles in ieder geval uit. In hem komt alles tot rust. Dat is de structuur van de ἀγάπη: deze is niet theocentrisch, maar antropocentrisch.

Om al deze redenen bederft men alles, wanneer men spreekt van een àmbt van de gelovige. In de kerk heeft de gelovige geen ambt. Dat ware schending van de humaniteit van de mens en daarom ook schending van de katholiciteit van de kerk. Dan stond de gelovige toch weer aan de zijde van God. En het is de bedoeling, dat hij juist in een tegenóver met God staat en daar stand houdt.

Want men bedenke wel, dat het geen genoegen is, om ambtsdrager te zijn. Er zit in alle ambt — dat speuren de provo’s en de absolute democraten goed, ze trekken er alleen kromme conclusies uit — een zekere Vergewaltigung en dan ook een verfomfaaiing van het menszijn.

Dat valt terzake van de ambten in de kerk met de volgende overwegingen toe te lichten. In de eerste plaats ondergaat men het geweld van de uitverkiezing, wanneer men tot het ambt geroepen wordt. Men wordt uit de gewone gemeenschap van het gewone menszijn en uit de gemeenschap van de gemeente losgemaakt. Daar kan men zei niet zo veel aan doen. In de personele verkiezing tot de zaligheid zit ook wel zeker geweld; maar dat is dan toch een verkiezing tot de eigen zaligheid; die kan men van zich uit willen; tot die vrijheid van de wil wordt men dan ook juist wedergeboren. Maar de ambtelijke verkiezing vertoont een veel groter geweld; dat gaat steeds met zekere gewelddadigheid gepaard; Mozes en Jeremia hebben zich er kolossaal tegen verzet; in iedere dominee leeft levenslang iets van dat verzet. Vandaar dat velen — alleen tegenwoordig? — er ook zo kolossaal tegen opzien, om dominee te worden.

In de tweede plaats komt men in het ambt aan Gods kant te staan. Men heeft altijd het gevoel, dat dat de eigen capaciteit

|185|

te boven gaat, Men kan nooit eens helemaal lekker zichzelf zijn. Men vertegenwoordigt iets, wat bovendien hoogst dubieus, in ieder geval onzichtbaar is. Men wordt steeds gedrongen, toch maar weer als advocaat van God op te treden en vraagt zich soms af, of men advocatus diaboli is. Naar alle kanten is de positie even onmogelijk.

In de derde plaats is het ambt naar zijn wezen dit, dat men door God gebruikt wordt. Men is alleen maar instrument. Of het wat uithaalt, moet je maar afwachten. Zelfs als je gepreekt hebt, moet je nog bidden, of de Geest de naprediker van zijn Woord wil zijn. Je kunt geen mens over de drempel van het huis van de zaligheid zetten. Als instrument ben je bijna helemaal ding, je bent nauwelijks persoon.

In de vierde plaats ben je als ambtsdrager in de kerk, dus in het mysterie van de verlossing, permanent en alleen maar bezig in dat al te grote, geheel historisch bepaalde, er bij komende, nooit voltooide werk van de deus redemptor. Is het alles niet een sprookje en een mythe? Is de wereld werkelijk verlost? Dat is het punt! Niet de vraag, of het een of andere verhaal uit de bijbel mythisch is. Maar de vraag, of de boodschap van de verlossing geen onzin is! Het werk van de deus creator is tenminste met handen te grijpen. Daarom: was ik maar timmerman of wiskundige of pianist — maar ik ben dominee, ouderling, diaken. Mijn God, wat een aanvechtingen!

En dan in de vijfde plaats: aan het ambt is altijd dat tegenover eigen. En dan niet het tegenover met God — dat is in wezen alleen maar plezierig. Maar het ambt stelt me in een tegenover met de mensen. Ik doe wel m’n uiterste best, om een gewoon mens te zijn. Maar dat lukt toch nooit helemaal. Er is altijd weer die apartheid, En altijd weer dat gegrinnik van de gewone mensen om de man van de godsdienst. In dat gegrinnik steekt latent de anti-clericale priestermoord.

Om al deze redenen moeten we voorzichtig zijn met het woord ambt en niet te gauw spreken van een ambt van de gelovigen. Alleen in het roomskatholieke schema van de elevatie in de orde van de bovennatuur is het echt een voorrecht, ambtsdrager te zijn. Die elevatie is daar zelfs de bestemming van elk mens. Door de wijding is men alleen met een ruk de gewone mensen een eind vooruit. Maar ze komen allemaal achterna. Roomskatholiek genomen rust daarom in wezen het ambt in de gemeente, namelijk in haar uiteindelijke bestemming en is alle gemeentelijkheid in de

|186|

grond van de zaak gericht op de ambtelijkheid, zoals de monnik en de non dat duidelijk demonstreren.

Maar gereformeerd genomen zit er alleen maar iets tegennatuurlijks in het ambt. Daarom moet men vooral niet zeggen, dat de gelovige een ambt in de kerk heeft, Hij is wel in de kerk, Hij is daar zelfs op een zodanige wijze, dat hij mede-constitutief is voor het wezen van de kerk. Hij doet ook een massa in de kerk. Maar hij doet het alles als gelovige, als gelovend en belijdend mens, als lid van het volk van God.

Wat doet hij in de kerk? Ik som maar op: hij is belijdend lidmaat — hij betaalt de hoofdelijke omslag — hij gaat op als het volk vergaderd is — hij hoort het Woord — hij gebruikt het sacrament — hij liturgeert — hij kiest tot de ambten — hij doet de voorbede voor de ambtsdragers — hij kritiseert alles wat de ambten doen, dus wat God doet — hij werkt mee in de werkzaamheden van de ambten — hij ontwikkelt duizend initiatieven en organiseert duizend activiteiten. Maar — daar komt alles op aan — dat alles doet hij als mèns, als gelóvige, als vólk van God! Zodra hij maar even denkt, dat dat alles toch niet het eigenlijke is, maar dat hij eigenlijk in de kerkeraad zou moeten zitten, in het ambt zou moeten staan en dat het dan pas echt was, maakt hij zich schuldig aan de ergste perversie van de katholieke volheid van de kerk, die denkbaar is. Hij bederft dan het symbolische spel, dat de kerk is. De man moet man zijn en de vrouw vrouw, anders is er geen huwelijk, maar homosexuele perversie van het huwelijk. De gelovige bederft echter die katholieke volheid van de kerk doordat hij zijn eigen positie en daarmee zichzelf tot de grond toe bederft, als hij niet zichzelf — gelovige — wil zijn, maar in de plaats daarvan in het ambt zou willen staan.

Doet de gelovige alleen maar in de kerk? Moet hij vooral actief zijn? Is er een dienstplicht voor allen? Is er alleen maar beweging? Gaat daar het gelovige-zijn en ook het kerk-zijn in op? Laat ons het spel-karakter van het spel niet bederven! De duivel is bitter ernstig. Hij is alleen maar actief. God kent de sabbat. Vooral ook als God de Verlosser. Daar is de ontisch-mystieke rust van het verloste zijn. Leven in die rust — is dat niet de quintessence van het gelovige zijn? Er is toch iets, dat nog boven de liefde uitgaat? Dat is de vreugde, de glorie van God en van alles wat is! Het wezen van de kerk ligt toch daarin, dat God zelf en de mens zelf

|187|

tezamen, in werkelijkheid, deze vreugde vieren? Als dat zo is, dan is er van een ambt van de gelovige in de kerk helemaal geen sprake meer. Dat moderne theologoumenon is dan het bederf van het beste, namelijk van het kerk-zijn en van het gelovige-zijn. Het bederf van het beste is echter het slechtste. Daarom zullen we radikaal van dit theologoumenon moeten afzien.

 

V. Nogmaals: de gelovige in de wereld

Kunnen we dan onze vraag eenzinnig zo beantwoorden; in de kerk is er geen ambt van de gelovige, maar in de wereld is er wel zo’n ambt?

Met betrekking tot de eerste clausule zou ik inderdaad met dit eenzinnige antwoord willen volstaan: in de kerk is op geen wijze te spreken van een ambt van de gelovige. Dat zou alles bederven: het mens zijn van de mens, het gelovige zijn van de gelovige, de katholiciteit van de kerk.

Maar op de tweede clausule moeten we nog een keer terugkomen. Toen we het hadden over de gelovige in de wereld stelden we in alle duidelijkheid en op vele gronden, dat daar inderdaad te spreken is van een ambt van de gelovigen. Daar zou ik nu opnieuw op in willen gaan door twee vragen op te werpen. In de eerste plaats: is in de wereld alleen de gelóvige ambtsdrager? En in de tweede plaats: is de gelovige in de wereld alleen maar ámbtsdrager?

Die eerste vraag wordt mij ingegeven door de structuur van het presbyteriaal-synodale stelsel van het kerkrecht. Dit stelsel wordt gekenmerkt door een merkwaardige eschatologische spreiding van de ambten. Er is niet één ambt, dat van de regionale, monarchale en sacerdotale bisschop, met zijn vele derivaten. Dat ene ambt kan men mooi binnen de kerk houden, zó dat het helemaal en alleen ambt in het mysterie van de kèrk is — zij het ook, dat let geheel van ambt en kerk volstrekt apostolair van structuur en aandrift is (de bisschop is helemaal opvolger van de apostel en in wezen zendeling), alleen: het gaat in deze apostolaire actie centraal om de vorming van de kerk, als telos van de kosmos. Maar in het presbyteriaal-synodale stelsel zijn er drie ambten. Ze zijn alle drie evenzeer ambt. Ze zijn naar mijn inzicht op geen wijze tot elkaar te herleiden, noch in deze zin, dat zij alle drie vormen van dienst van het Woord zijn, noch in deze zin, dat zij alle drie in de grond van de zaak tezamen het ene presbyteriaat

|188|

uitmaken. Zij zijn zelfs niet in een hiërarchische verhouding tot elkaar te brengen. Zij zijn alle drie gelijkwaardige uitwaaieringen van het ene apostel-ambt. Waar in dit verband nu echter alles op aankomt is dit: zij delen alle drie ook in dat typische in de wereld staan en functioneren van het apostelambt. De apostel staat op het veld van de geschiedenis. Daar ziet hij — de bliksem slaat in! — de daden van God in zijn bezigheid met de wereld. Deze verkondigt hij. Hij gaat uit met het evangelie van het koninkrijk tot de volkeren van de aarde. Het ambt van de apostel is niet primair een ambt in de kerk, maar een ambt in het rijk.

Met, dat we daarom nu de kerk zouden moeten desavoueren en alleen zouden moeten willen weten van het rijk en de wereld. Dat ware overdrijving. We zouden dan het apostolische kerugma vereenzelvigen met het laatste oordeel, terwijl het er slechts een praeludium van is. De apostel verkondigt het rijk. Maar zo verzamelt hij de kerk. Dat zijn de mensen, die het kerugma geloven en daarom het mysterie — het is echt en ten volle nog mysterie! — van het rijk gaan vieren. De kerk deelt dan ook in al de dimensies en in het volle realiteitsgehalte van het mysterie van het rijk, in al haar apartheid en gestaltelijkheid. Zelfs het ambt van de apostel wordt zo ook tot een ambt in de kerk.

Maar de oorspronkelijke eschatologische positie en context van het apostel-ambt kan men nooit helemaal vergeten en kwijtraken. Dan zou men ook het wezen van de kerk, als viering van het mysterion in zijn pleroma, kwijt raken.

Nu is het een van de onvergelijkelijke qualiteiten van het presbyteriaal-synodale systeem, dat het deze positie en context van het apostelambt ook zo duidelijk bewaard heeft in de kerkelijke ambten. Het zijn ambten in de kerk. Ze zijn in een kerkorde te vatten. Maar ze hebben het alle drie aan zich, tegelijkertijd en wezenlijk ambten in het rijk te zijn en zo in de wereld te functioneren.

De dienaar van het Woord vindt de spil van zijn ambtelijke bestaan in de prediking, De prediking geschiedt echter wezenlijk in de wereld. Zij is een publieke gebeurtenis. Een preekstoel is een in kerkelijke stijl uitgevoerde sinaasappelkist op de markt. De prediking is zelfs meer dan puur Christusprediking, zij is prediking van het rijk; daarom meer dan evangelie-bediening, namelijk bediening van het Woord; zij gaat met andere woorden in principe over de dingen van de dag; deze zet ze in het rechte licht,

|189|

in beginsel zet zij ze daardoor recht en brengt zij ze reeds terecht.

De ouderling vindt de spil van zijn ambtelijke bestaan in de heiliging. Hij zit in de kerk en ziet, hij ziet namelijk toe, hij heeft in eerste aanleg de episkopè. Maar dan staat hij op en gaat hij de kerk uit en om de kerk heen, door de levens en de huizen, door de harten en de organisaties, door de maatschappij en de staat. Hij staat in de paraklese en de paraenese van de Geest. Tegelijk is hij kruidenier, fabrieksarbeider of bankdirecteur. In hem hebben wij reeds vierhonderd jaar de priesterarbeider en dat zonder een spoor van mimicry.

De diaken vindt de spil van zijn ambtelijke bestaan in de hulp en de gerechtigheid. Hij dient aan de tafel van de Heer en bevindt zich totaal in de wereld. Hij gaat helemaal in in de nood van de gezinnen en de samenleving. Hij is helemaal bezig met het ultimale doel van alles, met het sociale ideaal.

Als er een volgorde in belangrijkheid is, dan is de dienaar van het Woord het minst belangrijk (hoewel bij fundamenteel belangrijk is), de ouderling reeds veel belangrijker en de diaken het belangrijkst — wat de idee van hun ambten betreft.

Dit alles houdt in ieder geval ook dit in, dat de gelovige, die in de wereld verkeert, daar echt niet de enige is, die een ambt uitoefent, De drie apostolische ambten van de institutaire kerk zijn daar ook aan de gang. Realiseert men zich dat wel genoeg, als men het tegenwoordig zo druk over de leek in de wereld heeft? Is men bereid, om concreet te worden en bijvoorbeeld ook ouderling of diaken te worden? Zit in veel getheoretiseer over de leek niet een vlucht voor de verantwoordelijkheid in de bijzondere ambten? Zoekt men soms een alibi voor concrete arbeid, in een theorie?

Niet, dat nu weer de gelovige alleen een ambt in de wereld zou kunnen hebben dóór een bijzonder, kerkelijk ambt te aanvaarden. Dat kan hij óók doen. Hij kan echter ook actief met de bijzondere ambtsdragers meewerken. Hij kan ook eigen werk op stapel zetten. Hij zit ook midden in de maatschappij, de cultuur en de staat, op plekken, waar in geen velden of wegen ook maar iets van het bijzondere kerkelijke ambt te bespeuren is of zou moeten zijn. Ook daar is hij, op eigen gelegenheid, bezig met de orthopraxie. Daar staat bij in het ambt van de gelovige. Maar hij moet niet doen, alsof zijn ambt het enige ambt in de wereld is en alsof alle andere, de kerkelijke ambten zouden opgesloten zitten

|190|

in de kerk. Zij zijn ook bezig in de wereld. Hij zal er een modus vivendi mee moeten zien te vinden.

Deze zaak wordt natuurlijk nog veel gecompliceerder als wij ten eerste de ambten in vergadering, bijvoorbeeld in generale synode, bijeen zien en als wij dan ten tweede deze ambtelijke vergadering diep zien penetreren in het leven van de wereld door allerlei verklaringen over internationaal en nationaal politieke vraagstukken, over de glijdende werkweek, de vrijetijdsbesteding, het vraagstuk van de atoomhom, de echtscheiding en de geboorteregeling — om maar een paar dingen te noemen. Dat zijn toch ambtelijke, bisschoppelijke uitspraken. Ze hebben een zekere onfeilbaarheid. Wat moet het „vergeten” ambt daarmee? Moet het die dingen op zijn beurt maar zo gauw mogelijk vergeten?

Het wil mij voorkomen, dat het in het Protestantisme pas zin krijgt, over deze en dergelijke vragen te gaan nadenken, wanneer wij als Protestanten eerst ons docetisme eens te boven zijn gekomen en de vragen van het kerkrecht serieus gaan nemen, gelijk het behoort. Ik heb de indruk, dat we tegenwoordig over deze dingen alleen maar een beetje staan te kwaken en dat het daarom allemaal niets uithaalt.

 

Maar er was nog een tweede vraag. De eerste vraag luidde: is in de wereld alleen de gelóvige ambtsdrager? De andere vraag, waar wij nu toe over gaan, luidt: is de gelovige alleen maar àmbtsdrager?

Ook deze vraag zou ik ontkennend willen beantwoorden. De gelovige heeft een ambt. Hij repraesenteert Christus. Hij staat in de nieuwe zijnswijze, die in Christus (en in Israël) ontsloten is. Hij komt op voor de christanitas. Hij geraakt in een tegenover met de zondaar en de heiden. Die geloven niet in de ware God. Het zijn nihilisten of absolutisten. Zij vergoddelijken de wereld of verwerpen haar. Tegenover hen is de gelovige ambtsdrager, instrument van God, getuige, martelaar. Hij wil de orthopraxie. Hij wil de ware beleving van de wereld, namelijk als rijk van God.

Dat ambtsdrager zijn van de gelovige in de wereld ontspruit niet alleen daaraan, dat hij in een tegenover met de ongelovigen komt. Maar ook daaraan, dat hij in een tegenover met de machten komt. Wat deze precies zijn, is niet zo gemakkelijk te zeggen. De leer van de satan en de demonen is tegenwoordig niet het sterkste punt in de dogmatiek. Intussen ondervinden we de realiteit van de duivel aan den lijve. Hem moeten we ook te lijf gaan.

|191|

De wereld moet ontdaemoniseerd worden. De gelovige is exorcist. Ook dat is een gewichtig ambt.

Maar is het nu essentiéél, dat de duivel er is, dat de demonen er zijn en dat er ongelovigen zijn? Is het essentieel, dat het kwaad er is? Is het niet veel essentiëler, dat het zijn er is? Natuurlijk ook het zijn als zodanig heeft iets ambtelijks; het staat in een tegenover met het niet-zijn, met het niets. Het is daaruit in het aanzijn geroepen en in een tegenover daarmee geponeerd. Dat is een kernelement in de gedachte van de creatie. Maar gaat het zijn daarin op, dat het niet-niet-zijn is? Is het niet veel belangrijker, dat het is en dat het iets is en dat het ook moet zijn en zichzelf moet zijn en dan ook zichzelf moet genieten en zo de glorie van God heeft te zijn?

Dat lijken vreemde, abstracte, ontologische kwesties. Maar zij grijpen diep in in de kwestie van de gelovige in de wereld. Hij beleeft de wereld als rijk van God. Dàt is de hoofdzaak. Hij komt daarbij in een tegenover met hen, die dat niet doen. Dat geeft hem iets ambtelijks. Maar dat is toch een bijzaak? Het zijn is meer en iets anders dan het niet-niet-zijn. De beleving van het zijn is meer en iets anders dan de oppositie tegen de beleving van het niet-zijn. Het geloven zelf is iets. Het is geestdrift voor het zijn. Dat is essentieel. Het is ook getuigenis tegen het niet geloven, tegen de walging óver of de verabsolutering ván het zijn. Maar dat is accidenteel.

Daarom komt er alles op aan, hoe men fundamenteel de positie van de gelovige in de wereld ziet. Het ambtelijke in deze positie heeft iets secundairs en accidenteels. Primair en essentieel is het gelovige zijn. Dat wil zeggen: het gelovend mens zijn. Dat wil weer zeggen: het beleven van het verloste zijn (als zijn en als verlost zijn). Dat is echter het gebruiken èn genieten van de wereld als rijk van God,

Het gaat bovendien niet eens alleen om het zijn en de wereld en om de beleving daarvan, Het gaat ook om het zei en de existentie. Ook de mens is, juist en pas als gelovige. Hij is iets. Hij is zichzelf. Hij moet niet alleen in wereldbeaming, maar — wat nog groter kunst is — ook in zelfbeaming leven. En alle beaming is ook genieting. Dat is zelfs haar wezen.

Dat alles doet een gelovige zo maar. Eigenlijk nergens om. Men kan misschien zeggen: voor de grap. Beter is: voor z’n plezier. Hetzelfde is: tot eer van God, als lofprijzing. In ieder geval: wanneer de mens God prijst, dan is hij geen ambtsdrager

|192|

meer, geen instrument van God, dan staat bij niet meer aan Gods zijde. Hij staat dan tegenover God, als zijn partner, hij is dan weer gewoon en compleet mens, hij vermeet zich, het met God eens te zijn en dat ook te zeggen.

Ook hier zou men de humaniteit en de katholiciteit (in dit geval de katholiciteit van het rijk) ernstig schenden, wanneer men de gelovige in de wereld alleen maar als ambtsdrager zag. Het als gelovige leven is ook een ambt, maar dat moet men inderdaad zo gauw mogelijk „vergeten”. Of men het voor de jongste dag helemaal kan vergeten, is een andere vraag. Daarvoor zal het kwaad wel een te diepe realiteit zijn. Het exorcisme is nooit helemaal voltooid. Maar hoe eerder en hoe meer het ambt van de leek een vergeten ambt is, des te beter staan de zaken er voor.

De gelovige moet min of meer in het eschaton leven. Om met Ignatius van Antiochië te spreken: als ik door het martelaarschap heengekomen ben, dàn zal ik mens zijn. Hij is een poosje martelaar. Of als het minder hoog loopt: hij is een poosje getuige. Dat is misschien minder dan ambtsdrager. Maar zelfs dat is nog te veel. Of liever gezegd: te weinig. De mens is meer dan getuige, hij is zichzelf, hij is mens, hij is lofzegger.

 

Tenslotte als kleintje koffie — van sterke concentratie — na het diner nog één opmerking. Vooral omdat ik daar zelf behoefte aan heb. Het is deze. Men zou de door mij ontwikkelde ontologie van het gelovige- en mens-zijn misschien ook kunnen doortrekken tot in de vraag, wat cultuur eigenlijk is. De mens als cultureel wezen maakt op het eerste gezicht wel een kolossaal sterke ambtelijke indruk. Hij staat — in zijn excentrische positie — in een tegenover met de dingen. Hij vat ze aan. Hij vormt ze om. Hij zet de natuur — in kunst en wetenschap, in techniek en politiek — om in cultuur. Brengt men dat op een theologische formule, dan kan men zeggen; de mens betuigt in zijn cultuurarbeid God aan de wereld. Dat is dus precies het tegengestelde van de gedachte, dat de wereld aan de mens het bestaan van God zou moeten bewijzen. Die gedachte is te diep vernederend voor de mens, dan dat zij juist zou kunnen zijn. De mens moet omgekeerd een vent zijn en aan de wereld het bestaan van God betuigen, daadwerkelijk, door zijn cultuurarbeid. Wetenschap bijvoorbeeld is getuigenis, dat de mens aan en van de werkelijkheid geeft, zei prof. W.J. Aalders.

Maar is dat nu werkelijk alles, wat men over de cultuur kan

|193|

zeggen? Is zij één rusteloze jacht van ambtelijke activiteit van de mens? In ieder geval zal men niet kunnen zeggen, dat de mens daarin opgaat, dat hij een cultureel wezen is. Reeds zijn geboorte en zijn dood zijn geen culturele daden, Ook zijn existentie niet — tenminste, wanneer men onder existentie niet alleen op z’n nieuwerwets het uittreden van de mens uit het bestaande in het niets, maar op z’n ouderwets ook het uittreden uit het niets in het aanzijn en dus het bestaan verstaat. Is het paradijs, deze tuin, reeds cultuur? En is het rijk van de heerlijkheid, deze stad, alleen cultuur? Is de totale werkelijkheid werkelijk totaal cultureel, totaal menselijk te maken? Moet er niet natuur blijven? En lot? En moet de mens niet wezenlijk in dit alles delen en dus meer zijn dan cultuurwezen, ambtsdrager? Zodat ook hier de ontisch-mystieke rust van het blote bestaan en het stromende leven nog fundamenteler is dan de ambtelijke activiteit? Moet ik de dieren niet als mijn broeders blijven beseffen?

Als dat waar is, dat er meer is dan de cultuur en dat de mens meer is dan cultuurwezen, is het dan soms ook waar, dat de cultuur zei en de mens ook als cultuurwezen meer is dan alleen ambtelijkheid en getuigenis? Is het niet ook en dan veel fundamenteler behalve getuigenis ook genieting, behalve ambtelijke arbeid ook spel, behalve repraesentatie van God ook liturgie en lofprijzing? Is de mens in zijn cultuur niet voor alles zichzelf, mèns, in zelfbeaming en zelfgenieting?

Dan zou het zo zijn, dat de cultuur enerzijds wel niet zonder de religie kan, inzoverre de mens er besef van moet hebben, dat hij God moet vertegenwoordigen tegenover de wereld, zal hij tot culturele arbeid komen, maar dat omgekeerd de religie anderzijds ook niet zonder de cultuur kan, aangezien God alleen in de mens, als in zijn beeld, tot rust wil komen. Hoe zou God de sabbat kunnen vieren, als de mens dat niet met Hem mee doet? Maar dat houdt in, dat de cultuur nog meer een zaak van de zondag dan van de werkdag is en dat de mens ook in de cultuur nog meer mens dan ambtsdrager is. Dat was de gelovige in de kerk. Hij was het tenslotte ook in de wereld. Hij blijkt het dan nu ook te zijn niet alleen als gelovige, maar zelfs ook als cultuurdrager. Het ambt is over de hele linie slechts symbool van God. Het is niet de bestemming van de mens. Deze ligt in hemzelf, in zijn zelf, in zijn er zijn en in het zijn van de wereld. Beeld van God zijn is alles. En dat is precies de tegenpool van het ambtsdrager, instrument van God zijn.