29
49,392-393
11-09-1954

|392|

De stand van het proces Hasselt

 

Zoals de lezers uit persberichten hebben kunnen vernemen, heeft het Arnhemse Gerechtshof op dezelfde dag dat het Haagse Gerechtshof tot klaarheid kwam inzake de aard van het gereformeerde kerkverband, n.l. op 30 Juni 1954, een onderzoek door deskundigen bevolen inzake dezelfde kwestie. Mag worden aangenomen, dat het Haagse Hof niet lichtvaardig terugkwam op zijn vroegere beslissing in-kort-geding om de goederen van de kerk van Giessendam; het Arnhemse Hof heeft thans disputabel gesteld zijn vroegere uitspraken (o.a. van 28 Mei 1946 kerk van Enschede, 10 Jan. 1950 kerk van Daarlerveen en 5 Jan. kerk van Neede), waarbij de rechte aard van het kerkverband door hem reeds werd onderkend. Ik wil mij onthouden van gissingen omtrent de drijfveren van het Hof; zijn enkele wens om door deskundigen te worden ingelicht over essentiële punten is voor mij zeker geen reden te twijfelen aan de integriteit van de rechter. Integendeel zou men het in de rechter kunnen prijzen, dat hij niet wil afgaan alleen op wat collega’s en misschien ook hijzelf vroeger hebben beslist, doch dat hij dieper wil graven — ter wille van de gerechtigheid — dan tot nu toe is geschied. De rechtszekerheid voor onze kerken schijnt daardoor opnieuw in gevaar, doch kan blijken na grondig onderzoek juist in niet onbelangrijke mate te zijn verhoogd. Intussen is dit nog niet zover. En zullen wij ondanks het bewustzijn van onze zaaksgerechtigheid deze dingen moeten geven in ’s Heren hand, die het lot van Zijn kerken in ons vaderland — ook die van de van haar goederen verstoken “minderheden” — bestuurt.

Zoals bekend, heeft de synodale gemeenschap te Hasselt de Gereformeerde Kerk aldaar gedagvaard tot ontruiming van haar onroerende goederen op grond dat deze kerk door het niet voor vast en bondig houden van zekere besluiten van een z.g. generale synode een ander geloof zou hebben ingevoerd, en daarmede de grondslag van de kerk zou hebben veranderd, zodat deze voortleefde in de minderheid die aan deze z.g. generale synode trouw was. De rechtbank te Zwolle wees op 4 Februari 1953 deze eis af omdat haar daarvan niets gebleken was; integendeel was komen vast te staan dat de door de z.g. generale synode afgewezen opvattingen jarenlang binnen de gereformeerde kerken waren geduld. De synodale partij was hierdoor niet overtuigd en zette de rechtsstrijd verbitterd voort door appèl in te stellen bij het Arnhemse Hof. Haar advocaat, Mr J.W. Dekker uit ’s Gravenhage zal zich ongetwijfeld hebben herinnerd hoe deze rechterlijke instantie hem als synodocratisch pleitbezorger inzake F.Q.I. destijds in het gelijk had gesteld nadat de Zwolse Rechtbank de vrijgemaakte studentenvereniging als wettige voortzetting had beschouwd. Hij stelde daartoe een tweetal grieven tegen het Zwolse vonnis inzake Hasselt.

1. Door het aanhangen van een andere leer dan die van de Generale Synode hebben de bezwaarden openlijk gebroken met de officiële leer van de Gereformeerde Kerken in Nederland, zijn daardoor van kerk veranderd en moeten op grond hiervan geacht worden uit de kerk te Hasselt te zijn getreden.

Het Hof achtte het niet nodig te onderzoeken of hier inderdaad van ketterij sprake was en overwoog o.a. “dat een lidmaat van een Gereformeerde Kerk zijn lidmaatschap kan beëindigen door opzegging, welke kan geschieden door een uitdrukkelijke verklaring, maar ook door gedragingen die met het zijn van lidmaat onverenigbaar zijn; dat evenwel uit de artikelen 71-81 van de Kerkenordening handelde over de censuur en de kerkelijke vermaning, duidelijk blijkt dat volgens de kerkenordening het aanhangen of verkondigen van een valse leer geenszins ipso facto verlies van een ambt of het lidmaatschap medebrengt, doch reden geeft voor toepassing van tuchtmaatregelen, welke kunnen uitlopen op afzetting van de dienst en afsnijding.” Het Hof zegt hier eigenlijk dat een ketters lid van de kerk lid is en blijft, zolang hij niet als ketter is afgezet of afgesneden. Hetgeen zelfs aan “cand.” H.J. Schilder niet is overkomen, die slechts (dat was al erg genoeg!) van de kansel werd geweerd. Impliciet veroordeelt het Hof hier de synoden en andere meerdere vergaderingen, die kerkleden welke zij ketters achtten als scheurmakers wegwerkten. Met deze rechterlijke beslissing mogen de oude Gereformeerde Kerken m.i. tevreden zijn.

2. Een van het Synodaal Verband deel uitmakende Gereformeerde Kerk is krachtens de Kerkenordening dusdanig aan dit Verband en aan besluiten van de Synode betreffende de leer gebonden, dat de meerderheid van een kerkeraad in strijd met de instellingen, overeenkomsten en reglementen dier kerk handelt en met het wezen daarvan door tot losmaking van de kerk uit het Synodaal Verband te besluiten op grond, dat zij zich met een Synodale leerbepaling niet kan verenigen en zich aan dientengevolge te verwachten tuchtmaatregelen wil onttrekken;
terwijl dit meebrengt, dat de meerderheid van de kerkeraad der Gereformeerde Kerk te Hasselt, die de onderhavige acte van vrijmaking heeft ondertekend en overeenkomstig het daarmee genomen besluit tot losmaking heeft gehandeld, moet worden geacht uit die kerk te zijn getreden en haar lidmaatschap van de kerkeraad te hebben verloren.

Uit deze brief proeft men de wijsheid van de heren H.H. Kuyper, M. Bouwman en Nauta.

Het Hof nam ten aanzien hiervan twee beslissingen:
a. Indien de stelling juist is, is de meerderheid uit de plaatselijke kerk getreden.
b. Of de stelling juist is, is eerst te beoordelen na deskundige voorlichting te hebben verkregen, waartoe werden benoemd Prof. Dr J.N. Bakhuizen van den Brink, theologisch hoogleraar, wonende te Leiden. (Voor onze lezers zij vermeld, dat deze hoogleraar in een soortgelijke zaak tussen de Oud-Gereformeerde gemeente en de Gereformeerde Gemeente te Scheveningen in 1938 eveneens als deskundige is opgetreden, waarbij na een onderzoek omtrent de grondslag der kerk de minderheid in het gelijk werd gesteld). Prof. Dr H.F.D. Fischer, hoogleraar in het Oud-Vaderlands recht te Leiden en Dr S.J. Fockema Andraea, rechtsgeleerde te Leiden.

Zij hebben de volgende vragen voorgelegd gekregen:

1. Moet krachtens de instellingen, overeenkomsten en reglementen der Gereformeerde Kerken in Nederland en in het bijzonder krachtens de Dordtse Kerkenordening het deel uitmaken van het Verband van de Gereformeerde Kerken in Nederland worden beschouwd als te behoren tot het wezen van een Gereformeerde Kerk?

2. Kan volgens de instellingen, overeenkomsten en reglementen der Gereformeerde Kerken in Nederland en in het bijzonder volgens de Dordtse Kerkenordening een kerkeraad van een Gereformeerde Kerk onder bepaalde omstandigheden die kerk uit het Verband der Gereformeerde Kerken losmaken, en, zo ja, onder welke omstandigheden?

3. Handelt een kerkeraad van een Gereformeerde Kerk in strijd met het wezen van die kerk, of met een theologische gebondenheid van die kerk aan de meerdere vergaderingen van het Verband der Gereformeerde Kerken in Nederland door tot losmaking van die kerk uit het Verband van de Gereformeerde Kerken in Nederland en tot opneming van die kerk in een verband van Gereformeerde Kerken, wier kerkeraden op dezelfde gronden geen deel van eerstgenoemd Verband willen uitmaken, te besluiten op grond, dat hij voor zichzelf bewezen acht, dat bepaalde uitspraken van de Synode, als die van de Synode van Utrecht van 1905 en de Synode van Sneek-Utrecht van 1942 betreffende de doop en het genadeverbond met de Heilige Schrift, de Gereformeerde Belijdenis en de Liturgische Formulieren strijden, en hij zich wil onttrekken aan tuchtmaatregelen, die hij als gevolg van zijn opvatting vreest?

Er is over de inhoud en de formulering van deze vragen veel te zeggen, doch dit persorgaan is er de plaats niet voor daarop in te gaan. Wij willen onze pleitbezorgers niet voor de voeten lopen.

Voor ieder kan echter duidelijk zijn
dat de strijd om de kerk zich toespitst en dat op de rug van de kerk van Hasselt vragen worden uitgevochten, die niet alleen voor zeer vele Gereformeerde Kerken, doch ook voor de “synodale” gemeenschappen van zeer ingrijpend gewicht kunnen zijn;

|393|

dat het Hof niet tevreden is met een kerkeraadsmeerderheid alleen, doch daarbij tevens als eis stelt, dat blijkt dat deze handelde zoals zij mocht handelen overeenkomstig de grondslag van de kerk.

Deze verscherping van de strijd is door wijlen Prof. K. Schilder reeds voorzien toen hij in het Handboek voor onze kerken 1952 (blz. 138) schreef, dat we met de tot nu toe gevallen beslissingen (de goederen volgen de kerkeraadsmeerderheid) nog niet gereed zijn. In de strijd om de kerk gaat het altijd om alles of niets. Maar daarom mogen wij ook hopen en bidden, dat deze rechtsstrijd mag medewerken aan de bewaring en vermeerdering van de eenheid (niet in institutaire zin) van de Gereformeerde Kerken in Nederland, doordat de ogen van hen, die bij ons behoren, mede door de uitslag van dit proces — God geve het — worden geopend.