528,3
05-02-1888
(XVII) «  

 

 

Van het Kerkelijk ambt.

XVIII. (Slot.)

 

Eenigszins moeielijker is de quaestie, zoo er sprake komt van ambtsdragers, die raakten of staan buiten het kerkelijk instituut, dat door u als het echte en wezenlijke erkend wordt.

En hier doen zich eerst recht allerlei vragen en allerlei moeielijkheden voor.

Beginnen we met het verst afliggende.

In het groote Russische rijk is bijna alles Grieksch. Zult ge nu zeggen, dat er in die ontzettende massa’s van tachtig millioen zielen niets meer van de Christelijke kerk is? Stellig neen. Aan niemand, die een kerkhistorie ging schrijven, zou het ooit in den zin komen, van deze groote Grieksche kerk geen woord te reppen. Bovendien deze kerk belijdt God Drieëenig, en belijdt de Godheid van den Christus en de verzoening door zijn bloed, ze belijdt de vleeschwording, de opstanding des Heeren en zooveel meer. Ook heeft ze het sacrament van den doop. Ge kunt dus niet anders, maar moet wel toestemmen: Ja, ongetwijfeld, hoe ontaard en misvormd ook, ook daar is nog kerk van Christus.

Welnu, in die kerk zijn ambten; ook die ambten die Gods Woord eischt. En voorts heeft men ook deze ambten saamgevoegd en geordend in colleges die geheel onschriftuurlijk zijn, maar die komen eerst na de ambten. De ambten zijn er eerst.

En zoo de zaak opvattende hebben onze vaderen en heeft met name Trigland, steeds geleerd, dat al deze bekleeders van in de Schrift gegronde ambten ook in zulk soort kerken wel waarlijk ambtsdragers van Christus zijn, met den last en het bevel, om dit hun ambt trouw naar den Woorde Gods te bedienen, en dat zij er het oordeel voor dragen zullen, indien ze zich onderwinden, om dit anders te doen.

Zijn er dan onder deze ambtsdragers, die nog ten deele hun ambt naar Gods Woord bedienen, dan gebruikt de Heere dezen dienst onder een deksel; en voor zoover ze hun ambt tegen zijn Woord bedienen, zal Hij hen oordeelen. Gebeurde het derhalve, dat zulk een ambtsdrager geheel doorbrak tot reformatie, en met afwerping van alle superstitie, weer geheel naar Gods Woord begon te handelen, dan zou zulk een niet opnieuw in het ambt moeten worden ingezet, maar als reeds in het ambt inzijnde erkend worden.

In de dagen der Reformatie heeft men op dien grond de pastoors, die tot de Reformatie overgingen, eenvoudig zonder nadere aanstelling in hun ambt laten voortvaren. Er waren er die den éénen Zondag nog de Mis bediend hadden, en den volgenden Zondag tegen de Mis preekten. En dat beide malen in hetzelfde ambt. Toen ze de Mis bedienden als ontrouwe, toen ze tegen haar getuigden als trouw geworden ambtsdragers des Heeren.

Hieruit vloeit vanzelf het standpunt voort, dat we hebben in te nemen tegenover de Luthersche ambtsdragers.

De gezamenlijke Luthersche kerken, die zich in Scandinavië, Duitschland, Denemarken en Amerika over millioenen bij millioenen uitstrekken, zijn, naar ieder erkent, een deel van de zichtbare kerk des Heeren. Ook in dat deel zijner kerk heeft de Heere ambtsdragers. Ambtsdragers die er eerst zijn, eer ze hiërarchisch worden saamgevoegd. En die nu wel in die hiërarchische saamvoeging niet voldoen aan den eisch van het Woord, en als zoodanig verwerpelijk zijn; maar die eer ze aan die hiërarchie toekomen, in hun bloot ambt wel terdege ambtsdragers Christi zijn. Voor zoover ze dit ambt naar Gods Woord bedienen, hun en der kerk tot zegen, en voor zoover ze van het Woord afwijken onder de tucht Gods.

En overmits nu de Luthersche kerken niet alleen met ons belijden wat ook de Grieksche, Roomsche en Armenische kerken met ons belijden, maar tevens met ons tegen allerlei dwalingen protesteeren die in deze kerken insloopen; en het verschil in belijdenis tusschen hen en ons, hoewel uiterst belangrijk, en volstrekt niet zoo klein, ons toch niet verhindert, den Heere te danken voor wat Hij aan deze kerken gaf; is er rust in ons gemoed, als we aan dit groot deel der zichtbare kerk denken; en zijn haar ambtsdragers ons in den regel menschen, die we eeren kunnen om huns werks wil.

In al deze kerken kunnen we geen gemeenschap hebben met het hiërarchisch bestuur, maar er is op heur erf niettemin kerk van Christus, er zijn sacramenten Christi, er zijn ambten Christi, en deze ambten zijn en blijven gebonden aan het Woord, ten zegen voor den drager, zoo hij naar dat Woord dient, maar ook den drager ten oordeel en ten verderve, zoo hij tegen het Woord ingaat.

Dit nu geldt uiteraard evenzoo van die kerken van Gereformeerde belijdenis, die hiërarchisch geregeerd worden. Heur hiërarchie verwerpen we. Die mogen we niet aanvaarden. Die is tegen de Schrift. Maar aan die hiërarchie gaan de ambten vooraf, want de ambtsdragers moeten er eerst zijn, zal met deze stelling de hiërarchische muur gebouwd worden.

Ook hier gaan we dus achter deze hiërarchie terug, en vinden ambtsdragers. Ambtsdragers in een deel van het erf der zichtbare kerk, tegen wier instituut we protesteeren, wier instituut we als valsche kerk verwerpen, maar zoo altoos, dat het erf, waarop zij dit valsche instituut hebben opgetimmerd, toch een deel van de zichtbare kerk blijft, en er in dat deel der kerk ambten zijn.

Verkeeren deze ambtsdragers nu tegen het Woord, dan verliest hun ambt wel alle autoriteit en werking, maar het ambt zelf blijft niettemin. Een Modern dominee is niet als een particulier persoon, maar veel erger. Omdat een paard, dat voor uw wagen trekken moest, niet vooruit wil, maar achteruitslaat, houdt het niet op een paard te zijn, maar wordt veel erger, een kwaad paard. En zoo ook, omdat een ambtsdrager tegen het Woord de verzenen inslaat, daarom houdt hij niet op in het ambt te staan, maar zijn ambt verliest alle werking en autoriteit en wordt kwaad. Het is een boog, die naar binnen uitspringt. Een mes dat u zelven snijdt. En zulk een ambtsdrager staat geoordeeld.

Zijn er daarentegen, die onder dit instituut eener valsche kerk levende, het ambt dragen en het voor een goed deel nog naar den Woorde Gods bedienen, dan bezit hun ambt nog wel terdege werking en autoriteit.

Men kan niet met hen saamwerken, het is zoo, omdat het instituut in den weg staat. Men kan niet tot hen gaan, om dienst, wijl dit een valschen schijn zou geven. Maar als deze zelfde mannen morgen den dag zich aanmelden, om onder een beter instituut Gode de eere te geven, dan erkent een ieder ze als reeds ambtsdragers zijnde en bevestigt niemand ze als pas ingekomenen. Van de heeren Ds. Boonstra, Ds. Koster, Ds. Wolff en anderen bleek het onlangs opnieuw.

Dat zijn dus voor ons in hun werking geschorste ambten, maar ambten wel terdege.

En dit brengt eindelijk vanzelf tot de waardeering van die ambten, die ingezet zijn in deelen der kerk, die met ons én in belijdenis én in taal én in kerkenordening één, alleen in bijkomstige aangelegenheden van ons gescheiden zijn.

Ook hier weer hebben we te doen met deelen van de ééne groote zichtbare kerk van Christus. Met zeer zuivere deelen zelfs.

In die deelen vinden we de zuivere belijdenis. We vinden er de goede kerkenordening. Er is geen hiërarchie. Tegen de ambten is dus geenerlei bedenking.

Alleen maar, het is een ander instituut. Er liggen in het verledene handelingen, die eenigszins anders zijn dan uw handelingen. Ook liggen er eenigszins andere banden in de rechtssfeer van den Staat. En eindelijk er zijn andere betrekkingen met opzicht tot het kerkelijk goed.

Geen van al dus zaken, die het wezen of het karakter van het ambt ook maar van verre raken.

En daarom kan het oordeel geen ander zijn, dan dat ge deze ambten wel waarlijk als ambten erkent, de dragers er van eert, en zoo spoedig mogelijk vereeniging van deze ambten en van uw ambten in één college zoekt, naar den eisch van het Woord des Heeren.

En zoo loopt dan alles wel en zit alles consequent ineen.

Christus heeft zijn kerk in hemel en op aarde. Deze kerk ziet ge niet. Ze is onzichtbaar van aard. Maar de Heere maakt ze zichtbaar door zijn „sienlycke teeckenen.” En zoo ligt deze zichtbare kerk gespreid over vele landen en volken. Deze ééne groote zichtbare kerk valt echter in vele deelen uiteen, gedeeld naar afstanden, talen, belijdenis, kerkenordening, instituut. Vandaar dat het eene deel zuiverder dan het andere deel is. Nu pogen de lieden deze deelen der zichtbare kerk ook in institutairen vorm uit te brengen. Sommigen doen dit in een zuiver instituut, anderen in een min zuiver, sommigen eindelijk in een geheel valsch, instituut. Doch zuiver, onzuiver of valsch al deze instituten zijn getimmerd op het ééne groote erf van de eene zichtbare kerk des Heeren. In die kerk zijn ambten. Die ambten zijn gebonden aan het Woord en naar het Woord alleen af te meten. Een drager, die het niet naar het Woord bedient, boet de autoriteit en werking van zijn ambt in en valt deswege onder het oordeel. Maar het ambt zelf blijft, ook in dien bedorven vorm. En als de schuldige morgen den dag zijn schuld belijdt en betert en zich tot het Woord bekeert, treedt hij als bekend ambtsdrager, d.i. als steeds nog het ambt dragende op.