513,3
23-10-1887
(VII) « » (IX)

 

 

Van het Kerkelijk ambt.

VIII.

 

Het ambt in de kerk in alles op éen lijn te willen stellen met het ambt in den burgerstaat, bleek dan de ongerijmdheid zelve te zijn. En zij, die, belust op heerschappij voering, er tuk op zijn, om uit de heerschende macht der burgerlijke magistraten conclusiën te trekken voor de heerschappij der kerkelijke machthebbers, stellen niet onze inconsequentie, maar slechts hun eigen belustheid op heerschersmacht en schromelijke kortzichtigheid op de kaak.

De Heilige Schrift snijdt dezen knoop dan ook, zonder aan onzen synodalisten ook maar kans te laten, door.

Wel de oversten der volken, sprak de Heere Jezus, voeren heerschappij, en wel de grooten der aarde oefenen macht over hen, maar alzoo zal het onder u niet zijn (Matth. 20: 25, 26).

De heilige apostel Paulus getuigt zakelijk zelfs van de twaalf apostelen: „Niet dat wij heerschappij over u voeren, maar wij zijn medewerkers met u” (2 Cor. 1: 24).

En de heilige apostel Petrus drukt het den predikanten en ouderlingen nadrukkelijk op het hart, „dat ze de kudde Gods weiden zullen, niet als heerschappij voerende over het erfdeel des Heeren, maar als voorbeelden der kudde geworden zijnde” (1 Petr. 5: 3).

Hiertegen valt niet te praten.

Onze broeders, die onder de synodale hiërarchie vertoeven, moeten ons dit punt toegeven.

Heerschappij komt bij een kerkelijk ambt, anders dan bij Jezus zelven, niet te pas.

Zeer zeker is er een heerschappij ook in de kerk opgericht; maar deze heerschappij is uitsluitend „op zijn schouder”, gelijk er in Jes. 9: 5 staat, gelegd, d.i. op den Christus. Hij heeft als Davids zoon de kroon geërfd. In hem zit Davids zoon op den troon, en zal dus naar het trouwverbond des Heeren met David, „de heerlijkheid dezer heerschappij geen einde hebben”.

Christus is Heerscher.

Hem als onzen Heere en Koning komt de heerschappij over ons toe; en wij bekennen met vreugde, dat we zijn onderdanen zijn.

Zulk een heerschende macht echter, dat is het nu juist wat we aan de kerkelijke hiërarchen nooit toegaven; en hun ooit toegeven zal geen kenner der Schrift. En om nu de onhoudbaarheid van hun stelsel van heerschappij terdege in te zien en door henzelven te doen erkennen, moet ge hun dan ook maar eens afvragen: of zij onderdanen van de synode zijn.

Want nauwelijks hebt ge dat woord onderdanen genoemd, of terstond leeft het waarheidsbesef derwijs krachtig in hen op, dat ze met één ruk dat booze woord verre van zich slingeren.

Gehoorzamen willen ze de synode. Ze doen het zelfs tegen Gods geopenbaarden wil in. Maar als ge zeggen komt, dat ze dan ook onderdanen van de synode zijn, dan zetten ze opeens hun stekels op en willen ze niets van zoo krenkende qualificatie weten.

Neen, neen, zij zijn vrije mannen, en van een onderdanengestalte viel schijn noch schaduw aan hen te ontdekken.

Maar hier nijpt de klem dan ook, en er blijkt dat ze, zonder het zelf te merken, een spel met woorden drijven.

Er ontbreekt aan deze hiërarchen elk juridisch besef van wat opgesloten ligt in het woord heerschappij; en als ze nu de Heilige Schrift lezen, waarin dit begrip streng zuiver is gehouden; of ze halen onze oude schrijvers aan, die op dit punt uiterst nauwkeurig spraken; dan vatten ze dat op, alsof heerschappij voeren zeggen wil zekere tyrannie uitoefenen, misbruik van macht maken en zich heerschzuchtig aanstellen.

En met dit wanbegrip behept vatten ze dan Paulus’ zeggen: „Wij voeren geen heerschappij over u”, in een zin op, als bedoelde de heilige apostel: „Wij maken ons te uwen opzichte aan geen misbruik van macht schuldig”. En als de Heere Jezus dan zegt: „De oversten des volks voeren heerschappij, maar zoo zal het onder u niet zijn”, dan maakt dit op hen den indruk, als had de Heere gezegd: „De oversten der volken vertreden en vertrappen de volken en maken van hun macht misbruik, maar onder u zal dit niet zoo zijn, gij zult stipt rechtvaardig regeeren.

En natuurlijk op die wijs voortredeneerend, maakt men van alles alles; werpt men alle begrip omver; vervalscht elk besef; en maakt ten slotte elk geregeld dispuut onmogelijk.

Houden we daarom voet bij stuk.

„Heerschappij voeren” is niet tyrannie uitoefenen, is niet misbruik van macht maken, is niet dwingziek een ander verdrukken. Van dit alles ligt in het heerschappij voeren op zichzelf niets.

Als er van den Christus staat: „dat de heerschappij op zijnen schouder rust”, volgt er onmiddellijk op, dat deze heerschappij zich juist openbaren zal in het stuiten van verdrukking en in het brengen van het vrederijk

Als de zon geschapen is tot heerschappij des daags en de maan tot heerschappij des nachts, duidt dit eeniglijk aan, dat ze bij dagen en bij nachten macht oefenen.

Als Zacharia van den Christus getuigt dat „zijn heerschappij zijn zal van zee tot zee en van de rivier tot aan de einden der aarde”, sluit deze profetie zelve elk denkbeeld en elke gedachte van tyrannie uit.

Eens voorgoed moet dit misverstand dus uit den weg geruimd en dient men terug te keeren tot de nuchtere klare beduidenis der woorden.

En doet men dat, dan is er onder alle man van verstandigen zin geen quaestie over mogelijk, maar staat vast, dat heerschappij voeren niets anders aanduidt dan heerschersrecht en heerschersmacht over iemand of over een landstreek bezitten.

Zooals Pilatus tot den Heiland zei: „Weet gij niet dat ik macht heb u te dooden en macht heb u los te laten?” Ook toen toch bedoelde Pilatus niet, dat hij feitelijk soldaten tot zijn beschikking had en dus Jezus kon laten dooden, zooals een struikroover ook zou kunnen zeggen: „Ge ziet wel, dat ik het in mijne macht heb, om u dood te schieten;” neen, maar toen sprak ook Pilatus van deze heerschersmacht, die uit de van God verleende souvereiniteit vloeit.

Hoor het maar in Jezus’ antwoord: ,,Ge zoudt geen macht tegen mij hebben, zoo ze u niet van boven gegeven ware.”

Romes keizer heerschte naar menschelijk recht rechtens over Judea. Romes keizer liet zijn gezag door Pilatus als zijn landvoogd vertegenwoordigen. En Jezus, als in Judea geboren, stond dus onder zijn jurisdictie. Hij had macht over Jezus. Deze macht is door Jezus niet betwist. Pilatus kon, krachtens de souvereiniteit bij de gratie Gods, die op zijn keizer rustte, en die hij vertegenwoordigde, over Jezus recht spreken en heerschappij uitoefenen.

Heerschappij duidt dus in het minst niet aan een misbruik, maar een rechtsbetrekking; en wel bepaaldelijk de betrekking tusschen een overheid en een onderdaan.

Al wie overheid is, maar ook die alleen, voert over de onderdanen heerschappij. D.w.z. de overheid heeft het recht en de macht, om haar onderdanen te bevelen en te gebieden; om gehoorzaamheid aan dat bevel en dat gebod af te eischen; en wordt die geweigerd, ze af te dwingen met geweld.

Hierin ligt het karakter, het eigenlijk wezen van alle heerschappij. Zonder deze macht en dat recht bestaat er geen heerschappij. En al wie zich onderwindt, om heerschappij te voeren, zonder dat bij dat recht en deze macht bezit, maakt zich schuldig aan roekelooze aanmatiging.

Wie niet kan zeggen: „God de Heere heeft mij macht verleend om u te gebieden; u gehoorzaamheid af te eischen; en er u desnoods toe te dwingen”, bezit geen heerschappij, maar is er van ontbloot.

Het woord onderdaan maakt de zaak dus uit.

Een heerscher zonder onderdanen is geen heerscher, en evenzoo alleen de naam onderdaan drukt den toestand uit van wie onder zulk een heerschappij verkeert.

Tegenover een heerscher of een heerschappij past noch voegt iets anders dan gehoorzaamheid; altoos tenzij het in zou gaan tegen de eere Gods.

Zij dus, die er hedendaags op uit zijn, om de dominees voor te stellen als een soort kerkelijke burgemeesters en de classicale besturen als een soort Gedeputeerde Staten, slaan den bal ganschelijk mis en verraden op jammerlijke wijze hunne onnadenkendheid.

Ook in de kerk toch is zeer zeker een heerschappij opgericht, maar rust die heerschappij uitsluitend op de schouders van den Middelaar, tengevolge waarvan elk geloovige en alle leden der kerk tegenover Hem dan ook als onderdanen staan, en erkennen zullen en moeten, dat aan Christus macht over hen gegeven is. „Mij is gegeven alle macht in hemel en op aarde!” Wat volstrekt niet zeggen wil, dat Jezus als Middelaar, en dus ook als mensch almachtig zou zijn geworden; maar alleen dat hem alle heerschappij is opgedragen in het Koninkrijk der hemelen.

Maar gaat men nu verder, en onderzoekt men nu hoe het staat, met die duizenden broederen, die onder Koning Jezus ambtelijk in zijn kerk optreden, dan valt hier opeens alle heerschappij weg, en kan er van een onderdanenverband tegenover eenig kerkbestuur nooit sprake zijn.

En vraagt men, in welke verhouding deze ambtsdragers dan tegenover Jezus staan, dan zegt de Heere zelf: „Alzoo zal het onder u niet zijn, maar wie de meeste onder u zal willen zijn, die zij aller dienaar.”

Dan gewaagt de apostel Paulus van „medewerkers uwer blijdschap”, de apostel Petrus van „voorbeelden der kudde” te zijn.

Meer nog, dan treedt Jezus in hun midden, en legt zijn kleederen af en nemende een linnen doek omgordt hij zichzelven, en wascht hun de voeten, en zegt tot hen:

„Gij heet mij Meester en Heer, en gij zegt wel, want ik ben het, ik bezit de heerschappij. Indien dan ik uw Heer en Meester, die wettiglijk heerschappij over u bezit, u de voeten gewasschen heb, zoo zijt ook gij schuldig elkander de voeten te wasschen, want ik heb u een exempel nagelaten, opdat gelijk ik u gedaan heb, gijlieden ook doet. Voorwaar, een dienstknecht is niet meerder dan zijn Heere”!