515,3
06-11-1887
(IX) « » (XI)

 

 

Van het Kerkelijk ambt.

X.

 

Houd nu vast, wat we vonden; Jezus Koning over heel de kerk in hemel en op aarde. Om onze aanklevende zonde zijn residentie niet op aarde, maar in den hemel. Hij zelf rechtstreeks heel de kerk in den hemel regeerend. En eer hij opvoer, zijn wil schriftelijk op aarde achtergelaten, ons aanwijzende, hoe de kerk te leven en te werken heeft, om hem onderdanig en haar souvereinen Koning gehoorzaam te zijn.

Zoo ligt dus de Heilige Schrift in het midden der kerk op aarde, met den eisch van onzen Koning, dat ze voor dit zijn Woord buige, en daarnaar leven zal.

Niet, om nu met dit Woord te werken buiten hem om. Als liet hij zijn kerk nu aan zichzelf over. Neen, dat niet, maar wel zoo, dat hij de inwerkingen van zijn Geest gebonden heeft aan het recht gebruik van dit zijn Woord. Doet de kerk naar het Woord dit eischt, dan werken de krachten des eeuwigen levens en de kerk bloeit. Zet daarentegen de kerk dat Woord, openlijk of bedektelijk, ter zijde, dan trekt onze Koning zijn genade al meer terug en de kerk gaat kwijnen.

Woord en Geest hooren onlosmakelijk saâm.

Zonder den Geest nut het Woord niet, omdat ’t het Woord van den Koning is en verachting van den Koning den Geest uitbant.

Maar ook zonder het Woord werkt de Geest niet, omdat het den Koning beliefd heeft, aan dat Woord de werking van zijn Geest te verbinden.

„Waar twee of drie in zijn Naam tezamen zijn, is hij in hun midden.” Mits men maar wel versta, dat in Jezus’ Naam samen zijn, beduidt: Zóo samen zijn, dat men hem in zijn koninklijken Naam als door God over ons gesteld Souverein eere.

„Hij is met ons alle de dagen tot aan de voleinding der wereld,” mits we zijn leerjongers en discipelen zijn, d.i. aan zijn Woord ons onvoorwaardeliik onderwerpen.

Aan dat Woord hangt dus het éen en het al in de kerk. En elke richting in de kerk, die zegt, den gekruisten Verlosser te prediken, en nochtans zijn Woord durft aanranden, speelt met heilige woorden en verlokt de gemeente om zich te vergapen aan een onwaarachtigen schijn.

Nu ware het, op zichzelf beschouwd, niet onmogelijk geweest, dat onzen Koning dit zijn Woord zóo had ingericht, dat eenvoudig elk lid der kerk daarmeê voor zichzelf bezig ware geweest, zonder tusschenkomst van den dienst van andere menschen.

Ware dit zoo, dan zouden er nimmer kerkelijke ambten zijn ontstaan, zouden er nooit sleutelen des hemelrijks in menschenhanden zijn neergelegd, en zou er nooit van prediking noch van bediening der sacramenten, noch van bediening der barmhartigheid, noch van tucht en kerkregeering ooit sprake zijn geweest.

Of dit zoo dan wel anders zijn zal, staat intusschen wederom niet aan de onderdanen, maar aan den Koning ter beslissing.

Hij heeft hierover te zeggen. Hij heeft dit te bepalen. Hij heeft dit uit te maken. Hij alleen.

Eigenwilligheid, eigendunkelijkheid, eigenzinnigheid is hier uitgesloten. Kan hier niet bestaan. Is gevloekt van den Heere der heirscharen. Immers, „eigenwilligheid” en „onderdaan zijn” vormen twee begrippen, die elkaar uitsluiten.

We zeggen niet, dat de kerkinrichting, die het Woord schetst, in Jezus zelf op wilkeur rust. Geenszins. Integendeel zijn we vast overtuigd, dat zijn verordeningen desaangaande haar dieperen grond vinden in den aard van onze menschelijke natuur, gelijk God de Heere die in de schepping bepaald heeft.

Daar het ons echter niet vergund is, desaangaande met zekerheid te spreken, zeggen we, dat onze gehoudenheid om de door Jezus ingestelde kerkinrichting te volgen, niet gegrond is in ons inzicht aangaande de behoeften, die uit onze natuur voortvloeien, maar eeniglijk in den wil van onzen Koning.

Er geldt hier geen natuurrecht, maar alleen een stellig recht; te kennen uit zijn instelling en ordinantie.

De opmerking van Roomsche zijde gemaakt, dat, indien de alomtegenwoordigheid van Jezus’ genade, majesteit en geest de noodzakelijkheid van hoogere hiërarchische besturen uitsluit, dan tevens daardoor de plaatselijke ambten zijn uitgesloten, houdt geen steek.

Immers, wel die plaatselijke, en niet die hiërarchische besturen zijn in het Woord, en dus door stellig recht, voorgeschreven.

Hiërarchische besturen hebben hun grond alleen in de behoefte der menschelijke natuur, niet in het stellig recht door onzen Koning vastgesteld. En overmits nu de alomtegenwoordigheid van Jezus’ genade, majesteit en geest aan alle behoeften van onze menschelijke natuur ook zonder hiërarchie te stade komt, zinkt aan deze hiërarchische besturen alle bestaansrecht en alle bodem onder de voeten weg.

Zoo ontstaat dan nu de vraag, in welken zin Jezus ambten op aarde onder menschen voor zijn kerk heeft ingesteld.

Ware hij alleen onze Koning, dan zouden deze ambten natuurlijk een uitsluitend karakter van regeering dragen.

Dit is echter niet zoo.

Hij is tevens onze eenige Profeet en Priester. In hem is de volheid van het drievoudig ambt. Hij is Koning, Priester en Profeet tegelijk. Niet als iets onderscheidens, dat werktuiglijk in hem saamgevoegd is. Neen, hij is Koning, Priester en Profeet in ongedeelde eenheid. Het éene is in hem van het andere onafscheidelijk.

Dit maakt dat Jezus ook nu nog in zijn kerk op aarde profeteert, het priesterschap bedient en regeert, en dat dientengevolge de door hem ingestelde ambten hiervan de schaduw en den afglans vertoonen.

Ook in die ambten is het profetenschap, het priesterschap en koninklijk regiment, mits altoos zoo, dat hij de eenige, eigenlijke Profeet blijve, en de ambtsdragers slechts organen zijn van zijn protetischen arbeid; dat hij alleen de eigenlijke Priester blijve en de ambtsdragers slechts organen van zijn priesterlijke bediening; en evenzoo dat hij alleen de eigenlijke Koning blijve, en de ambtsdragers slechts de organen van zijn koninklijke macht.

Hij is de eenige en eigenlijke Profeet, bij ieders hart en in elke vergadering der geloovigen. Waar hij niet predikt, is geen prediking. Waar hij niet tot de harten spreekt, wordt in het hart geen geluid noch stem vernomen. Als hij niet in de vergadering der geloovigen Gods lof verkondigt, is er geen lof. Zoo hij niet voer ons bidt en in ons bidt door zijn Heiligen Geest, is er geen dienst der gebeden.

Organen nu voor dit zijn heilig profetenschap zijn de leeraars, en waren de apostelen, evangelisten en profeten.

Hij is de eenige Priester bij ieders hart, in ieders nood, bij alle sacrament en bij elke betooning van barmhartigheid; ook bij elke voorbede. Waar hij niet zelf de verzoening van zonde bezegelt, blijft ge in uw zonde. Waar hij niet zelf in het Doopwater en in Brood en den Wijn zich betuigt en meedeelt, is geen sacrament ontvangen. Als hij niet in de vergadering der geloovigen is, komt er geen absolutie. Indien hij niet de voorbede opdraagt, helpt al ons bidden voor anderen niet.

Organen nu voor dat zijn heilig priesterschap zijn de herders en de diakenen, die de sacramenten, de voorbede en de barmhartigheid onder Gods volk bedienen.

En zoo ook, hij is de eenige Koning. Waar hij niet zelf in den raad der kerke door zijn Woord en Geest voorzit, daar is geen kerkvergadering. Waar hij niet oordeelt of vrijspreekt, daar is geen ontbinding of binding van den schuldige of onschuldige. Waar hij niet de verordeningen der kerk bezegelt, daar is niets wat de conscientiën kan binden. Hij alleen is het die sluit en niemand opent, die opent en niemand sluit.

En organen voor deze zijn koninklijke macht, zijn de opzieners der gemeente, die de regeering der kerk leiden, in zijn naam regelen vaststellen, en in naam van den Koning in de hemelen, toelaten tot zijn heilig sacrament of van de gemeenschap der kerk uitbannen.

Geen doode Jezus dus. Hij is opgestaan, en voer ten hemel, en zit aan de rechterhand Gods.

Geen slapende Jezus. Hij is de Herder Israëls, die nooit sluimert, maar al den dag en al den nacht zijn kerk op ’t harte draagt.

Geen werkelooze Jezus. Hij werkt altoos, gelijk zijn Vader altoos werkt.

Hij is nooit verre, maar altoos nabij.

Hij droeg nooit iets over in het ambt, opdat anderen het buiten hem om, nu in zijn plaats zouden doen. Maar is altoos bij en met ons, en kent geen andere ambten, dan organen, waardoor hij zelf werkt.

Hij is en blijft de wezenlijke, de eigenlijke, de eenige Profeet, die onder ons Gods Woord predikt; de eenige priester, die onze zonde verzoent; de eenige Koning, door wien we mogen geregeerd worden.