516,3
13-11-1887
(X) « » (XII)

 

 

Van het Kerkelijk ambt.

XI.

 

Alleen de Christus heeft te zeggen, hoe het in zijn kerk toe moet gaan; niet eenig mensch op aarde. Hij alleen heeft daarover te zeggen, en niemand heeft hierin medezeggenschap. En al wat in zijn kerk opgericht of ingesteld of vastgezet wierd of wordt, zonder op het Woord des Heeren te rusten, staat niet vast, maar los; is ontbloot van alle autoriteit; bindt noch de conscientie noch de geloofsvrijheid; en kan veel min ooit van de geloofsplichten ontslaan.

Door dit voor elk kind van God onweersprekelijk feit, komt nu op den grondslag van Jezus’ Koningschap, niet alleen de regeering der kerken te rusten, maar ook het leeraarsambt en ook de priesterlijke bediening der gebeden en der barmhartigheid.

Hierover is veel op verwarde wijze gesproken, en men heeft verzuimd zich de zaak door scherper onderscheiding klaar te maken.

Er steekt iets van Jezus’ koningschap in; dat voelde men wel. Toch kwam het bij elke bediening van het ambt alleen op de gebondenheid aan het Woord, d.i. aan zijn Profetenschap, neder. En hoe nu die twee in juist verband stonden, wierd niet genoeg uitgewerkt.

Toch valt het bij eenig indenken licht, hier het rechte spoor te vinden.

Het ambt in Christus is drieledig, maar in die drievoudigheid toch één. Hij is niet beurtelings profeet, en dan weer priester, en een derde maal koning. Neen, wat hij bedient is het ééne, volle, ongedeelde Middelaarsambt, naar zijn drie zijden.

Vandaar, dat de Christus ook nu nog aan de rechterhand des Vaders Middelaar in den vollen zin des woords blijft. Hij is nu nog profeet, priester en koning tegelijk, en alle bediening, die onder hem door zondaren in profetie, offerande of regiment in de kerk op aarde plaats grijpt, is niet een stellen van profeten, priesters of regeerders naast hem, maar uitsluitend het stellen van organen, door wie hij zijn Woord verkondigt, door wie hij zijn priesterschap bezegelt, en door wie hij regeert.

Er is ook nu nog; altoos door den dienst van herders en leeraars, van ouderlingen en diakenen in de kerk op aarde bediening, uit dit drievuldige Middelaarschap, van Immanuel, gelijk we een vorig maal reeds aanstipten, en dat door elk hunner, naar zijn orde, op onderscheidene wijze. Wel dooreengevlochten en dooreengestrengeld, omdat ze in den wortel één in den Middelaar zijn, maar toch door straalbreking voor ons duidelijk genoeg in den profetischen, priesterlijken en koninklijken tint uiteengaande.

Nu zou men zich intusschen vergissen, zoo men waande, dat als er een leeraar wordt ingesteld, deze wordt ingezet door Christus den Profeet, wijl hij leeren moet; dat zoo er een ouderling in het ambt gaat, deze wierd ingezet door Christus den Koning, wijl hij regeeren moet; en dat, zoo er een diaken wordt bevestigd, deze optreedt namens Christus den Priester, wijl hij de offerande bedient.

Wie het zich zóó voorstelt verzuimt te onderscheiden, tusschen de aanstelling van deze ambtsdragers en den inhoud van hun last.

Gunne men ons, om dit duidelijk te maken, eene vergelijking.

Als onze Koning een gezant naar een vreemd hof zendt, om te onderhandelen over de afschaffing van suikerpremiën, of over de regeling van het internationaal telegraphisch verkeer, dan denkt onze Koning er niet aan, om dezen industrieel of ingenieur in détails te zeggen welke gedragslijn hij te volgen heeft. En dat kan ook niet, want de bijzonderheden over de suikerindustrie en het spoorwegverkeer kent zulk een gezant veel beter dan de Koning. De Koning geeft hem daarom alleen bij Koninklijk besluit zijn aanstelling, maar voor wat de te volgen gedragslijn aangaat, wordt hij verwezen naar een chef van dienst op een der bureaux, die meer bijzonder op de hoogte van dezen tak van dienst is. Met dezen wordt dan onder de leiding van den Minister de aan te nemen houding geregeld, en ook dan nog voor een groot deel aan de prudentie van den kundigen gezant overgelaten.

Aan dit voorbeeld ziet men, hoe er een zeer sterk in het oog loopend verschil bestaat tusschen iemands aanstelling en den inhoud van zijn last, overmits beide vloeien uit een geheel onderscheidene bron. De aanstelling vloeit uit de bron der souvereiniteit, de inhoud van den last, uit de bron der kennisse, of als er een gave te bedienen is, uit de schatkist en tresoor waarin die schat ligt opgetast.

En zoo nu is het ook in de kerk van Christus.

Wat ambt er ook in de kerk bediend wordt, het heeft altoos drieërlei: 1°. de instelling; 2°. de aanstelling en 3°. den inhoud van last of gave.

Elk ambt heeft zijn instelling: D.w.z. eer een zeker persoon voor zeker ambt wordt benoemd, wordt er eerst en vooraf uitgemaakt dat er zulk een ambt zal zijn. Zoo doet onze aardsche Koning ook. Hij bepaalt eerst dat er inspecteurs voor het onderwijs, dat er controleurs voor de belastingen, dat er alom betaalmeesters zullen zijn. En eerst nadat bepaald is, dat al deze ambten ingesteld zijn, wordt er nu vervolgens toe overgegaan, om in deze ambten bepaalde personen aan te stellen.

Zoo nu ook in de kerk.

Of er eenig ambt, en zoo ja, welk, op zal treden, is de instelling van dit ambt. En zoo is er allereerst bepaald, dat in de kerken des Nieuwen Testaments vierderlei ambt zou staan, dat van Leeraar, Herder, Ouderling en Diaken.

En het recht nu om dit te bepalen, om dit aldus te beschikken en vast te stellen, komt niet aan eenig mensch toe, ook al was hij keizer van de geheele wereld, maar komt uitsluitend toe aan Koning Jezus.

Let wel, niet aan Jezus als Profeet; noch ook aan Jezus als Priester; maar uitsluitend aan Jezus als Koning.

Oorspronkelijk is zulk een instelling van eenig ambt altoos een uitoefening van Goddelijke macht en komt alleen Gode toe. Maar God de Heere is vrijmachtig om deze macht op zijn schepsel voor het burgerlijk leven, en op den Middelaar voor de kerk te leggen. En dienovereenkomstig heeft Hij ze dan ook op de aardsche koningen gelegd voor het leven der burgermaatschappij, en op den Middelaar Jezus Christus voor de maatschappij der kerk.

Welke ambten in de kerk bestaan mogen, hetzij duurzaam, hetzij slechts tijdelijk, is daarom alleen op te maken uit Jezus’ koninklijk welbehagen, en deze zijn wil en welbehagen is alleen en eeniglijk op te maken uit zijn Woord.

Een iegelijk dus, die zich onderwindt om in de kerk een macht in te stellen, die ambtelijk werken zal, en die niet kan aanwijzen dat dit ambt alzoo door Koning Jezus in zijn Woord is ingezet, matigt zich aan wat hem niet toekomt en randt de kroon aan die alleen op het hoofd van den Middelaar als Koning bloeit.

Na deze instelling van dit ambt komt in de tweede plaats de aanstelling in dit ambt van de personen.

Ook deze aanstelling nu gaat uitsluitend van den Middelaar als Koning uit.

Niemand kan in eenige kerk ’t zij herder, leeraar, ouderling of diaken zijn, tenzij hij door Jezus als Koning daartoe zij aangesteld.

Hiermee is volstrekt niet bedoeld, dat elk leeraar, herder, ouderling of diaken met een stem uit den hemel moet geroepen zijn, of op mystieke wijs zich een aanstelling moet verzekeren, maar wel dit, dat hoe ook de aanwijzing van den persoon geschiede, zijn benoeming of aanstelling altoos een daad van Jezus als Koning is.

Vergelijking met het burgerlijk leven heldert weer ten volle op. Een koning op aarde is volstrekt buiten staat om over de duizend en één aanstellingen die te doen zijn, zelfs met de noodige zaakkennis, den meest geschikten persoon uit te vinden. Hoe zou een koning weten wie de kundigste en meest geschikte was om als hoogleeraar de psychiatrie of de Assyriologie te doceeren. Vandaar de gewoonte, dat de deskundige colleges of ambtenaren de personen aanwijzen en voordragen, en dat deze door den betrokken minister aan den koning ter benoeming wordt aangeboden.

Maar al staat het nu nog zoo vast, dat deze en geen ander de aangewezen persoon is, toch helpen al deze aanwijzingen niet om hem in het ambt te zetten. Zijn aanstelling is en blijft altoos een Koningsdaad. Zijn gezag ontleent hij uitsluitend en eeniglijk aan de daad en machtsoefening van zijn Vorst.

En zoo nu ook in de kerk van Christus.

Wie, op wat wijze ook, geroepen zij, om eenigen persoon voor eenig ambt aan te wijzen, ’t zij de kerkeraad dit doet, of een kiescollege, of de geloovigen volgens hun ambt, door dit alles wordt niemand nog hetzij leeraar of herder of ouderling of diaken. Dit alles is nog slechts de aanwijzing. En daarop volgt eerst de aanstelling namens den Koning der kerk, in verband met de belofte of eed van trouw, die hij in het midden der gemeente aan den Koning doen moet.

Zoo zijn dan de instelling en de aanstelling daden van den Koning als Middelaar.

Maar, als het nu toekomt aan de bediening van deze ambten, zoo wordt dit anders, en treedt het derde moment in, waarop we wezen.

En dan ontvangt de leeraar zijn last, niet van den Koning, maar van den Middelaar als Profeet; de herder zijn last niet van den Koning, maar van den Middelaar als Profeet en Priester; de ouderling zijn last van den Middelaar als Koning; en de diaken zijn last van den Middelaar als Priester.

Alle vier soorten van ambtsdragers hebben dus, naar gelang hun ambt is, onderscheidenlijk met den Middelaar als Profeet, Priester of Koning te doen; maar komt het nu op hun instelling en aanstelling aan, dan hangen ze alle vier uitsluitend van den Middelaar als Koning af. En juist daardoor is bij ambtelijke, en speciaal bij hiërarchische deformatie der kerken, principieel altoos het Koningsambt van den Messias het eerst en het smadelijkst aangerand.