|58|

Memorie van toelichting
Werkorde – hoofdstuk D

 

De kerkelijke tucht

D1 karakter en reikwijdte
1. In de kerken is aan de verkondiging van het Woord van God en de bediening van de sacramenten de kerkelijke tucht verbonden.
2. Zij is gericht op de eer van God, het behoud van de zondaar en de heiligheid van de gemeente.
3. De tuchtoefening draagt als kerkelijke discipline een geestelijk karakter.
4. De kerkelijke tucht gaat over ergerlijke zonden in leer en leven van ieder die tot de gemeente behoort.

Toelichting D1

1. D1.1 bepaalt de plaats van de kerkelijke tucht en sluit aan bij de belijdenis. De kerkelijke tucht is gekoppeld aan de prediking en de bediening van de sacramenten en is zo het derde kenmerk van de kerk volgens art. 29 NGB.

2. D1.2 formuleert de doelstelling van de kerkelijke tucht en sluit daarin nauw aan bij art. 72 KO1978. Wanneer de tucht alleen het behoud van de zondaar tot doel zou hebben, werd de beoefening daarvan onzeker. Want tuchtmaatregelen vallen bij de betrokkene vaak verkeerd: hun effect is dan tegengesteld aan wat je ervan hoopte. Dat motiveert niet om ermee door te gaan. Dus is het belangrijk om te weten dat ook de gemeente ermee gediend is. Tucht is een signaal naar allen, om het woord van God serieus te blijven nemen. Misschien dat de tucht de betrokken zondaar niet zal redden; maar het zal veel andere zondaren in de gemeente wel behouden! Voorop staat de eer van God. Dat is meer dan een obligate vermelding; het brengt in rekening dat zonde binnen de kerk schade doet aan de goede naam van de Heer van de kerk. Door middel van de tucht geeft de kerk genoegdoening aan God. ‘Wees heilig, want ik ben heilig’, aldus 1 Petrus 1: 16 met verwijzing naar het Oude Testament.

3. D1.3 benadrukt het karakter van de kerkelijke tucht: het gaat om een kerkelijke discipline met een geestelijk karakter. In het oude art. LXXI DKO werd de eigen plaats van de “christelijke straf” verdedigd naast die van de “straf der overheid”. Waar de laatste zich met name richt op vergelding, wil de eerste de zondaar terugvoeren naar de verzoening.
Iemand die zijn straf voor de overheid heeft uitgezeten, is daarmee nog niet gevrijwaard van kerkelijk vermaan. En andersom: iemand die door de kerkelijke tucht tot bezinning is gebracht, kan zich daarop niet beroepen om bestraffing door de overheid te kunnen ontgaan.
In de KO1978 is deze notie uit de tekst weggelaten. Toch blijkt – bijvoorbeeld bij zedenzaken – dat het goed is om dit onderscheid in acht te blijven nemen.
Daar zit ook nog een ander aspect aan richting kerkenraad en gemeente: gedraag u niet als amateur-rechercheurs, maar als broeders in Christus, oprecht begaan met de redding van de zondaar.

4. D1.4 tenslotte wijst de doelgroep aan: de kerkelijke tucht raakt ieder kerklid.
De ‘tucht over ambtsdragers’ is niet opgenomen in hoofdstuk D over de kerkelijke tucht, maar heeft een plaats gekregen in hoofdstuk B. Zie B21 en B27.
Plaatsing in het hoofdstuk over de tucht heeft als nadeel dat er vermenging kan ontstaan met de eigenlijke tuchtoefening over zondaars als middel tot bekering. Schorsing en afzetting van ambtsdragers zijn echter niet in de eerste plaats bedoeld om iemand tot bekering te brengen, maar om de gemeente te beschermen tegen onbetrouwbare leiders. De vraag of iemand deel heeft aan het heil in Christus is een andere vraag dan of iemand voldoende betrouwbaar is om de gemeente als ambtsdrager voor te gaan.

|59|

Plaatsing in hoofdstuk B heeft bovendien als voordeel dat wat de predikant betreft schorsing en afzetting kunnen worden afgegrensd tegen losmaking en ontheffing.