28
17,139
31-01-1953

|139|

Kerkverandering en haar gevolgen

 

Onder de beschuldigingen, welke aan de (vrijgemaakte) Gereformeerde Kerken zijn ten deel gevallen — mede voor het forum van de wereldlijke rechtbank —, komt ook die van kerkverandering voor. Daaronder zal in dit verband moeten worden verstaan een ongeoorloofde verandering in het wezen van de kerk. Wij zijn er van overtuigd, dat dit kwaad door de ons beschuldigende syn. gemeenschappen zelve is bedreven, hetgeen zelfs door wereldlijke rechters duidelijk is uitgesproken — meer dan eens —, onder meer in de beslissing, dat het verband niet tot het wezen van de Gereformeerde Kerken behoort. Deze beslissingen waren evenzovele rechterlijke antwoorden op synodocratische verzoeken om uit te spreken, dat dit wèl het geval was en dat dus de synodocratische kerken rechtens de voortzetting van de Gereformeerde Kerken vormden. In deze rechterlijke negaties ligt o.i. de erkenning opgesloten, dat dus de vrijgemaakten die voortzetting vormen.

Welke zijn de gevolgen van het vorenstaande? Deze vraag naar de rechtszekerheid is niet overbodig in de rechtschaos, die geschapen is door reeksen, niet alleen voor de gewone man, doch ook voor de gemiddelde theoloog vrijwel onontwarbare, synodebesluiten. Te veel is men geneigd tot de mening, dat de rechtszekerheid in Nederland zoek is en dat zij in civilibus op hetzelfde lage peil is gekomen als dit in sacris (n.l. bij de zich als bestuursorganen opwerpende meerdere vergaderingen) in 1944 en daarna het geval was. (Vergun mij deze in zeker opzicht onjuiste tegenstelling). Gelukkig is dit niet het geval en heeft de overheid (i.c. de rechterlijke macht) haar roeping van Godswege veelal verstaan. En dat wij nu al enige tijd over deze zaken openhartig publiek schrijven heeft ten doel de nodige voorlichting te geven, opdat ieder belangstellende (ook van de overkant) kan meeleven en kan weten, dat het er ons niet om te doen is door advocatenhandigheidjes in de rechtszaal gelijk te krijgen, doch van de overheid naar haar taak, als voor ons bindend vervat in art. 36 Ned. Geloofsbelijdenis, recht te krijgen op goede gronden.

De rechtsgeschiedenis kent omtrent kerkverandering een leerzaam precedent. In 1933 werd op voorstel van de kerkeraad van de Oud-Gereformeerde Gemeente te Scheveningen met 64 tegen 5 stemmen besloten zich los te maken van het verband van Oud-Gereformeerde Gemeenten en zich aan te sluiten bij het verband der Gereformeerde Gemeenten met verandering van de naam in “Gereformeerde Gemeente te Scheveningen”, welk besluit aldus werd uitgevoerd. Geschil ontstond over de eigendom van goederen, waaromtrent de Arrondissements-Rechtbank te ’s-Gravenhage op 9 Januari 1936 (N.J. 1936, no. 795) de volgende uitspraak deed:

1. De veranderingen zijn in strijd met het wezen der statuten, daar er verschillen “in theologische graad” bestaan en het juist in hoofdzaak de godsdienstige gevoelens zijn, welke bij Kerkgenootschappen grond van het in leven roepen en doel van het voortbestaan zijn.
2. Bijaldien een aantal leden ener bestaande Kerkgemeente, ingevolge enige door hen genomen besluiten (Kerkverandering), geacht moeten worden te hebben opgehouden lid te zijn van die gemeente, dan zijn de overblijvende lidmaten gerechtigd zich wederom te constitueren krachtens de geldende reglementen en blijven zij alsdan een geconstitueerd Kerkgenootschap, dat rechtspersoonlijkheid heeft.
3. Een meerderheid in een Kerkgemeente, die door hare handelwijze het voortbestaan dier gemeente aantast en die aantasting doorvoert tegen de zin der minderheid, aldus die minderheid zedelijk dwingende de gemeente te verlaten, handelt in strijd met de regelen van billijkheid en redelijkheid, welke ieder bij zijn handelingen in acht moet nemen en tot afwijking waarvan geen enkel reglement de bevoegdheid kan geven.
4. Hieruit volgt, dat aan die door de meerderheid genomen besluiten, waarop gedaagde zich beroept, rechtskracht moet worden ontzegd, voor zover betreffende de toen bestaande Oud-Gereformeerde Gemeente en eiseres (de minderheid L.R.) moet worden beschouwd als voortzettende die gemeente en mitsdien als eigenares van het kerkgebouw c.a.

Is het nodig hier nog opnieuw te wijzen op de ernst der vrijmaking, de bindendverklaring van ongereformeerde leer en de verkrachting op grote schaal van het kerkrecht? Ieder die mee wil leven kan o.i. gemakkelijk de toepassing van de genoemde uitspraak maken op hetgeen er in de jaren 1944 en volgende is geschied en daaruit voor zichzelf en zijn gezin de consequentie trekken, waar de Gereformeerde Kerken zijn, terwijl deze laatste op hun beurt hieruit kunnen weten hoe het staat met het recht op haar goederen, al bevinden deze zich in de macht van anderen.

Belangrijk is ook, hoe deze zaak in hoger beroep door het Gerechtshof te ’s-Gravenhage is behandeld. Als eerste grief had de verliezende meerderheid gesteld, dat op grond van het van toepassing zijnde Dordtse Kerkrecht alleen van verlies van lidmaatschap sprake kon zijn bij toepassing der censuur. Het Hof besliste daaromtrent op 24 December 1936 (N.J. 1937, no. 395), dat, gelijk appellanten zelf hebben toegegeven, het lidmaatschap van een Oud-Gereformeerde Kerk niet enkel kan eindigen door toepassing der censuur, maar eveneens door vrijwillige uittreding uit ’t kerkverband (bedoeld wordt kennelijk “kerk” — L.R.); dat zulk een vrijwillige uittreding niet alleen kan geschieden door het afleggen van een uitdrukkelijke verklaring, doch zonder twijfel eveneens door gedragingen, welke met het zijn van lidmaat der kerk onverenigbaar zijn en dus de wil om zich van de kerk los te maken, ondubbelzinnig doen blijken; dat het evenmin aan twijfel onderhevig kan zijn, dat zulk een gedraging o.a. moet worden gezien in het zich aansluiten bij een kerk van een andere gezindte, daar men niet tegelijkertijd lid van twee kerkgenootschappen kan zijn en dus het zich als lid aansluiten bij een ander kerkgenootschap met andere beginselen, noodwendig de wil om zich van zijn oude kerk los te maken, in zich sluit.

Deze beslissing lijkt ons in overeenstemming met het Synodebesluit van ’s Gravenhage 1914 (Zie Dr. F.L. Bos, De Orde der Kerk, blz. 277). Zij klopt ook op de uitspraak van de Hoge Raad van 1888: Zij, die deel uitmaken van de zich noemende Nederduits Gereformeerde kerk te Amsterdam (dolerende), die geheel staat buiten het synodaal verband van de Hervormde Kerk, hebben daardoor getoond niet meer leden te zijn dezer laatste. In de hier genoemde uitspraak uit de Doleantiestrijd ligt tevens de analogie met de Vrijmaking, die nu echter ten voordele van de Vrijmaking moet uitvallen: Zij, die de onwettige synodebesluiten hebben aanvaard, hebben zich onttrokken aan de Gereformeerde Kerken en zijn lid geworden van een nieuw kerkgenootschap met een eigen organisatie. Het “eigene” dier organisatie is gelegen in hetgeen zij in strijd met het oorspronkelijke recht voor zich als recht heeft aanvaard, m.a.w. de zondige besluiten zijn tot norm verheven.

De tweede grief werd beslist op 31 October 1938 (N.J. 1939, no. 201). Zij kwam hierop neer dat de verschillen meer de organisatorische vorm, dan het godsdienstig inzicht zouden raken en de besluiten van 1933 in elk geval het wezen der gemeente onverlet zouden hebben gelaten. Een door het Hof benoemde deskundigencommissie, bestaande uit de Professoren in de Theologie Dr. J.N. Bakhuizen van den Brink, Dr. H.H. Kuyper en Dr. G. Sevenster, kwam echter tot het oordeel, dat de verschillen wèl het wezen raakten, welk oordeel het Hof tot het zijne maakte, daarbij overwegende:

1. dat toch uit het gevoelen der deskundigen blijkt, dat het wezen der Oud-Gereformeerde Gemeenten van die aard is, dat aansluiting bij de Gereformeerde Gemeenten moet worden geacht te zijn in strijd met haar wezen, immers een zodanig verschil in beginselen tussen Gereformeerde Gemeenten en Oud-Gereformeerde Gemeenten bestaat, dat dit verschil raakt de grondslag der Oud-Gereformeerde Gemeenten.
2. Dat dan ook zij, die destijds vóór aansluiting bij de groep der Geref. Gemeenten stemden, blijk hebben gegeven zich van dit verschil in grondslag bewust te zijn, omdat zij kennelijk begrepen hebben, dat de consequentie van die aansluiting moest zijn, dat de Gemeente zich dan niet langer Oud-Gereformeerde Gemeente kon noemen, maar voor het vervolg de naam van Gereformeerde Gemeente moest dragen.
3. Dat, wat er zij van de vraag, in hoeverre de beginselen, waarin de verschillen bestaan, al dan niet van godsdienstige aard zijn te beschouwen — een vraag, die naar ’s Hofs oordeel ten slotte niet voor de burgerlijke rechter van doorslaggevende aard is —, die verschillen in ieder geval zijn gebleken van die betekenis te zijn, dat zij juist de aard van beide groepen van gemeenten karakteriseren, haar zelfstandigheid tegenover elkander bepalen, en de grondslag van hare gescheidenheid uitmaken.
4. Dat derhalve, wanneer men zich inzake die verschillende beginselen tevoren op het standpunt der Oud-Gereformeerde Gemeenten heeft geplaatst, doch — daarop terugkomende — zich voor het vervolg op het standpunt der Gereformeerde Gemeenten gaat stellen, men daarin de Oud-Gereformeerde Gemeente, waarvan men lidmaat was, verzaakt, zich door die daad van die Oud-Gereformeerde Gemeente afscheidt, en daardoor heeft opgehouden lid dier Gemeente te zijn.

Het Hof bevestigde dus de uitspraak van de Rechtbank, waarbij de minderheid in het gelijk werd gesteld.

Wij gaven de laatste rechtsoverwegingen onverkort, opdat het voor ieder duidelijk kan zijn, dat zelfs naar door de wereldlijke rechter aangelegde maatstaven, de door de Haagse Synode van 1950 gepropageerde “hereniging” geen hereniging kon zijn, daar immers de synodocraten zich van de gereformeerden hebben afgescheiden en niet omgekeerd. Hereniging kan slechts plaats vinden in de richting naar de Gereformeerde Kerken en niet in die naar de synodocraten. Deze uitspraak bewijst het. Zeer terecht bestempelde Prof. Dr. K. Schilder destijds de “herenigings”-actie dan ook als ’n aanval op de vrijmaking als acte van trouw. En duidelijk is hierdoor ook, dat, indien ergens een kerkeraad zich met meerderheid heeft “herenigd” — is dit niet in Vleuten gebeurd? — een dergelijk besluit niet verhindert, dat de minderheid Gereformeerde Kerk blijft. Ook het belang van de naam blijkt uit deze beslissing eens te meer. Terwijl het recht tot aanvulling van de kerkeraad, indien de meerderheid wegloopt, en naar ons gevoelen ook dat van herinstituering, hier door de overheid wordt gesanctioneerd.

Moge dit opstel er toe medewerken om de ogen te openen van hen, die ons bestrijden — in doen, doch ook in laten — opdat zij zich bekeren van hun verkeerde weg en zich eensgezind bij ons voegen tot het strijden van de goede strijd voor het recht van de kerk. Want ging het om persoonlijke krenking van kerkleden, dan zou het tot het uiterste zoeken van zijn recht op “Rechthaberei” kunnen gelijken. Ten aanzien van de goederen van Christus heeft de kerk echter een schuldige roeping te vervullen en indien dit geschiedt niet uit vleselijke overleggingen, doch naar de wil Gods, zal de Koning der Kerk, die ons de belofte van bewaring en vermeerdering van Zijn Gemeente gaf, ons Zijn zegen niet onthouden.