520,3
11-12-1887
(XIII) « » (XV)

 

 

Van het Kerkelijk ambt.

XIV.

 

Zoo is dan de kerk er eerst; zichtbaar geworden zijnde door den heiligen Doop; in die kerken komen de ambten; en die ambten worden bekleed door ambtsdragers, die, saam in een college vergaderend, het bestuur over de kerk vormen.

Toch moet hier nog iets bijgevoegd.

Immers, zeer terecht zou men kunnen vragen: Als het ambt eerst in de reeds zichtbare kerk inkomt; en die kerk is reeds zichtbaar geworden door den heiligen Doop; en de heilige Doop is een Sacrament, dat alleen door ’t ambt mag bediend worden; eilieve, dan moet toch eerst het ambt er zijn, om tot den Doop te komen, en om door dien Doop te geraken tot een zichtbare kerk.

Dit argument schijnt sterk, maar is, wél bezien, toch, o, zoo zwak.

Het Sacrament van den heiligen Doop toch wordt door de ambtsdragers bediend, niet wegens innerlijke noodzakelijkheid, maar uit hoofde van architectonische raadzaamheid.

Vandaar, dat het Sacrament van den heiligen Doop in gevallen van nood evengoed is bediend geworden door de geloovigen die niet in het ambt stonden. In de Luthersche zusterkerk grijpt dit nog gedurig plaats. In de Roomsche kerk is het, bij doodsgevaar, voor het zieleheil van het kind zelfs geboden. En wel hebben onze kerken den dusgenaamden nooddoop niet overgenomen, maar toch wel, en hierop komt het aan, ook zulk een doop als Doop erkend, en voorts den nooddoop afgeschaft uit heel anderen hoofde.

Erkend.

Want immers, de doop van een kind, dat onder Roomschen of Luterschen gedoopt is, wordt door de Gereformeerde kerken wel terdege als Doop erkend, zonder dat men vooraf onderzoek doet, of het wel gedoopt is door een pastoor of pfarrer.

Daar men nu weet, dat Roomsch- of Luthers-gedoopten zeer dikwijls den leekendoop ontvingen, zoo blijkt dat de Gereformeerde kerken, door nochtans zulk een doop als wezenlijken Doop te erkennen, de bediening door het ambt niet als tot het wezen van den Doop behoorende beschouwd hebben.

En ook, ze hebben den nooddoop afgeschaft uit heel anderen hoofde.

De Roomschen en Lutherschen verklaarden den nooddoop voor onmisbaar, overmits in hun beschouwing de Heilige Doop iets aan iemand toebracht voor zijn eeuwig leven. Derhalve mocht niemand ongedoopt de eeuwigheid ingaan, of hij leed schade. Op dat standpunt moet men dus tot nooddoop komen, of men is liefdeloos en onbarmhartig.

Onze vaderen daarentegen leerden, dat deze voorstelling onjuist is, want dat men door den heiligen Doop niet eerst in het lichaam van Christus wordt ingelijfd, maar alleen dán op den Doop recht heeft, als men reeds in dit lichaam in is, en dat de Doop als „een sienlick teecken” niet strekt om ons in de onsienlicke kerk der eeuwigheid, maar alleen om ons in de sienlicke kerk op aarde in te lijven.

En hiermeê verandert de zaak natuurlijk geheel. Want neemt God de Heere dan een kind zoo spoedig na de geboorte weg, welnu, dan wordt het daarom toch uit de kerk der eeuwigheid niet uitgesloten, maar had alleen niet zijn opneming in de zichtbare kerk plaats.

En hiermeê verviel natuurlijk de nooddoop. Niet in het allerminste uit mindere opprijsstelling, maar enkel door een juistere opvatting van den Doop, als zijnde enkel een sienlick teecken voor de sienlicke kerk.

Doch ook op andere wijs nog is aan te toonen, dat de ambtelijke bediening voor het Sacrament geen essentieele beteekenis heeft.

Eens is uiteraard den eersten keer het Sacrament toegediend, en natuurlijk die eerste maal kon het door geen ambtelijk persoon worden toegediend. Vandaar dat Abraham zichzelven het Sacrament toediende. Evenzoo toen Mozes’ zoon onbesneden was, is de besnijdenis van dat kind, om den toorne Gods, door een niet-ambtelijk persoon verricht.

En hetzelfde geldt immers van den heiligen Doop.

We willen nu niet spreken over het verschil en de overeenkomst van Johannes’ Doop met onzen Doop. Dit zou te ver leiden. Maar zooveel voelt elk lezer dan toch, dat ook hier een begin is gemaakt.

En zóó weinig zijn we ook bij den voortgang van den Doop aan de erfopvolging van het ambt gebonden, dat nu nog een groep van kinderen Gods, die door schipbreuk op een eiland verzeilde, en geen dominee bij zich had, wel terdege verplicht zoude zijn, om, zoo er een kind geboren wierd, dit door den vader zelf te doen doopen.

En was het een schip met enkel zusters geweest, of waarvan alleen de vrouwen gered wierden, dan nog zou een der zusters het moeten doen.

Nood breekt altoos wet zoolang die wet niet noodzakelijk in het wezen gegrond is.

Wet is het, dat God ons onzen mond gaf om te eten; maar als iemand een mondgebrek heeft, kan men hem de voeding ook door een pijp in de maag brengen; enkel wijl het niet tot het wezen van de voeding behoort, dat de spijs door den mond ga, maar wel dat het voedsel in de maag kome.

Wet is dat we gaan op onze voeten. God gaf ze er voor. Maar als een soldaat zijn twee voeten zijn afgeschoten door een granaat, kan hij toch op krukken strompelen, omdat het tot het wezen van het gaan wel behoort, dat men vooruitkome, maar niet noodzakelijk dat dit geschiede door de voeten.

Nu mag men, als iemands mond in goeden staat is, hem zeker geen gat in zijn keel maken, om er hem voedsel door toe te dienen. Dit ware verminking. Neen, zoolang de mond er is, gaat het door dien mond. En zoo ook, zoolang iemands beenen goed zijn, mag hij niet op krukken loopen, dit ware een bespotten van zijn Schepper. Maar is mond of voet onklaar, dan komt er een hulpmiddel, door het wezen der zaak zelf aangewezen, want de mond en de voet bestaan door en ook om het lichaam, en niet hel lichaam door en om voet of mond.

En zoo nu ook hier.

God gaf voor den Doop het ambt. Is het ambt dus gereed, dan wordt de Doop door het ambt bediend. God gaf het ambt er voor. Het is zijn ordinantie.

Maar raakt het ambt onklaar, dan gebruikt men een hulpmiddel, waardoor het wezen van den Doop gered wordt. Eenvoudig wijl de Doop er niet om het ambt, maar het ambt er mede om den Doop is. En de noodzakelijkheid van den Doop niet in het ambt maar in de zichtbaarwording van de kerk zelve ligt.

Hierom mogen we het er dus voor houden, dat elk bezwaar tegen onze stelling, dat eerst de kerk zichtbaar wordt, en eerst daarna het ambt in haar optreedt, is afgesneden.

Slechts dient volledigheidshalve nog met een enkel woord het geval besproken, dat in een ambtelooze kerk een ambtsdrager van buiten optreedt.

Het gold namelijk bij onze vaderen altoos als regel, dat een plaatselijke kerk, die tijdelijk zelf verstoken was van ambtsdragers, hulp en assistentie van elders ontving.

De nagebuurde kerken wierden dan aangezocht, en deze zonden dan een dienaar des Woords met of zonder ouderlingen. En deze trad dan op, om de ambteloosheid dezer kerk tijdelijk tegemoet te komen.

Dit steunde intusschen volstrekt niet op de overtuiging (die onze vaderen nooit hadden), alsof het Sacrament van het ambt onafscheidelijk was. Zoo Sacerdotale opvatting is door hen nooit gehuldigd. Maar wel op de heel andere overtuiging, dat in hun kerk slechts die ééne zelfde kerk van Christus uitkwam, die ook elders zichtbaar was.

Als een fontein in de bergen tien, twaalf verschillende openingen heeft, zoodat er tien, twaalf onderscheidene beekjes uit afvloeien naar verschillende zijden, dan hebben elk van die beekjes hun eigen loop en eigen bedding. Maar omdat ze alle uit eenzelfde fontein afvloeien, is het toch eenzelfde water, dat in aller bedding vliet.

Zoo ook bij de kerk.

Het onzichtbare lichaam van Christus is de ééne fontein, en op elk dorp en in elke stad heeft die fontein een opening en vloeit er een kerk uit, en elk dier kerken heeft dus een eigen loop en bedding. Maar omdat in die alle saam altoos eenzelfde kerk openbaar wordt, is het toch één leven dat aan alle gemeen is.

Hierop nu steunt de overtuiging, dat een ambtsdrager nooit exclusief ambtsdrager in ééne bepaalde kerk, maar dat hij ambtsdrager in de kerk van Christus is, waar die ook openbaar wordt, en dat slechts orde, regelmaat en verdeeling van arbeid, in gewone toestanden, den ambtelijken kring bepaalt en beperkt.

Is het daarentegen dat in buitengewone omstandigheden deze perken en bepalingen wegvallen, dan treedt zulk een ambtsdrager ook buiten zijn eigen kring op en helpt wie hulpe noodig heeft.

Doch wel verre van daar, dat op die wijs de kerk eerst door het ambt zichtbaar zou worden, toont het juist omgekeerd, dat zulk een kerk reeds zichtbaar is, eer zulk een ambtsdrager tot haar komt. Immers anders kon hij haar niet waarnemen, niet tot haar komen, en haar niet vinden.

Hij zou dan puur een missionaris zijn, die onder heidenen gaat, en beginnen moet met ook alle volwassenen te doopen.

Dat hij dit niet doet, maar gedoopten vindt, en slechts het „zaad der kerk” doopt, toont dus zonneklaar, dat hij komt tot een reeds bestaande kerk, en aan die kerk als zoodanig zijn diensten aanbiedt.