519,3-4
04-12-1887
(XII) « » (XIV)

 

 

Van het Kerkelijk ambt.

XIII.

 

Veel scherper dan men dusver placht, dient onderscheiden tusschen het ambt en het bestuur in Jezus’ kerk op aarde; en vooral in de tegenwoordige verwikkeling is het juist deze onderscheiding, die ons den draad in de hand legt, om veilig door en uit den kerkelijken doolhof te geraken.

Meer dan één verkeert in den waan, als zouden we ontkennen, dat er ook in de kerk van Christus op aarde een bestuur behoort te zijn, en dan komt men aandragen met allerlei citaten uit de Liturgie en uit oude, goede, betrouwbare theologen, om tegenover ons te bewijzen, dat er toch heusch wel van een „bestuur” of ,, regiment” in Christus’ kerk sprake kan zijn.

Men kon zich die moeite sparen.

Met de Confessie der Ned. Geref. kerken belijdt ook De Heraut, dat de kerk van Christus op aarde „geregeerd moet worden naar de geestelijke politie, die Christus voor zijn kerk verordend heeft.”

Zonder daarom te beweren, dat de zichtbare kerk zelve aanstonds weg zou vallen, al ontbrak tijdelijk haar bestuur, zoo staat het niettemin voor ons vast, dat een bestuur wel verre van het wezen der kerk te doen ontaarden, veeleer tot haar welwezen behoort.

Ons protest en verzet ging uitsluitend tegen tweeërlei misbruik dat men van het woord bestuur gemaakt heeft.

Ten eerste kent de Heilige Schrift en diensvolgens de Confessie geen andere bestuurders die door Christus in zijn kerk op aarde zijn ingezet en aangesteld, dan de dragers van het ambt in de plaatselijke kerken, en slechts voorzoover deze gezamenlijk optreden, te zamen en dan nog maar tot op zekere hoogte over de gezamenlijke kerken. In strijd hiermee echter heeft de hiërarchie vierderlei besturen in het leven geroepen in: 1. den kerkeraad; 2. het classicaal bestuur; 3. het provinciaal bestuur en 4 het synodaal bestuur, van welke drie laatste besturen men medebestuurder wordt, niet krachtens het ambt, dat men plaatselijk bekleedt, maar door keuze van menschen, en krachtens schepping van een reglement, zonder dat er ’t zij in Gods Woord, ’t zij in onze Confessie, ook maar met één woord van zulk soort lieden sprake is.

Naar luid onzer Confessie komt het bestuur over de plaatselijke kerk tot stand, doordien de onderscheidene ambtsdragers in één raad of college saamkomen en saamwerken. Zóó en niet anders ontstaat de kerkeraad, en deze kerkeraad is het eenig zelfstandig bestuurscollege in de kerk. En wel kunnen nu deze kerkeraden, door afgevaardigden, in classis, naar provinciën of in synode saamkomen, en zoo zekere bestuurszaken gemeenschappelijk regelen, die één kerkeraad op zichzelf niet regelen kan noch mag, maar hierdoor wordt volstrekt geen nieuw bestuur van hooger trap gevormd, doch slechts een tijdelijke saamwerking van de bestuurscolleges der plaatselijke kerken. Dit kan men nu vast en veilig hieraan onderscheiden. Als de praeses van het classicaal bestuur de vergadering van dit bestuur gesloten heeft en de vergadering is uiteen, dan blijft hij toch praeses en de leden toch leden van dit bestuur, zoodat het ook als het niet saam is, toch zelfstandig bestaat. De oude Gereformeerde classen daarentegen waren vergaderingen van nagebuurde kerken, die slechts even saam kwamen en voor elke samenkomst een moderamen kozen, maar zoodra ze heur zaken hadden afgehandeld huiswaarts keerden, zonder dat er eenig moderamen of bestuur overbleef.

En nu weten we wel, dat men de eenvoudige lieden misleidt door het voor te stellen, alsof de huidige classicale besturen precies hetzelfde waren als de vroegere classen en heur moderamens; maar wie eenmaal goed gevat heeft, dat het classicaal bestuur een blijvend bestuurscollege is, dat bestaat, ook al is het niet vergaderd, en wel uit leden bestaat, die hiervoor een afzonderlijke qualiteit ontvangen, ziet terstond de opzettelijke misleiding in.

Ons tweede verzet en protest tegen het misbruik, van het woord besturen gemaakt, ging in tegen het valsche denkbeeld, alsof men op die wijze nu eindelijk ook een hoogste bestuur verkreeg in de Synode, en als bezat dit op den hoogsten trap staande bestuur nu de souvereine, d.i. wetgevende, rechtsprekende en besturende macht. Elke trap kenmerkt de hiërarchie; de Gereformeerde kerken daarentegen kennen geen enkelen trap in het bestuur. Alle besturen der plaatselijke kerken staan gelijkvloers naast elkaêr. Vele, meerdere, eindelijk alle kerken kunnen saamkomen, maar wat saamkomt zijn altoos de bestuurscolleges der plaatselijke kerken. Een hooger en nóg hooger en hoogste bestuur is dus ondenkbaar. Christus is de souvereine Koning bij Gods gratie, en door hem is slechts één enkel soort bestuurscolleges ingesteld en dat zijn de kerkeraden, welke kerkeraden last en bevel hebben om ook saam te vergaderen en saam te handelen, maar steeds als saamgekomen kerkeraden, nooit als een bestuurscollege van hooger trap.

In de Synode van Gereformeerde kerken is geen enkele bevoegdheid tot regeling of ordening dan voor zooverre de leden er die brengen uit de kerkeraden; in welke kerkeraden ze door de ambtsdragers in naam van Koning Jezus gebracht was.

Na echter tegen dit tweeërlei misbruik van het woord bestuur nogmaals ten ernstigste geprotesteerd te hebben, aanvaarden we het gebod dat er ook in de kerk van Christus op aarde een bestuur, een politie, een regiment of een regeering zijn moet ten volle. Zonder zulk een bestuur kan de kerk haar leven in het zichtbare niet dan zeer tijdelijk en altoos op gebrekkige wijze voortzetten.

Van zulk een normaal en wettig bestuur intusschen kan en mag men niet zeggen, dat het eenvoudig hetzelfde is als de ambten. Neen, tusschen het bestuur over een kerk en de ambten in een kerk bestaat altoos dit principiëel verschil, dat er nooit een bestuur zonder ambt is, maar dat er wel ambten kunnen zijn, zonder dat er alsnog een bestuur is.

Bestuur toch bestaat in de kerk van Christus nooit in één ambtsdrager, maar alleen in meerdere saam. En overmits nu de steenen er zijn alvorens de muur er is, zoo komen er ook ambten zonder dat het bestuur er nog is. De ambten zijn de saamstellende deelen, uit wier saamvoeging eerst het bestuur ontstaat, en ontstaat naar bepaalde regeling en orde. Doctoren en Diakenen b.v. zijn zeer zeker evengoed ambtsdragers als de Herders en Opzieners, en toch worden ze in het bestuur der kerk veel minder gemengd.

Dientengevolge is hierbij nog iets anders in het oog te houden.

Het bestuur in een kerk ontstaat niet enkel in de bijeenvoeging van tijdelijke dragers van het ambt, maar bestaat ook wel terdege in de bindende kracht van al zulke regelen en ordinantiën, als op grond van Gods Woord zijn vastgesteld. In het bestuur over een kerk is dus tweeërlei: 1. de saamvoeging van het ambt en 2. de kerkenordening, en het is eerst wanneer de tijdelijke ambtsdragers naar die regelen zijn saamgevoegd en naar die regelen besluiten, dat hun college werkelijk het bestuur der kerk is.

Dat zou niet zoo zijn, indien de kerk plotseling ontstond en slechts tijdelijk bestond, maar nu de kerk een historisch leven leidt, en dezelfde blijft, al is het ook dat de geslachten komen en gaan, en geheel ander personeel optreedt, is het bestuur eerst dan werkende als de ambtsdragers in deze historische continuïteit optreden.

En ook, dit zou anders zijn, indien de tijdelijke ambtsdragers de kerk naar eigen goeddunken konden regeeren, maar is niet anders, nu de ambtsdragers aan Gods Woord gebonden zijn. Nu toch is hun bestuur over de kerk dan alleen wettig, zoo ze zich aan dit Woord houden.

Ambt en Bestuur verschillen dus op allerlei manier. Het ambt moet er vooraf zijn als de bouwstof, waaruit het bestuur tevoorschijn treedt In het bestuur intredende, treedt de ambtsdrager in een bestaande regeling en kerkenordening. En eindelijk, als ambtsdrager is hij alleen inzooverre wettig medebestuurder, als hij én bij de beoordeeling dier kerkenordening én bij zijn adviezen en stem, zich onvoorwaardelijk aan de wet houdt, d.i. aan het Woord van God.

Een college, zich bestuur eener kerk noemende, is dus geen bestuur of ook een gansch onwettig bestuur: 1°. zoo er andere personen dan in hun qualiteit van ambsdragers in zitten; 2°. zoo het niet saamgevoegd is naar de regelen der kerkenordening, en 3°. zoo óf die kerkenordening óf de besturen niet conform den Woorde Gods zijn.

De thans vrijkomende kerken hadden dientengevolge geen recht om zoo maar eens een nieuwe kerkenordening te maken, maar moesten aanvangen met de kerkenordening van 1619 weer te eeren. En de Synodale tegen-kerkeraden en hoogere besturen, zijn daarom geen wettige besturen, omdat ze 1°. saamgevoegd zijn naar een ordening die tegen den Woorde Gods is, en 2°. bij hun besluiten tegen de wet der kerk, d.i. tegen Gods Woord ingaan.

Waar nu geen wettig bestuur is, moet het opgericht, en kan het niet opgericht of er moeten eerst ambtsdragers zijn. Waar dezen dus niet zijn, moeten ze eerst verkozen. Of ook, waar wel ambtsdragers zijn, maar die weigeren een wettig bestuur te vormen, moet een ander stel ambtsdragers naast hen optreden, gelijk dan ook geschied is.

Hieruit echter volgt, en men zal het gewicht van deze gevolgtrekking beseffen, hieruit volgt volstrekt niet, dat de ambtsdragers, die weigeren in het wettig bestuur samen te werken, deswege terstond hun ambt kwijt zijn.

Een steen blijft een steen, ook al wordt hij niet ingevoegd in den muur. En zoo ook blijven de ambtsdragers in hun ambt, ook al is het dat ze weigeren zich te voegen in het wettig bestuur.

Geen grooter ongerijmdheid kan ons derhalve worden toegedicht dan nog onlangs door Dr. Hoedemaker geschiedde, die ons de meening toeschreef, alsof de herders en opzieners die niet met de Reformatie medegaan, deswege naar ons oordeel van hun ambt vervallen waren.

In het minst niet.

Zij blijven in hun ambt en zullen als ambtsdragers geoordeeld worden. Maar het dusgenaamd Bestuur, waaronder zij zich voegen en dat zij voeren, is onwettig en dus geen bestuur, omdat het saamgevoegd is naar een ongoddelijken regel en gevoerd wordt tegen Gods Woord in.

En dit nu wordt voor hen des te bezwarender van aard, omdat zij zich niet slechts in dit valsche bestuur voegen en het helpen voeren, maar omdat zij gelijktijdig weigeren, zich als bestuur saam te voegen naar de Gereformeerde kerkenordening en meê te werken in een bestuur, dat leeft naar Gods Woord.